Nr. 12/01550 Zitting: 12 november 2013 Mr. Bleichrodt Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 12 maart 2012 de verdachte wegens “mensensmokkel, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt en in vereniging begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun respectieve vorderingen. 2. Namens de verdachte heeft mr. C.W.J. Faber, advocaat te Maastricht, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur zes middelen van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [medeverdachte 1] (12/02092), [medeverdachte 2] (12/01456) en [medeverdachte 3] (12/02097), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer. 3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2010 een verzoek tot het benoemen van een getuige-deskundige ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft afgewezen. 4. De appelschriftuur houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “Overige onderzoekswensen: De verdediging verzoekt tot het benoemen van een deskundige, bijvoorbeeld de heer prof. P.J. van Koppen, voor het verrichten van een deskundigenonderzoek naar de betrouwbaarheid van de aangiftes en verklaringen die tot stand zijn gekomen, dan wel het gevolg waren van het verhoorprotocol. Nadere toelichting: Zoals hiervoor reeds weergegeven heeft de verdediging uitdrukkelijk verweer gevoerd met betrekking tot het verhoorprotocol. De verdediging heeft primair verzocht tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie en subsidiair om bedoelde verklaringen van het bewijs uit te sluiten. Geen van beide standpunten werd door de rechtbank gevolgd, terwijl de rechtbank wel degelijk ernstige kritiek heeft geuit op deze gang van zaken. De rechtbank achtte zich, naar de mening van de verdediging, ten onrechte in staat om kritisch met deze verklaringen om te springen. Desalniettemin werden deze toch voor het bewijs tegen appellant gebruikt. Het is in het belang van de verdediging, alsmede noodzakelijk voor de waarheidsvinding dat er een deskundigenonderzoek naar de betrouwbaarheid van genoemde aangiftes en verklaringen wordt verricht.” 5. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2010 overgelegde pleitnota blijkt dat de raadsman van verdachte aldaar het volgende heeft aangevoerd: “Getuige-deskundige verhoorprotocol. Edelgrootachtbaar college, de rechtbank heeft aangegeven dat de verdediging terecht scherpe kritiek had op de inzet en uitvoering van het verhoorprotocol. Naar de zin van de verdediging had de rechtbank hier verdergaande strafvorderlijke consequenties aan moeten verbinden. De rechtbank heeft zulks echter niet bevolen. Integendeel, in voorkomende gevallen heeft zij aangiftes die na het doorlopen van dit protocol tot stand zijn gekomen, voor het bewijs gebruikt. De verdediging kan hier geen genoegen mee nemen. Het is nog steeds haar wens dat het verhoorprotocol zelf en de wijze waarop dit in deze zaak is ingezet op vermeende slachtoffers, wordt onderzocht door een ter zake deskundige. Alle daarmee samenhangende elementen moeten daarbij worden betrokken, bijvoorbeeld de idee van het inzetten van burgers als vermeende deskundigen en/of vodun exorcisten (dominee en ervaringsdeskundige). Dit alles onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. Uiteraard dient daarbij wat de verdediging betreft ook de ellenlange monologen van de ervaringsdeskundige, direct gevolgd door het spiritueel ingegeven samenzijn met de dominee te worden betrokken. Wat zijn de wetenschappelijke consequenties van deze werkwijze, afgezet tegen de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de aldus tot stand gekomen aangiftes? Edelgrootachtbaar college, in ieder geval in één zaaksdossier - betreffende [betrokkene 1] – heeft de rechtbank ondanks het voorgaande de uiteindelijke aangifte voor het bewijs gebruikt. En dat op basis van een enkele uitlating van [betrokkene 1] dat zij toch wel bereid zou zijn geweest om aangifte te doen. Dat maakt het voor de verdediging nog wezenlijker dat een ter zake deskundige een en ander goed uitzoekt. Daarbij denkt de verdediging nog steeds aan de heer Van Koppen.” 6. