Nr. 12/04307 Zitting: 10 december 2013 Mr. Vegter Standpunt/conclusie inzake: [verdachte]
- Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te Arnhem van 15 augustus
- Er is tijdig een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingekomen.
- Het eerste middel klaagt over het ontbreken van een reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het Hof behoefde echter hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep werd aangevoerd niet als zodanig op te vatten. In de kern is immers onder verwijzing naar een beslissing van een ander gerecht niet meer gesteld dan dat “(…) niet zondermeer kan worden afgeleid dat de beledigingen concreet tegen deze boa’s waren gericht” en dat eerder sprake was van een vorm van geuite frustratie. Het ontbreekt aan stelligheid en argumentatie om te kunnen spreken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De steller van het middel ziet overigens kennelijk over het hoofd dat het Hof, naar valt aan te nemen in reactie op het pleidooi, nog wel heeft overwogen dat de verdachte de diverse uitingen deed terwijl hij steeds één van de boa’s aankeek. In aanmerking kan bovendien worden genomen dat door het Hof kennelijk mede de door de verdachte gekozen bewoordingen in de beoordeling zijn betrokken. Die woorden waren zonder meer bijzonder krenkend. Het middel is kansloos.
- Het tweede middel klaagt over een ontbrekende handtekening onder het proces-verbaal (houdende de aantekening van het mondeling uitgesproken arrest). Uit de zich bij de stuken bevindende (afzonderlijke) aantekening van het mondeling arrest valt zonder meer af te leiden dat in het proces-verbaal de handtekening van de griffier ontbreekt, terwijl van zijn verhindering aan het einde van het proces-verbaal geen melding is gemaakt (art. 327 Sv). Dat verzuim doet echter niet af aan de bewijskracht van het proces-verbaal, aldus HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:BK2651, NJ 2010/
- Ook dit middel is kansloos.
- Daarmee valt ook het doek voor het derde middel dat klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase.
- Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG In die zaak waren door de Advocaat-Generaal inlichtingen ingewonnen waaruit uiteindelijk van verhindering van de griffier bleek en die inlichtingen waren voor de Hoge Raad blijkens het noemen daarvan relevant. Ik heb in deze zaak ook inlichtingen ingewonnen. Daaruit blijkt dat de griffier is vergeten het proces-verbaal mede te ondertekenen, hoewel zij het met de inhoud volledig eens was. De griffier heeft op een kopie van het alleen door de voorzitter ondertekende exemplaar van het proces-verbaal een aantekening gemaakt met ondertekening voor akkoord, welke kopie aan de Hoge Raad is toegestuurd. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, rov. 2.2.4.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.