← Nederland

ECLI:NL:PHR:2013:1268

Nr. 12/05885 Zitting: 25 juni 2013 Mr. Vellinga Conclusie inzake: [klager]

  1. Bij beschikking van 13 november 2012 heeft de Rechtbank te Amsterdam het beklag, strekkende tot teruggave van onder klager inbeslaggenomen schilderijen, ongegrond verklaard.
  2. Namens klager heeft mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
  3. Het middel klaagt over de motivering van de ongrondverklaring van het beklag.
  4. De Rechtbank heeft de ongrondverklaring van het beklag als volgt gemotiveerd: “In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt. De officier van justitie heeft verklaard dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat het beslag dient te worden opgeheven. Nu er voorts sprake is van meer dan één belanghebbende, dient de rechtbank bij de beoordeling van de vraag aan wie het voorwerp dient te worden teruggegeven zich te laten leiden door hetgeen op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is. Daarbij mag de rechtbank civielrechtelijke aspecten betrekken, maar van haar kan niet worden verlangd te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en [bezitskwesties]. Klager heeft de vijf schilderijen als galeriehouder gekocht. Vastgesteld kan worden dat de schilderijen van diefstal afkomstig zijn. Een rechterlijke veroordeling is hiervoor niet vereist, een aangifte van diefstal is voldoende. Door de raadsvrouw is niet betwist dat een dergelijke aangifte is gedaan. Uitgangspunt is dat de officier van justitie in geval van diefstal het in beslaggenomene retourneert aan de oorspronkelijke eigenaar. De rechtbank, overweegt voorts dat wellicht thans niet duidelijk is wie als oorspronkelijke eigenaar dient te worden aangemerkt, de Noorse galerie of de verzekeringsmaatschappij, maar dat nu de schilderijen door de Noorse autoriteiten zijn opgeëist, op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel moet worden aangenomen dat de eigenaar de schilderijen bij de Noorse autoriteiten binnen drie jaar na de diefstal heeft opgeëist. Bij deze stand van zaken kan klager op het eerste gezicht redelijkerwijs niet als rechthebbende worden aangemerkt, ook als ervan wordt uitgegaan dat klager te goeder trouw was toen hij de vijf schilderijen kocht. Omdat klager in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelde, beschermt zijn goede trouw hem immers niet tegen een eis tot teruggave van de eigenaar.”
  5. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat de Rechtbank zich ten onrechte heeft laten leiden door bepalingen van civiel recht omdat de Rechtbank zich daardoor heeft begeven in de beslechting van civielrechtelijke eigendomskwesties.
  6. Zoals in de toelichting op het middel met juistheid wordt opgemerkt mag de rechter in zijn oordeel civielrechtelijke aspecten betrekken. Door of namens klager is bij de behandeling van het klaagschrift niet aangevoerd dat en waarom de rechter in het onderhavige geval zou moeten afzien van het betrekken van civielrechtelijke aspecten in zijn oordeel. Voorts miskent de onderhavige klacht dat ongegrondverklaring van het beklag niet meebrengt dat de rechter een oordeel velt over civielrechtelijke aanspraken van verdachte op de gestolen schilderijen. Een en ander betekent dat de klacht niet opgaat.
  7. In de tweede plaats wordt geklaagd dat de Rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de Noorse galerie de schilderijen niet als haar eigendom opeist en derhalve niet vaststaat dat de galerie de schilderijen door diefstal heeft verloren. Daartoe wordt erop gewezen dat bij gelegenheid van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer is aangevoerd dat de vervolging van een verdachte ter zake van diefstal is stopgezet.
  8. Voor zover met deze klacht is bedoeld te betogen dat voor het oordeel van de Rechtbank dat een ander redelijkerwijs als rechthebbende op de schilderijen moet worden aangemerkt vereist is dat die ander bekend is en/of een vordering tot teruggave moet zijn ingesteld wordt een eis gesteld die het recht niet kent.
  9. Anders dan kennelijk aan de klacht ten grondslag ligt staat aan het oordeel van de Rechtbank dat de schilderijen gestolen zijn niet in de weg dat een vervolging van een verdachte ter zake van die diefstal gestaakt is. Uit die omstandigheid valt immers bij gebreke van de motivering van de beslissing de vervolging van die verdachte te staken niet meer af te leiden dan dat men niet de juiste persoon op het oog had.
  10. Voor zover in de toelichting op het middel nog wordt opgemerkt dat de onderhavige beslissing tot gevolg heeft dat de Officier van Justitie schilderijen ter beschikking stelt van de Noorse autoriteiten en klager daardoor geen gebruik meer kan maken van het hem ingevolge art. 3:120 BW toekomende beroep op zijn retentierecht wordt miskend dat daaromtrent door of namens klager bij de behandeling van het klaagschrift niets is aangevoerd.
  11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
  12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.