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2010 volgt dat de raadsman van verdachte aan het voorgaande nog het volgende heeft toegevoegd: “Het horen van Van Koppen als deskundige is wel degelijk in het belang van de verdediging. Het in de zaak Koolvis gehanteerde verhoorprotocol is een unicum. Dat was de poppenspelmethode destijds ook. Daarom hecht ik zoveel waarde aan het laten onderzoeken van het verhoorprotocol door Van Koppen.” 7. Het hof heeft het verzoek van de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2010 afgewezen. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen: “Het hof stelt vast dat de appelschriftuur tijdig is ingediend, hetgeen tot gevolg heeft dat de beoordeling van de verzoeken, behoudens de hierna te benoemen uitzonderingen, dient te geschieden aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang. (...) Het door de raadsman geformuleerde verzoek tot het horen van prof. P.J. van Koppen, althans een andere deskundige, die zich kan uitlaten over – zoals de raadsman het in zijn schriftuur heeft verwoord – ‘de betrouwbaarheid van de aangiftes en verklaringen die tot stand zijn gekomen, dan wel het gevolg waren van het verhoorprotocol’ is onvoldoende gemotiveerd. Het hof wijst dit verzoek af nu verdachte hierdoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. De beoordeling van de betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen behoort immers bij uitstek tot de taak van de rechter die zich over de feiten buigt.” 8. Het middel behelst ten eerste de klacht dat uit de overweging van het Hof niet kan worden afgeleid of het de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Dit onderdeel van het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Het hof stelt vast dat de appelschriftuur tijdig is ingediend en overweegt dat het de verzoeken zoals verwoord in de appelschriftuur beoordeelt aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang, behoudens hier niet van toepassing zijnde uitzonderingen. Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek niet in zijn verdediging wordt geschaad, welke overweging aldus is te begrijpen dat het hof van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijze niet in zijn verdediging wordt geschaad. Uit deze overwegingen wordt duidelijk dat het hof het in de appelschriftuur neergelegde verzoek heeft beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang (art. 418, eerste lid, juncto 288, eerste lid onder c, Sv). Het hof heeft daarmee de maatstaf aangelegd die het volgens de steller van het middel had moeten aanleggen. 9. Het is echter de vraag of het hof bij de beoordeling van het in de appelschriftuur neergelegde verzoek het verdedigingsbelang wel als maatstaf had moeten hanteren. In de appelschriftuur is verzocht om een deskundige te benoemen teneinde deskundigenonderzoek te verrichten naar de betrouwbaarheid van de aangiftes en verklaringen die tot stand zijn gekomen dan wel het gevolg waren van het verhoorprotocol. Een verzoek tot het oproepen van de deskundige om ter terechtzitting te worden gehoord is in de appelschriftuur niet te lezen. Ook uit de toelichting van dit verzoek blijkt dat dit niet kan worden geduid als een verzoek om een deskundige ter terechtzitting te doen oproepen om aldaar te worden gehoord als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv. Hetzelfde geldt voor de pleitnotities die de raadsman tijdens de zitting van 13 oktober 2010 heeft gebruikt en waaruit hiervoor is geciteerd. Ook daarin staat centraal de wens van de verdediging het verhoorprotocol en de wijze waarop dit in de onderhavige zaak is ingezet te doen onderzoeken door een deskundige. Gelet op de bewoordingen en de strekking van het in de appelschriftuur gedane verzoek, had het hof dit naar mijn mening niet anders kunnen opvatten dan als een verzoek om een deskundige te benoemen teneinde onderzoek te verrichten. Daarbij gaat het om een verzoek als bedoeld in art. 328, in verbinding met art. 330 Sv, om gebruik te maken van de in art. 315, derde lid, tweede volzin, dan wel de in art. 316, eerste lid, Sv omschreven bevoegdheid. De maatstaf bij