Nr. 11/04592 B Mr. Vellinga Zitting: 9 oktober 2012 Conclusie inzake: [Klager]
(1)De onrechtmatigheid van de inbeslagneming maakt het dus nog niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, tot onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal overgaan. Ook al vormt de inbeslagneming een vrucht van een onrechtmatige opsporingshandeling, dan noopt dit dus nog niet tot teruggave van het voorwerp in die gevallen waarin het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend tot onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen voorwerp zal besluiten.
- Het is niet geheel ondenkbaar dat reeds tijdens de klaagschriftprocedure wordt uitgemaakt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, niet tot uitsluiting van het in de vondst van het voorwerp vervatte bewijs komt dan wel dat een zo ernstige inbreuk op de rechten van de beslagene is gemaakt dat deze tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp moet leiden. Dat zich in casu een dergelijk geval voordoet valt uit de beschikking van de Rechtbank niet af te leiden.
- Zou de door de Rechtbank gehanteerde regel steun vinden in het recht dan heeft de Rechtbank verzuimd na te gaan of de onrechtmatigheid van de aanhouding, waarvan de inbeslagneming de vrucht is, bestaat in een gebrek dat in het voorbereidend onderzoek kan worden hersteld, en of dat gebrek inmiddels is hersteld dan wel valt te verwachten dat dit gebrek alsnog zal worden hersteld.
- Het voorgaande betekent dat de bestreden beschikking bij gebreke van een deugdelijke en/of toereikende motivering niet in stand kan blijven en het middel voor het overige buiten bespreking kan blijven.
- Het middel slaagt.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover het beklag gegrond is verklaard en in zoverre tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Vgl. HR 22 februari 1994, LJN AD2042, NJ 1994/490.