Nr. 10/04453 Mr. Vellinga Zitting: 9 oktober 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1), te weten natuurlijke personen die de horloges anders dan als ondernemer bij het verlaten van Nederland in hun persoonlijke bagage hebben meegevoerd en zo buiten de EU hebben gebracht. Door dat onderzoek na te laten heeft verdachte minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de facturen aldus valselijk werden opgemaakt. Voorts - gelet op de bewezenverklaring eveneens ten overvloede - stelt het Hof vast dat ook in die zin van valsheid in geschrift sprake was dat vervoer door middel van een koeriersbedrijf geen brengen door een buiten de EU verblijvende natuurlijke persoon in zijn persoonlijke bagage buiten de EU behelst.
- Onderdeel a van het middel stuit af op de vrijheid van de rechter bij de waardering van het bewijsmateriaal. Het oordeel van het Hof dat de op de facturen gestelde namen inderdaad fakenamen waren vindt bovendien steun in de verklaring van [betrokkene 15] (bewijsmiddel 2), dat verdachte artikelen kocht en de facturen op een andere naam werden gesteld en verdachtes verklaring (bewijsmiddel 3) dat [betrokkene 15] rechtstreeks aan hem is gaan leveren.
- Onderdelen b en c van het middel miskennen dat de weerlegging van het verweer besloten ligt in de verklaring van verdachte zoals het Hof die als bewijsmiddel 3 voor het bewijs heeft gebezigd.
- Onderdeel d en e van het middel miskennen dat het Hof spreekt van c.q. het oog heeft op natuurlijke personen als bedoeld in art. 23a van de Beschikking.
- Onderdeel f van het middel, dat overigens betrekking heeft op een overweging die als ten overvloede moet worden aangemerkt, stuit af op de omstandigheid dat het Hof heeft vastgesteld dat de facturen betrekking hadden op leveringen van [betrokkene 15] aan verdachte.
- Onderdeel g van het middel stuit af op de omstandigheid dat het Hof heeft vastgesteld dat de facturen betrekking hadden op leveringen van [betrokkene 15] aan verdachte.
- Onderdeel h van het middel stuit reeds af op de omstandigheid dat dit betrekking heeft op een overweging die als ten overvloede moet worden aangemerkt.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel is erop gebaseerd dat het eerste middel zou slagen. Dat is niet het geval. Het middel faalt dus.
- Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.
- Het cassatieberoep is ingesteld op 27 september
- De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 14 oktober 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dan ook terecht voorgesteld, en dient te leiden tot strafvermindering.
- Het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ambtshalve heb ik, afgezien van hetgeen ik hiervoor onder 19 over de termijn van afdoening in cassatie heb opgemerkt, geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.