de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht, is gebleken. Het hof is mogelijk op het verkeerde been gezet door de voortzetting van de uitwisseling van standpunten tussen de advocaten-generaal en de raadsman tijdens de zitting van 13 oktober 2010. Daarin stelde de raadsman wederom waarde te hechten aan het deskundigenonderzoek, maar ook – als antwoord op de reactie van de advocaten-generaal - dat ‘het horen’ van prof. Van Koppen als deskundige in het belang is van de verdediging. Het hof heeft vervolgens de motivering van de afwijzing van het desbetreffende verzoek gezet in de sleutel van een “verzoek tot het horen van prof. P.J. van Koppen”. Tijdens de terechtzitting van 26 januari 2012 wordt weer teruggekeerd tot het oorspronkelijke verzoek “tot aanstelling van een getuige-deskundige” die het verhoorprotocol en de wijze van toepassing daarvan in de onderhavige zaak zou moeten onderzoeken. De raadsman merkte bij die gelegenheid op (pleitnota blz. 39): “Het aangekondigde verzoek tot het - doen – aanstellen van een getuige-deskundige die het verhoorprotocol en de integrale inzet daarvan in de zaak Koolvis te onderzoeken, wordt op dit punt ook herhaald. De verdediging handhaaft haar stelling dat zulks in haar belang is, althans noodzakelijk in het kader van de materiële waarheidsvinding. Juist in een strafzaak als deze dient volgens de verdediging uitgebreid onderzoek te worden verricht door een ter zake deskundige naar de door de verdediging gestelde beïnvloeding en sturing. De verdediging stelt dat het voor uw hof noodzakelijk is hierin deskundige voorlichting te verkrijgen, niet in de laatste plaats omdat het openbaar ministerie in appel heeft aangegeven dat het gebruik van dit verhoorprotocol in vergelijkbare zaken (ook internationaal) navolging krijgt. Dan dient juist uitvoerig onderzocht te worden of de uitkomsten van de inzet van dat protocol betrouwbaar kan worden genoemd. Aldus verzoekt de verdediging uw hof ook op dit punt uw gemotiveerde beslissing bij eindarrest te geven.” 10. Het hof heeft het verzoek van de verdediging bij arrest afgewezen en daartoe het volgende overwogen: “Eveneens is bij pleidooi (nogmaals) verzocht een deskundige te benoemen teneinde de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters te onderzoeken. Ook op dit verzoek is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing. Het zich een oordeel vormen omtrent de betrouwbaarheid van de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van aangeefster, is bij uitstek een taak die is voorbehouden aan de rechter. Het hof acht het niet noodzakelijk een deskundige te benoemen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.” 11. Uit het voorafgaande volgt dat het hof twee beslissingen heeft genomen, waarvan de eerste is neergelegd in het proces-verbaal van de zitting van 14 oktober 2010 en de tweede in het eindarrest. Bij de eerste beslissing is het verdedigingsbelang als criterium gebruikt en bij het tweede het noodzakelijkheidscriterium. Volgens de steller van het middel zijn dat de juiste maatstaven. 12. Zoals opgemerkt, had naar mijn mening ook bij de eerste beoordeling het noodzakelijkheidscriterium toepassing moeten vinden. Voor de uitkomst van de onderhavige cassatieprocedure maakt de omstandigheid dat het hof in zijn eerste beslissing ten onrechte het verdedigingsbelang als maatstaf heeft gehanteerd geen verschil. Het middel klaagt wat de gehanteerde maatstaf slechts dat niet duidelijk wordt welke maatstaf het hof in zijn beslissing van 14 oktober 2010 heeft gehanteerd. Zoals opgemerkt, berust die stelling op een onjuiste lezing van het proces-verbaal van de desbetreffende terechtzitting. Voor het overige kan de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 oktober 2010 neergelegde motivering de afwijzing van het verzoek dragen, zowel als wordt uitgegaan van het verdedigingsbelang als wanneer het noodzakelijkheidscriterium als maatstaf wordt gehanteerd. Het hof overweegt dat het verzoek ontoereikend is gemotiveerd en voorts dat de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen bij uitstek behoort tot de taak van de rechter