Nr. 11/03112 P Zitting: 20 augustus 2013 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [betrokkene] 1. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 15 juni 2011 onder aanvulling van gronden bevestigd het vonnis van de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 4 mei 2010, waarbij de Rechtbank aan de betrokkene de verplichting heeft opgelegd tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 21.855,40 ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel. 2. Namens de betrokkene heeft mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat te ‘s Hertogenbosch, een middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat de betrokkene niet heeft gedeeld in de opbrengsten van de hennephandel en zij derhalve geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. 4. Ter terechtzitting van het Hof van 1 juni 2011 is door de betrokkene voor zover voor de beoordeling van het middel van belang onder meer het volgende aangevoerd: “U, voorzitter, houdt mij voor dat ik heb verklaard dat, naast het feit dat de periode waarin ik hennep zou hebben afgeleverd onjuist is, ook mijn rol kleiner was dan die van mijn man en dat ik bijvoorbeeld niets te maken had met de inkoop van hennep. Dat klopt. Ik had niets te maken met de inkoop van hennep. Mijn man deed dat zelf. Mij wordt gevraagd of ik ooit betrokken ben geweest bij het verdelen van de ingekochte hennep in gripzakjes. Nee. Ik heb nog nooit hoeveelheden hennep gewogen. Ik heb een hekel aan hennep, omdat het gedrag van mensen daardoor nadelig wordt beïnvloed. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik geld in ontvangst zou hebben genomen als men aan de deur kwam voor hennep en u vraagt mij wat ik met dat geld deed. Dat geld moest dan naar boven, waar de portemonnee lag. Ik moest alles afdragen aan mijn man. Voor elke cent kwam hij naar beneden. Als ik bijvoorbeeld boodschappen moest doen, dan moest ik mijn man om geld vragen. U, voorzitter, vraagt mij of ik bijvoorbeeld tegen mijn man heb gezegd dat er geld in huis moest zijn voor als er klanten aan de deur zouden komen. Mijn man zei dat al het geld voor de inkoop van hennep was bestemd. Daar kon niets vanaf. U, voorzitter, vraagt mij of ik in dat geval bijvoorbeeld tegen mijn man heb gezegd, dat hij meer geld moest vragen voor een zakje hennep. Dat heb ik niet tegen hem gezegd. Als ik echt geld nodig had, dan kon ik ook nog naar mijn familie. (…)U, jongste raadsheer, vraagt mij of ik in gemeenschap van goederen ben getrouwd. Dat klopt.” 5. De raadsman heeft blijkens zijn aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2011 gehechte pleitnota, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, onder meer het volgende naar voren gebracht. “Ten aanzien van het door de rechtbank bepaalde wederrechtelijk verkregen voordeel, wenst de verdediging het navolgende naar voren te brengen. De rechtbank is tot een ponds-ponds gewijze verdeling gekomen omdat er onvoldoende aanknopingspunten in het dossier zouden zijn om te bepalen welk deel van de winst in het vermogen van cliënte is gevloeid. De verdediging merkt op dat van de voorgaande situatie geen sprake is. Immers, medeverdachte [betrokkene 1] heeft bij de r-c verklaard dat het geld wat cliënte van de klanten ontving bij hem werd afgegeven. [betrokkene 1] verkaart bij de r-c tevens dat hij het geld gebruikte om medische kosten, alcohol, de therapeut en de softdrugs te bekostigen. Cliënte zou [betrokkene 1] nooit geld hebben gevraagd van de opbrengst. Het voorgaande lijkt tevens onderbouwd te worden door [betrokkene 2]. [betrokkene 2] verklaart bij de r-c dat al het geld wat door [betrokkene 1] werd verdiend opging aan de alcohol. Ze weet dat alles opging, omdat cliënte de hand op moest houden en zij regelmatig moest bijspringen. Ook de moeder van cliënte en [betrokkene 2] heeft regelmatig moeten bijspringen aldus [betrokkene 2]. [betrokkene 3] heeft bij de r-c verklaard dat er in de woning van cliënte geen luxe artikelen waren en dat er veel geldproblemen waren. Over de geldproblemen werd al gesproken toen [betrokkene 3] een kind was. [betrokkene 4] heeft bij de r-c verklaard: "Ik bedoel met dat het zijn dingetje was dat [betrokkene 1] zelf een behoorlijke alcoholverslaving had en andere middelen gebruikte en dat moest ook bekostigd worden." Ook verklaart [betrokkene 4] dat hij in de woning nooit luxe goederen heeft gezien. Conclusie van de verdediging De verdediging is van mening dat uit de voorgaande verklaringen weldegelijk