Nr. 10/04314 Mr. Vellinga Zitting: 9 oktober 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Dat het Hof in het onderhavige geval voornoemde onderzoeksplicht heeft aangenomen acht ik - anders dan het middel - niet onbegrijpelijk. De door het Hof vastgestelde omstandigheden dat door [medeverdachte 5], die door het winkelpersoneel van [F] als handelaar werd gezien (C onder l), in twee maanden tijd voor [betrokkene 26] 9 maal horloges werden aangekocht, op naam van [betrokkene 8] 6 maal in vijf weken tijd en 23 maal op naam van [betrokkene 3] in vijf maanden waarvan 11 maal in de laatste maand, terwijl omtrent de identiteit van deze afnemers bij de verdachte niet meer bekend was dan de gegevens die op de door [medeverdachte 5] verstrekte kopiepaspoorten stonden vermeld (D.3.3.) vormen hiervoor mijns inziens voldoende grondslag.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel klaagt over de motivering door het Hof van het bewezenverklaarde medeplegen.
- Het Hof heeft met betrekking tot het bewezenverklaarde medeplegen het volgende overwogen: "Medeverdachte [medeverdachte 3] is als directeur en 100% aandeelhouder van [H] Holding B.V. en leidinggevende van [F] verantwoordelijk voor het op juiste wijze voeren van de administratie van [F]. Verdachte is in de ten laste gelegde periode als verkoper / bedrijfsleider eveneens nauw betrokken geweest bij de administratie van [F], in het bijzonder waar het betreft de facturering. Verdachte was immers hoofdzakelijk verantwoordelijk voor de verkoop in de ten laste gelegde periode. [Medeverdachte 5] zelf heeft verklaard dat hij contact had met verdachte en met [medeverdachte 3] hetgeen bevestigd wordt door de verklaringen van verdachte zelf en het winkelpersoneel. Op de in het dossier opgenomen en ten laste gelegde facturen van [F] staat bovendien hoofdzakelijk als verkoper [verdachte] opgenomen. Het vorenstaande maakt naar het oordeel van het hof dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met [F] B.V. heeft gepleegd zoals hiervoor bewezen verklaard."
- Om van medeplegen te kunnen spreken is bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader(s) vereist, gericht op het te plegen strafbare feit.
- Voor zover het middel berust op de opvatting dat uit de gebezigde bewijsmiddelen het opzet van de B.V. op valsheid in geschrift moet kunnen worden afgeleid, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. In zijn arrest van 6 maart 2012, LJN BQ8596, NJ 2012, 176 oordeelde de Hoge Raad immers dat bij een veroordeling ter zake van het medeplegen van een opzetdelict niet wordt geëist dat steeds uit de bewijsvoering - naast het opzet van de verdachte - het opzet van zijn mededaders moet kunnen volgen. Bijzondere omstandigheden die dit in het onderhavige geval anders doen zijn, zijn niet gesteld en liggen ook niet in de door het Hof vastgestelde feiten besloten.
- Voor zover het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen de nauwe samenwerking tussen de verdachte en de B.V. niet kan volgen ziet het eraan voorbij dat het Hof, in aanmerking genomen dat het heeft vastgesteld dat de medeverdachte [medeverdachte 3] als directeur 100% aandeelhouder van [H] Holding B.V. en leidinggevende van [F] verantwoordelijk was voor het op juiste wijze uitvoeren van de administratie, kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de bewezenverklaarde gedragingen van die [medeverdachte 3] met betrekking tot het opmaken van de facturen aan voornoemde B.V. zijn toe te rekenen.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ambtshalve merk ik het volgende op. Verdachte heeft op 24 september 2010 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
- Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Vgl. HR 17 januari 2011, LJN BU4211 (voorwaardelijk opzet op valse identiteitspapieren in administratie door iedere voorzorgsmaatregel achterwege te laten) en HR 5 juli 2011, LJN BQ6140, NJ 2011, 327 (voorwaardelijk opzet op invoer cocaïne door achterwege laten van ieder onderzoek naar inhoud koffer).