die zich over de feiten buigt. In aanmerking genomen dat door de verdediging niet is aangevoerd waarom het hof niet zelf in staat zou zijn om de betrouwbaarheid te beoordelen van de verklaringen die met inachtneming van het verhoorprotocol zijn afgelegd en in welk opzicht de genoemde deskundige daarin een toegevoegde waarde zou kunnen vervullen, heeft het hof het verzoek toereikend gemotiveerd afgewezen. In de overwegingen ligt als 's Hofs oordeel besloten dat de noodzaak tot het benoemen van deze deskundige ten behoeve van het verrichten van nader onderzoek niet was gebleken. Ook in het licht van het toepasselijke noodzakelijkheidscriterium is het verzoek derhalve toereikend gemotiveerd. 13. Het middel behelst voorts de klacht dat het hof het hiervoor geciteerde, door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2012 gedane (herhaalde) verzoek tot het doen aanstellen van een getuige-deskundige ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. 14. Het middel klaagt terecht niet over de door het hof gehanteerde maatstaf, maar keert zich tegen de motivering van het oordeel van het hof. Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het hof onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het hof het benoemen van een deskundige niet noodzakelijk acht. 15. De verdediging heeft ter motivering van het verzoek aangevoerd dat het onderzoek ertoe dient te achterhalen of de uitkomsten van de inzet van het verhoorprotocol betrouwbaar kunnen worden genoemd. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het noodzakelijk is dat het hof deskundige voorlichting krijgt “niet in de laatste plaats omdat het openbaar ministerie heeft aangegeven dat het gebruik van dit verhoorprotocol in vergelijkbare zaken navolging krijgt”. Hoewel het hof het verzoek reeds ter terechtzitting van 14 oktober 2010 had afgewezen omdat de verdediging het verzoek ontoereikend had gemotiveerd en omdat de beoordeling van de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen bij uitstek een taak is van de feitenrechter, heeft de raadsman zijn verzoek wederom zeer summier gemotiveerd. In wezen gaat het om een herhaling van zetten, met als enige toevoeging de opmerking dat het verhoorprotocol volgens het openbaar ministerie in vergelijkbare zaken navolging zou krijgen. De raadsman heeft echter niet nader gemotiveerd waarom het hof zich in de onderhavige zaak bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen zou moeten verlaten op een deskundige en in welk opzicht de genoemde deskundige in dit verband toegevoegde waarde zou kunnen hebben op een terrein dat bij uitstek tot dat van de feitenrechter behoort. 16. Gelet op het voorafgaande, is het niet onbegrijpelijk dat het hof het verzoek wederom heeft afgewezen en daartoe heeft overwogen dat het bij uitstek een taak van de rechter is zich een oordeel te vormen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster. In aanmerking genomen hetgeen de verdediging ter motivering van het verzoek heeft aangevoerd, heeft het hof het verzoek toereikend gemotiveerd afgewezen. 17. Het beroep van de steller van het middel op HR 28 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC3483, NJ 1989/748 (Poppenmethode-arrest) kan de verdachte niet baten. Uit dit arrest volgt dat de rechter de verwerping van een verweer dat ertoe strekt dat geen gebruik zou mogen worden gemaakt van een rapport van een deskundige die zich heeft bediend van een in diens eigen kring van deskundigen omstreden methode van onderzoek met redenen moet omkleden. In de onderhavige zaak gaat het om een verzoek tot het benoemen van een deskundige. Anders dan door de steller van het middel wordt aangevoerd, kan het verzoek niet worden verstaan als een “nadrukkelijk onderbouwde betwisting van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van een aangewend opsporingsmiddel (het verhoorprotocol)”. Bovendien heeft het hof in de onderhavige zaak op het verzoek beslist en zijn beslissing gemotiveerd. Voornoemd arrest noopte het hof niet tot een nadere motivering van zijn beslissing. 