een verdeelsleutel kan worden bepaald. Van groot belang acht de verdediging de verklaring van [betrokkene 1] zelf. Daarnaast merkt de verdediging op dat de verklaring van [betrokkene 1] onderbouwd wordt door de verklaringen van drie verschillende getuigen. Uit al deze verklaringen wordt het naar mening van de verdediging niet aannemelijk dat cliënte voordeel heeft genoten van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor de goede orde merkt de verdediging op dat de stelling van cliënte niet wordt tegengesproken door een financieel onderzoek, waaruit blijkt dat cliënte beschikt over onverklaarbaar vermogen (bankrekening, luxe goederen etc). De verdediging is primair van mening dat men niet ponds-ponds gewijs mag verdelen, daar cliënte nimmer enig voordeel heeft genoten. Derhalve kan ten aanzien van cliënte geen wederrechtelijk voordeel […] worden ontnomen.” 6. De raadsman heeft daaraan blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juni 2011 toegevoegd: “Het geld werd gebruikt om alcohol te kopen voor de man van cliënte en van de uitkering van cliënte werd soms wat leuks gedaan.(…)Er zijn uit het dossier wel degelijk aanwijzingen te ontlenen waar het verdiende geld is terechtgekomen, te weten bij [betrokkene 1], de man van mijn cliënte. Hij heeft voordeel genoten uit de handel in hennep. We weten niet wat hij met het geld heeft gedaan. Misschien heeft hij het wel op een Zwitserse bankrekening gezet.(…) Het gaat erom wat veroordeelde daadwerkelijk aan geld te besteden had. Zij is door de politie verhoord, maar een verhoor waarin dieper is ingegaan op de opbrengsten uit hennephandel ontbreekt. Mijn cliënte heeft een vermoeden waar het geld aan is besteed. De stelling dat veroordeelde heeft meegewerkt met haar man met de hennephandel en met hem onder één dak woonde, zodat zij ook voordeel heeft genoten gaat niet automatisch op. Daarvoor bestaan onvoldoende objectieve aanwijzingen in het dossier. De stelling van mijn cliënte acht ik daarom wel aannemelijk.” 7. Het vonnis van de Rechtbank houdt, voor zover door het Hof bevestigd en voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, met weglating van de in het vonnis opgenomen voetnoten, het volgende in: “De beoordeling van de vordering.De vordering is tijdig ingediend. De rechtbank heeft bij vonnis van 4 mei 2010 onder bovenvermeld parketnummer betrokkene [betrokkene] in de hoofdzaak onder meer veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd in de periode van 1 januari 2005 tot en met 25 januari 2010. In de rapportage wederrechtelijk verkregen voordeel, opgesteld door verbalisant [verbalisant 2], senior thematisch rechercheur financieel rechercheren en buitengewoon opsporingsanbtenaar, wordt becijferd dat het door betrokkene [betrokkene] door het medeplegen van de handel in softdrugs in de periode van 1 januari 2006 tot 25 januari 2010 (4 jaar), wederrechtelijk verkregen voordeel tezamen met haar mededader € 34.000,-- bedraagt. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.Het standpunt van de officier van justitie.Het door de officier van justitie ter terechtzitting gevorderde wederrechtelijk verkregen voordeel is eveneens gebaseerd op voornoemde rapportage wederrechtelijk verkregen voordeel, met dien verstande dat de officier van justitie in de berekening van de gewijzigde vordering voor betrokkene [betrokkene] en haar mededader ieder een bedrag van € 21.855,-- vordert, omdat zij uitgaat van een periode van 5 jaar dat betrokkene [betrokkene] en haar mededader hebben gehandeld in hennep. Het standpunt van de verdediging. De raadsman heeft [AG: ter] terechtzitting op gronden zoals vermeld in zijn ter terechtzitting overlegde pleitnota, primair bepleit dat de handel van hennep volledig op initiatief is geweest van de mededader [betrokkene 1] en dat bovendien niet uit het dossier blijkt dat betrokkene [betrokkene] gedeeld heeft in de opbrengsten van de hennephandel. De verdediging stelt zich op het standpunt dat er daarom niet ponds ponds gewijs mag worden verdeeld, omdat betrokkene [betrokkene] nimmer enig voordeel heeft genoten. (…)Het oordeel van de rechtbank.De rechtbank stelt op basis van het proces verbaal van de regiopolitie Brabant Noord, Districtelijke Opsporing Maas en Leijgraaf, dossiernummer 2009141436, afgesloten op 12 maart 2010, het navolgende vast. Op vrijdag 23 oktober 2009 werd in Cuijk een persoon aangehouden ter zake het voorhanden hebben van gripzakjes met hasj. Hij verklaarde in de woning van [betrokkene 