Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

ECLI:NL:PHR:2012:BY1360

12/03220 Mr. F.F. Langemeijer 7 september 2012 (incident griffierecht) Conclusie inzake: [Verzoekster] tegen Staat der Nederlanden 1. Bij verzoekschrift van 28 juni 2012, ingekomen op diezelfde datum, heeft verzoekster tot cassatie beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 april 2012.

2.Ingevolge art. 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken behoorde verzoekster ervoor zorg te dragen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift is bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad, dan wel ter griffie van de Hoge Raad is gestort. De wettelijke betalingstermijn liep af op 26 juli 2012.
3.De griffie heeft geconstateerd dat het verschuldigde griffierecht (€ 302,-) niet tijdig is betaald. Bij brief van 1 augustus 2012 is verzoekster gelegenheid geboden zich ter rolzitting van 10 augustus 2012 uit te laten over de te late betaling. Het verschuldigde griffierecht is op 9 augustus 2012 alsnog ontvangen. Bij akte van 9 augustus 2012 heeft de advocaat van verzoekster zich over de te late betaling uitgelaten.
4.Verzoekster bestrijdt niet dat zij het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Toepassing van het bepaalde in art. 427b Rv in verbinding met art. 282a lid 2 Rv brengt mee dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar cassatieberoep(1).
5.Op grond van het vierde lid van art. 282a Rv kan de rechter het bepaalde in het tweede lid buiten toepassing laten indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van een procespartij bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de zgn. 'hardheidsclausule'). Bij akte heeft de advocaat zich over de termijnoverschrijding uitgelaten. Daaromtrent heeft hij niet méér gesteld dan dat verzoekster hem heeft meegedeeld het griffierecht rechtstreeks te hebben voldaan en dat het bedrag alsnog is overgemaakt toen dit niet het geval bleek te zijn. Voor zover in die stelling al een beroep op de hardheidsclausule kan worden gelezen, moet dat beroep falen. De gestelde omstandigheid komt voor rekening en risico van de betalingsplichtige. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die meebrengen dat toepassing van art. 282a lid 2 in verbinding met art. 427b Rv tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden.

Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, a. - g.

1 Zie onder meer: HR 9 december 2011 (LJN: BU7291).

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.