18. Door de steller van het middel wordt ten slotte aangevoerd dat het hof zich niet heeft uitgelaten over de ter terechtzitting door de raadsman geuite wens dat het verhoorprotocol zelf en de wijze waarop het protocol in deze zaak is gebruikt, wordt onderzocht door een deskundige. Het hof heeft de door de verdediging geuite onderzoekswens kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus verstaan dat het onderzoek ertoe zou dienen om, zoals ook door de verdediging is aangevoerd, te achterhalen wat “de wetenschappelijke consequenties van deze werkwijze, afgezet tegen de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de aldus tot stand gekomen aangiftes” zijn. Het verzoek stond daarmee in de sleutel van de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aangiftes en verklaringen. Daarover heeft het hof niet onbegrijpelijk overwogen dat het verzoek om een deskundige te benoemen onvoldoende gemotiveerd was en dat de beoordeling van de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen bij uitstek behoort tot de taak van de rechter die zich over de feiten buigt. Tot een nadere motivering van de afwijzing noopte de desbetreffende opmerking niet. 19. Het middel faalt in al zijn onderdelen. 20. Het tweede middel bevat de klacht dat de afwijzing door het hof van verschillende ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoeken tot het horen van getuigen onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. De toelichting op het middel concentreert zich op de afwijzing van verzoeken van getuigen die in eerste aanleg zijn gehoord. 21. De appelschriftuur houdt ten aanzien van de in het middel bedoelde verzoeken het volgende in: “Getuigen: Medeverdachten 1. [getuige 1] - België. Deze getuige zou onderdak hebben geboden aan diverse meisjes. Nu appellant ervan wordt verdacht een coördinerende rol te hebben gespeeld bij de organisatie van de reis van de meisjes binnen Europa wenst hij deze getuige te bevragen over zijn vermeende rol. (...) 7. [getuige 2] - Italië. Appellant zou contact hebben onderhouden met deze getuige. Appellant betwist dit en zou wenst deze getuige te bevragen over zijn aandeel. (...) 9. [getuige 3], alias '[getuige 3]', alias [getuige 3]' - Italië. Blijkens het loop-pv een contact in Italië, die de meisjes daar zou opvangen. Nu appellant ervan wordt verdacht een coördinerende rol te hebben gespeeld bij de organisatie van de reis van de meisjes binnen Europa wenst hij deze getuige te bevragen over zijn vermeende rol. (...) 13. [getuige 4] - Vriendin van [getuige 3]. Deze getuige zou contact hebben gehad en behulpzaam zijn geweest bij het transport van verschillende meisjes waaronder [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Appellant wenst deze getuige te bevragen over zijn aandeel in het geheel, alsmede over de vraag in hoeverre er (ongeoorloofde) druk op de meisjes werd uitgeoefend. (...) 20. [getuige 5]. Deze getuige betreft een vermeend contact van [betrokkene 4] en [verdachte] in AZC Ter Apel. Deze getuige zou bovendien contact hebben gehad met [getuige 4] uit Nigeria over het MOB gaan van [betrokkene 5]. De verdediging wenst deze getuige te bevragen over de rol van appellant, alsmede over de vraag in hoeverre de slachtoffers onder druk gezet werden het AZC te verlaten. (...) 22. [getuige 6] (...) 24. [getuige 7] 25. [getuige 8] 26. [medeverdachte 2] 27. [getuige 9] 28. [getuige 10] 29. [getuige 11] 30. [getuige 12] (...) 32. [getuige 13] (...) 34. [getuige 14]. Blijkens de verklaring van [betrokkene 6] is [getuige 14] zowel de tante van [betrokkene 6], als haar madam. [betrokkene 6] zou zowel in Nigeria als in Nederland contact hebben gehad met [getuige 14]. Derhalve zal deze getuige kunnen verklaren over de contacten tussen het Nigeriaans deel van de organisatie en het Europese gedeelte van de organisatie, alsmede over de beweerdelijke rol van appellant hierin. 35. [getuige 15], geboren op [geboortedatum] 1967 te Benin City, blijkens het proces-verbaal wonende te [woonplaats]. 