Nr. 11/00840 Mr. Vellinga Zitting: 9 oktober 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en behoeft het geen nadere motivering. Zoals het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld heeft verdachte immers in de hem aan het slachtoffer toegebrachte ernstige verwondingen geen reden gezien een hulpdienst te waarschuwen doch heeft hij het op de grond liggende slachtoffer, kennelijk om te verzekeren dat het slachtoffer hem niet kon beletten te zoeken naar diens autosleutels, de handen op de rug gebonden en het slachtoffer zo achtergelaten.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel klaagt dat het Hof de opgelegde vrijheidsstraf voor de duur van vijftien jaren onvoldoende heeft gemotiveerd. Volgens de toelichting op het middel is de motivering van het Hof dat het zich bij de bepaling van de straf heeft georiënteerd op hetgeen gebruikelijk voor doodslag wordt opgelegd onbegrijpelijk, gelet op de uitkomst van verschillende onderzoeken naar de gemiddelde strafduur wegens doodslag. Voorts wordt geklaagd dat het Hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan een gevoerd strafmaatverweer.
- 's Hofs arrest houdt ten aanzien van de opgelegde straf, voor zover hier van belang, het volgende in: "Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brute en laffe doodslag van de zestigjarige [slachtoffer] en vervolgens aan een diefstal van diens auto, autosleutels en pinpas. De verdachte heeft het slachtoffer in zijn woning meermalen met kracht met een lamp op het hoofd geslagen en samendrukkend geweld op de hals uitgeoefend. Daarna heeft hij het slachtoffer, die op dat moment waarschijnlijk buiten bewustzijn was en al stervende, op zijn buik gedraaid en zijn handen op de rug gebonden. Vooral de meedogenloosheid, de brutaliteit en de laffe manier waarop de verdachte het slachtoffer heeft gedood is zeer schokkend. De verdachte heeft op zeer agressieve wijze een mens het leven ontnomen. Bovendien heeft de verdachte, nadat het slachtoffer dodelijk gewond in de woning lag, de woning doorzocht en deze verlaten met medeneming van diens autosleutels en pinpas. De verdachte is weggereden zonder zich om het slachtoffer te bekommeren. Hij heeft hem op de grond voor dood achtergelaten. Hij heeft zich de auto van het slachtoffer vervolgens toegeëigend en aannemelijk is geworden dat hij later die nacht heeft geprobeerd met de gestolen pinpas te pinnen. Uit zijn handelen na het plegen van de geweldshandelingen, spreekt een rustig en overwogen optreden dat, zeker gezien de relatief jonge leeftijd van de verdachte toentertijd, zorgwekkend is. Door aldus te handelen heeft de verdachte één van de meest ernstige strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht gepleegd, namelijk een levensdelict, waarop een maximumgevangenisstraf is gesteld van vijftien jaar. Verdachte heeft het slachtoffer van het leven beroofd en de nabestaanden, zijn twee zussen en andere familieleden, onnoemelijk en onherstelbaar veel verdriet berokkend. Het hof verwijst in dit verband naar de ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2010 door de zuster voorgelezen verklaring. Door een dergelijk misdrijf is de samenleving ernstig geschokt en worden gevoelens van onveiligheid versterkt. Voor een dergelijk ernstig strafbaar feit is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur de enige passende bestraffing. Met betrekking tot de persoon van de verdachte overweegt het hof als volgt. Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 2 september 2010 blijkt dat de verdachte, ondanks zijn jeugdige leeftijd al een fors strafblad heeft opgebouwd, bestaande onder meer uit vermogensdelicten en een aantal geweldsdelicten. Hij is daartoe onder meer veroordeeld tot jeugddetentie en onvoorwaardelijke gevangenisstraf en zijn eerste veroordeling wegens het plegen van misdrijven dateert uit 2001 toen hij slechts 13 jaren oud was. Al deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er niet toe gebracht zijn leven een meer positieve wending te geven, zodat deze recidive hem thans, in strafverzwarende zin wordt aangerekend. Over de persoon van de verdachte is op 14 juli 2008 gerapporteerd door R.J.H. Winter, psychiater. Daarnaast is over hem een reclasseringsrapport uitgebracht op 23 juni 2008 door M.C. de Vries. In het rapport van de psychiater wordt geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde volledig toerekenbaar kon worden geacht. In het rapport wordt overwogen dat gezien de ontkennende houding van de verdachte over een risico voor herhaling geen valide uitspraak mogelijk is. Het hof neemt van deze conclusie kennis en betrekt deze in zijn overwegingen. Wat de duur van de op te leggen gevangenisstraf betreft heeft het hof zich georiënteerd op hetgeen gebruikelijk voor doodslag wordt opgelegd en op al het voorgaande. Dit brengt het hof ertoe een aanzienlijk hogere gevangenisstraf op te leggen dan door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd. Het hof ziet in hetgeen door de raadsman als strafmaatverweer in zijn pleitnotities is aangevoerd, zeker geen aanleiding om die passend geachte straf te verlagen. Voor deze feiten, te weten de doodslag op het slachtoffer 1 en de diefstal van de auto, de pinpas en de autosleutels acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren een passende bestraffing."
- De eerste klacht gaat eraan voorbij dat het Hof zich bij de bepaling van de straf niet enkel heeft gebaseerd op hetgeen gebruikelijk voor doodslag wordt opgelegd, maar daarbij tevens "al het voorgaande" heeft betrokken. Reeds daarom faalt de klacht.
- De klacht dat het Hof niet duidelijk heeft gemaakt waarom het strafmaatverweer is gepasseerd, faalt eveneens. Het Hof heeft de bepaling van de straf van een uitgebreide motivering voorzien, waarbij is betrokken de "meedogenloosheid, de brutaliteit en de laffe manier waarop de verdachte het slachtoffer heeft gedood", voorts dat het rustige en overwogen optreden van verdachte na de geweldshandelingen zeker gezien verdachtes leeftijd destijds zorgwekkend is en dat de recidive hem in strafverzwarende zin wordt aangerekend. Met die motivering heeft het Hof voldoende inzichtelijk gemaakt waarom aan het strafmaatverweer - dat erop neerkomt dat, gelet op de opgelegde straffen in "soortgelijke" zaken, een gevangenisstraf voor de duur van minder dan twaalf jaar dient te worden opgelegd - voorbij is gegaan.