Nr. 11/01692 Mr. Aben Zitting 2 oktober 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
- Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 24 maart 2011, de verdachte ter zake van - kort gezegd - een drietal verkeersdelicten veroordeeld. Het betreft allemaal overtredingen, waarvoor aan de verdachte als straffen zijn opgelegd een geldboete, subsidiair hechtenis, ten aanzien van feit 1 respectievelijk feit 3, en een hechtenis van twee weken ten aanzien van feit
- Daarnaast heeft het hof ter zake van feit 1 aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van zeven maanden.
- Namens de verdachte heeft mr. M.P. Friperson, advocaat te 's-Gravenhage cassatie ingesteld. Mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie. 3.
- Het middel klaagt dat het hof het verweer dat het recht van de verdachte op consultatie van een raadsman is geschonden, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Althans is 's hofs motivering niet begrijpelijk. 3.
- Het hof heeft het door de raadsman aangevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen: "Nadere bewijsoverweging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Het betoog van de raadsman houdt in dat een verdachte die is aangehouden en van wie wordt gevorderd mee te werken aan een onderzoek van zijn bloed, het recht heeft op een consult met een raadsman alvorens een beslissing te nemen omtrent het al dan niet verlenen van medewerking aan het voornoemde onderzoek. De raadsman beroept zich daarbij op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (verder: EHRM) van 27 november 2008 in de zaak Salduz tegen Turkije (NJ 2009, 214) en de uitspraak van de Hoge Raad van 9 november 2010 (NJ 2010, 615). Hij stelt dat de keuze om wel of niet mee te werken aan voornoemd onderzoek gelijk dient te worden gesteld aan al dan niet een verklaring afleggen. Een consult met een raadsman zou de verdachte in de gelegenheid hebben gesteld om de verstrekkende consequenties van zijn eventuele weigering medewerking te verlenen te kunnen overzien. Ten onrechte is dan ook nagelaten de verdachte op dit recht te wijzen. Uit de hierboven genoemde rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad volgt niet dat een eerste verhoor door de politie van een verdachte na zijn aanhouding gelijk dient te worden gesteld aan een bevel door de hulpofficier van justitie tot medewerking aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, sub b, van de Wegenverkeerswet
- Het EHRM neemt als uitgangspunt in de zaak Salduz tegen Turkije: "as from the first interrogation of a suspect by the police" (rechtsoverweging 55). In het door de raadsman genoemde arrest van de Hoge Raad van 9 november 2010 overweegt ook de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak over de interpretatie van de uitspraak in de zaak Salduz dat het recht op raadpleging van een advocaat bestaat - binnen redelijke grenzen - "voorafgaand aan het eerste verhoor", indien sprake is van een aangehouden verdachte (rechtsoverweging 2.4). Dit betekent dat een verdachte aan voornoemde rechtspraak geen recht kan ontlenen op het raadplegen van een advocaat alvorens hij besluit al dan niet zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als hiervoor bedoeld op bevel van de hulpofficier van justitie. In de onderhavige zaak is de verdachte aangehouden. Nadat hij zijn toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek niet had verleend, heeft de hulpofficier van justitie zijn medewerking tot het voornoemde onderzoek bevolen. Onder die omstandigheden bestaat geen recht op het raadplegen van een raadsman alvorens al dan niet zijn medewerking te verlenen aan een vordering tot het zich onderwerpen aan een bloedonderzoek. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging." 3.
- Het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof heeft overwogen dat een op grond van art. 163, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet aan de verdachte gegeven bevel zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek, niet gelijk kan worden gesteld aan het eerste politieverhoor van een aangehouden verdachte, en dat uit het Salduz-arrest niet voortvloeit dat de verdachte in een dergelijk geval het recht heeft een raadsman te raadplegen alvorens zijn medewerking aan het bevel te verlenen. Het middel, dat met een beroep op het arrest EHRM 13 oktober 2009, nr. 7377/03 (Dayanan tegen Turkije) betoogt dat voornoemd oordeel van het hof onjuist is, op de grond dat het recht op consultatie van een raadman bestaat vanaf het moment dat sprake is van een significante beperking van de vrijheid van handelen, berust op een onjuiste lezing van dat arrest. Het arrest Dayanan tegen Turkije betreft een zaak waarin een aangehouden en gedetineerde verdachte door de politie is verhoord, terwijl hij zich in die fase van de procedure niet kon doen bijstaan door een raadsman. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft geoordeeld dat art. 6, eerste en derde lid, EVRM is geschonden, ongeacht de omstandigheid dat de verdachte tijdens die politieverhoren gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht en geen verklaringen heeft afgelegd op basis waarvan hij later is veroordeeld. Daarbij heeft het EHRM in het bijzonder in aanmerking genomen dat bijstand door een raadsman gedurende die fase van de procedure niet mogelijk was, omdat de destijds geldende Turkse wetgeving het recht van de verdachte op bijstand door een raadsman gedurende de periode dat hij zich in 'police custody' bevindt, expliciet en systematisch beperkte ten aanzien van bepaalde categorieën verdachten, en de verdachte i.c. tot een van die categorieën behoorde. Een dergelijke bij wet voorziene beperking van het recht op bijstand door een raadsman is volgens het EHRM op zichzelf voldoende grond voor schending van art. 6, eerste en derde lid, EVRM. Dat de bij Turkse wet voorziene beperking van het recht van bepaalde categorieën verdachten op bijstand door een raadsman gedurende de periode van 'police custody' doorslaggevend was voor het oordeel van het EHRM in de zaak Dayanan tegen Turkije, blijkt tevens uit de op die zaak volgende arresten in de zaken EHRM 23 juni 2011, nr. 20024/04 (Zdravko Petrov tegen Bulgarije) en EHRM 19 januari 2012, nr. 11778/05 (Smolik tegen Oekraïne). Anders dan het middel wil doen geloven, is in het arrest Dayanan tegen Turkije geen steun te vinden voor de opvatting dat het recht op bijstand door een raadsman bestaat vanaf het moment dat de vrijheid van handelen van de verdachte significant wordt beperkt.
- Het middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan.
- Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.