36. [getuige 16], geboren op [geboortedatum] 1961 te Benin City, blijkens het proces-verbaal wonende te [woonplaats]. Nadere toelichting: Alle genoemde getuigen worden aangemerkt als medeverdachten van appellant. In ieder geval worden zij ervan verdacht een rol te hebben gespeeld in de beweerdelijke criminele organisatie met als beweerdelijk doel het handelen in, dan wel smokkelen van mensen. Sommigen hebben voor appellant belastende verklaringen afgelegd, anderen werden niet eerder gehoord. Allen zouden ze kunnen verklaren over de beweerdelijke rol van appellant in het geheel. Het horen van genoemde getuigen is in het belang van de verdediging, alsmede noodzakelijk voor de objectieve waarheidsvinding, aangezien op deze wijze de stelling van appellant, namelijk dat hij onschuldig is, nader onderbouwd en verankerd kan worden. Getuigen: 37. [getuige 17] 38. [getuige 18] (...) 43. [getuige 19] (...) Nadere toelichting: Bovenvermelde getuigen worden allen in een of meerdere zaaksdossiers genoemd als madams van beweerdelijke slachtoffers. Sommigen hebben voor appellant belastend verklaard, anderen werden nog niet gehoord. De verdenking is dat zij de slachtoffers beweerdelijk in de prostitutie hebben gedwongen. Zij zouden kunnen verklaren over de beweerdelijke rol van appellant in dit geheel. Het horen van genoemde getuigen is in het belang van de verdediging, alsmede noodzakelijk voor de objectieve waarheidsvinding, aangezien op deze wijze de stelling van appellant, namelijk dat hij onschuldig is, nader onderbouwd en verankerd kan worden. Getuigen: (...) 53. [getuige 3] (de verdediging kan niet uitsluiten dat dit dezelfde persoon betreft als getuige 3) (...) Nadere toelichting: Deze getuigen zouden allen via een money transfer geld gestuurd hebben. Het Openbaar Ministerie stelt dat dit betalingen zou betreffen voor het sturen van slachtoffers. De verdediging wenst deze getuigen te ondervragen over de reden van de money transfer. Het horen van genoemde getuigen is in het belang van de verdediging, alsmede noodzakelijk voor de objectieve waarheidsvinding, aangezien op deze wijze de stelling van appellant, namelijk dat hij onschuldig is, nader onderbouwd en verankerd kan worden.” 22. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2010 overgelegde pleitnota volgt dat de raadsman van de verdachte aldaar het volgende heeft aangevoerd: “Edelgrootachtbare voorzitter, edelgrootachtbaar college, Het rechtsmiddel van het hoger beroep houdt een geheel nieuwe (feitelijke) behandeling in van de onderhavige strafzaak. En dat in hoogste instantie. Het gehele scala aan onderzoekswensen opkomend naar aanleiding van de processtukken en het gewezen vonnis in eerste aanleg kan worden ingezet middels indiening van - bijvoorbeeld – een appèlschriftuur. Nationaal zijn er echter een aantal beperkingen aan het toekennen van ingediende onderzoekswensen. Met name mag zulks blijken uit artikel 418 van het Wetboek van Strafvordering. Daar waar in eerste aanleg op tegenspraak is geprocedeerd en getuigen reeds gehoord zijn, dient de afweging te zijn of het horen van deze getuigen in hoger beroep nog wel noodzakelijk zou zijn. De idee van de wetgever uit 2005 over het zogenaamde voortbouwende karakter van het appèl blijkt hieruit. Reeds gehoorde getuigen Dat is meteen ook één van de twee pijlers waarop het openbaar ministerie u verzoekt de onderzoekswensen van de verdediging af te wijzen. Over de andere pijler (niet traceerbaarheid) kom ik overigens nog te spreken. De verdediging stelt dat toepassing van deze wetsystematiek in de zaak Koolvis als voorgesteld door het openbaar ministerie, strijdig is met jurisprudentie van het EHRM. De verdediging doelt met name op de zaak R.H. tegen Finland en daarop gebaseerde rechtspraak. Edelgrootachtbaar college, staat u mij toe die zaak kort uit de doeken te doen. In die zaak werd in eerste aanleg op tegenspraak geprocedeerd. Tijdens de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg werden twee aangevers van seksueel misbruik (en de verdachte) gehoord. De verdachte ontkende alle aantijgingen die de aangevers maakten aan zijn adres. In eerste aanleg werd hij echter veroordeeld op basis van de verklaringen van de aangevers, zoals die - mede – ter terechtzitting waren afgelegd. In hoger beroep veranderde