1] te zijn geweest in verband met de koop van wiet. Tevens werden medio november 2009 door een agent van politieteam Cuijk, [verbalisant 1], waarnemingen gedaan waaruit kan worden opgemaakt dat er verdovende middelen werden verhandeld in de woning van [betrokkene 1] [aan] op het adres [a-straat 1] te Cuijk. Op het adres [a-straat 1] te Cuijk zijn woonachtig: [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961 en [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959. Beide bewoners hebben meerdere antecedenten op het gebied van verboden handelingen aangaande soft drugs. Op verschillende dagen (zowel doordeweekse als weekend) werden observaties van de betreffende woning verricht op grond van een bevel ex artikel 126g SV. Op betreffende dagen bleken er gemiddeld 12 à 15 personen aan de voordeur van de woning [a-straat 1] te Cuijk te komen die slechts kortstondig daar verbleven. Sommigen van die personen werden van de opgenomen videobeelden door politieambtenaren van team Cuijk herkend als zijnde bekende (soft)drugsgebruikers. Op basis van deze bevindingen werd een afvangactie georganiseerd op maandag 25 januari 2010. Die dag werden 3 personen aangehouden nadat was vast gesteld dat zij kortstondig aan de deur waren geweest van de woning van betrokkenen [betrokkene 1] en [betrokkene]. Bij alle drie de aangehouden personen werd een gripzakje wiet aangetroffen en inbeslaggenomen. Allen verklaarden de softdrugs kort voor hun aanhouding te hebben gekocht aan de voordeur van de woning van betrokkenen [betrokkene 1] en [betrokkene]. Allen legden verklaringen af met betrekking tot hun softdrugs aankopen bij de betrokkenen [betrokkene 1] en [betrokkene]. Getuige/afnemer [getuige 1] verklaart op 25 januari 2010 dat hij de zojuist bij hem inbeslaggenomen softdrugs heeft gekocht bij [betrokkene 1]. Deze keer heeft hij gekocht van zijn vrouw [betrokkene]. Hij koopt al 14 jaar softdrugs bij [betrokkene 1]. Getuige/afnemer [getuige 2] verklaart op 25 januari 2010 dat hij de zojuist bij hem inbeslaggenomen softdrugs heeft gekocht bij [betrokkene 1] en zijn vrouw [betrokkene] en dat hij al zeker sinds het begin van 2005 bij hen koopt. Getuige/afnemer [getuige 3] verklaart op 25 januari 2010 dat hij de zojuist bij hem inbeslaggenomen softdrugs heeft gekocht bij [betrokkene 1] en dat hij al 5 jaar bij [betrokkene 1] softdrugs koopt. Na het opnemen van genoemde verklaringen werd de woning [a-straat 1] te Cuijk betreden ter aanhouding van beide hoofdverdachten. Betrokkenen [betrokkene 1] en [betrokkene] werden beiden in hun woning aangehouden ter zake de handel in verdovende middelen.Zij verleenden nadrukkelijk vrijwillig toestemming voor de doorzoeking van hun woning [a-straat 1] te Cuijk. Daarbij werd aangetroffen een hoeveelheid van in totaal 164 gram hennep. Op 26 januari 2010 werd mededader [betrokkene 1] door de politie verhoord. Hij verklaarde dat hij normaal maar 30 gram wiet op voorraad heeft. Dat er gemiddeld 4 klanten per dag komen en een klantenkring van 6 personen heeft. Het ook wel eens voorkomt dat er op een dag niemand komt en de andere dag 15 personen komen. Op 27 januari 2010 werd mededader [betrokkene 1] nogmaals door de politie gehoord. Hij verklaarde dat hij vanaf de zomer 2009 dealt in hennep. Dat hij de laatste maanden weer aan klanten verkoopt en voorheen alleen aan vrienden verkocht. Op 26 januari 2010 werd betrokkene [betrokkene] voor de eerste maal door de politie verhoord. Zij verklaarde dat [betrokkene 1] en zij medio mei 2009 weer zijn gaan dealen in wiet en dat ze het puur uit financieel oogpunt doen. Gemiddeld kwamen er 28 klanten per week. Op woensdag 27 januari 2010 werd betrokkene [betrokkene] nogmaals gehoord. Zij verklaarde dat haar aandeel in de verkoop 40 procent en dat van mededader [betrokkene 1] 60 procent was. Zij en [betrokkene 1] zijn in 2003 ook al aangehouden voor het verkopen van hennep. In 2005 zijn ze weer begonnen met het verkopen van hennep aan vrienden. Het zou kunnen dat er getuigen zijn die al 14 jaar wiet bij hun kopen maar er ook tijden zijn geweest dat ze niets verkochten. Onder dealen verstaat zij hennep verkopen aan vreemden en als ze aan kennissen verkoopt ziet zij [AG: dat] meer als vriendendienst. Zij heeft ongeveer aan 8 kennissen of vrienden hennep verkocht. Ze schat dat ze aan 15 vreemden hennep verkocht. Ten aanzien van de periode dat betrokkene [betrokkene] en haar mededader hebben gehandeld in softdrugs kan worden vastgesteld, op basis van voornoemde verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en de verklaring van betrokkene [betrokkene] dat zij in 2005 weer zijn begonnen met het verkopen van hennep aan vrienden, aan welke verklaringen de rechtbank geloof hecht, dat betrokkene [betrokkene] en haar madedader [AG: mededader] gedurende een periode van 5 jaar, te weten 1 januari 2005 tot en met 25 januari 2010, hebben gehandeld in softdrugs.” 8. Het Hof heeft in zijn arrest omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel onder meer nog als volgt overwogen: “Overwegingen omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel Voor zover de verdediging heeft betoogd dat veroordeelde niet heeft gedeeld in de opbrengsten van de hennephandel, nu het overgrote [AG: deel] daarvan werd gebruikt voor de bekostiging van de alcoholverslaving van medeveroordeelde [betrokkene 1] en zij in zoverre geen voordeel heeft genoten, overweegt het hof dat veroordeelde en mededader [betrokkene 1], waarmee veroordeelde toen gehuwd was, een gezamenlijke huishouding voerden. Het hof acht, mede gelet op getuigenverklaringen, aannemelijk dat een groot deel van de opbrengst van de hennephandel werd besteed aan het alcoholgebruik van [betrokkene 1] en dat veroordeelde daar moeite mee had. Door deze besteding niettemin te laten plaatsvinden, heeft veroordeelde zich geschaard achter de bestedingen van haar man en is de winst uit de hennephandel haar in financieel opzicht indirect ten goede gekomen. Als de door haar genoemde grote hoeveelheden alcohol niet uit de opbrengst van de hennephandel waren bekostigd, zouden deze aankopen immers ten laste van het overige gezinsinkomen of-vermogen zijn gekomen.Nu onvoldoende is gebleken van aanknopingspunten om vast te stellen welk deel van de opbrengst van de hennephandel in het vermogen van veroordeelde is gevloeid, terwijl sprake is van door veroordeelde en haar mededader tezamen verkregen wederrechtelijk voordeel, zal het hof bij de bepaling van het aan veroordeelde toe te rekenen voordeel uitgaan van een ponds-ponds gewijze verdeling tussen haar en [betrokkene 1].” 9. Blijkens de toelichting op het middel wordt er meer in het bijzonder over geklaagd dat het Hof het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt - inhoudend dat het oordeel van de Rechtbank dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om vast te stellen welk deel van de winst in het vermogen van de betrokkene is gevloeid onjuist is - onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Als ik de toelichting op het middel goed begrijp, wordt onder verwijzing naar HR 31 mei 2005, LJN AS6015, 2005/425 betoogd dat moet blijken dat sprake dient te zijn van enige betrokkenheid bij de besteding van het wederrechtelijk verkregen voordeel om te kunnen ontnemen. Aangevoerd wordt dat daarvan in de onderhavige zaak geen sprake is en voorts dat de enkele aanwezigheid van een huwelijksgemeenschap onvoldoende is voor aansprakelijkheid en voordeelontneming ten aanzien van de betrokkene. 10. Volledigheidshalve stel ik voorop dat in HR 31 mei 2005, LJN AS6015, NJ 2005/425, anders dan in onderhavige zaak, sprake was van twee personen die gezamenlijk een huishouding voerden en niet met elkaar gehuwd waren. De betrokkene in die zaak was veroordeeld voor het bezit van cocaïne, haar partner voor hetzelfde feit én handel in softdrugs. Aan haar partner was een betalingsverplichting opgelegd ter ontneming van het voordeel dat hij door middel van deze handel in softdrugs had verkregen. Omdat aannemelijk was dat een deel van de met die handel behaalde opbrengst ten goede was gekomen aan verzoekster zelf doordat zij door middel van heling geldbedragen, afkomstig uit de softdrugshandel van haar partner, had verkregen, was haar ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36e, derde lid, Sr opgelegd. In cassatie werd tevergeefs geklaagd dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat geen sprake was van ongeoorloofde ‘dubbele ontneming’. Van een dergelijke ‘dubbele ontneming’ is in de onderhavige zaak evenmin sprake. 11. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak zijn de betrokkene en haar partner veroordeeld ter zake van – kort gezegd - medeplegen van handel in softdrugs. Het Hof heeft geoordeeld dat de betrokkene het daarmee verdiende bedrag samen met haar partner heeft verkregen en dat het te ontnemen bedrag daarom dient te worden gedeeld. 12. Daartoe heeft het Hof overwogen (samengevat), dat: - (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.