de proceshouding van de verdachte niet. Opnieuw verzocht de verdediging beide aangevers te horen, ook al waren deze reeds in eerste aanleg gehoord. Dit verzoek werd door het Finse gerechtshof afgewezen gelet op het reeds gehoord zijn van deze getuigen in eerste aanleg. Het EHRM acht hiermee het recht op een eerlijk proces geschonden (artikel 6 EVRM). Expliciet stelde het EHRM vast dat het Finse gerechtshof ook als feitenrechter fungeert. Omdat de verdachte ontkende, diende het gerechtshof een volledige (her)inschatting te maken van de zaak. U begrijpt dat de vraag naar de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de aangevers van cruciale waarde was voor de uitkomst van dat proces in hoger beroep. Die vraag kon niet in het kader van een eerlijk proces worden beantwoord zonder het horen van de beide aangevers, zo luidt het oordeel van het EHRM. Edelgrootachtbaar college, ziedaar de grote parallellen tussen die Finse zaak en de onderhavige Koolviszaak. Cliënt ontkent ook in hoger beroep, heeft dat van meet af aan gedaan. Zijn proceshouding is ongewijzigd. De andere kant van de medaille wordt gevormd door getuigenverklaringen die lijnrecht tegenover de proceshouding van cliënt staan. Getuigen die in eerste aanleg zijn gehoord, welke procedure op tegenspraak werd gevoerd. En thans in appèl wordt het horen van deze getuigen opnieuw verzocht. Op basis van de hiervoor weergegeven Straatsburgse rechtspraak is het horen van deze getuigen van cruciale waarde in de zaak Koolvis. Wanneer zij als niet geloofwaardig of betrouwbaar moeten worden beschouwd, dan kan zulks verregaande strafvorderlijke consequenties hebben in de zaak van cliënt. De verdediging stelt dat de uiteindelijke aangiftes om meerdere redenen als niet betrouwbaar moeten worden aangemerkt, niet in de laatste plaats omdat deze sterk afwijken van het initiële verhoor door het sluisteam te Schiphol. Het horen van de betreffende getuigen is daarmee van (groot) belang voor deze verdediging. Sterker nog, op basis van de rechtspraak van het EHRM zou het niet horen van deze getuigen strijdig zijn met het recht van cliënt op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM. Dat geldt wat de verdediging betreft nog sterker voor die getuigen die wel zijn opgeroepen en verschenen bij de rechter-commissaris, maar geen verklaring hebben afgelegd. Deze getuigen dienen in hoger beroep gehoord te worden, nu - bijvoorbeeld - de uitkomst van de procedure in eerste aanleg aanleiding kan zijn voor deze getuigen om thans aan een verhoor deel te nemen. Ik doel dan ook op de destijdse medeverdachten van cliënt, bijvoorbeeld [getuige 1].” 23. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2010 de verzoeken van de verdediging afgewezen en daartoe het volgende overwogen: “I Gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken De door het hof gehanteerde maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken tot het horen van niet verschenen getuigen in hoger beroep laat zich als volgt weergeven. 1.1. Bij tijdig (bij appelschriftuur) ingediende verzoeken (in de zin van artikel 410 lid 3 jo. lid 1 van het Wetboek van Strafvordering) gaat het criterium van het ‘verdedigingsbelang’ op, doordat artikel 264 van het Wetboek van Strafvordering uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. 1.2. Oproeping van getuigen kan in een dergelijk geval – door van toepassing verklaring van artikel 288 van het Wetboek van Strafvordering (zie artikel 418 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering) – worden geweigerd indien: 1.2.1. onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen; 1.2.2. het – kort gezegd – gegronde vermoeden bestaat van het gevaar van schade aan de gezondheid/veiligheid van de getuige; 1.2.3. redelijkerwijs valt aan te nemen dat het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. 1.3. Bij niet bij appelschriftuur ingediende verzoeken vormt het ‘noodzakelijkheidscriterium’ (in de zin van artikel 315 van het Wetboek van Strafvordering) het beoordelingskader waarbinnen verzoeken dienen te worden beoordeeld (artikel 418 lid 3 jo. artikel 414 van het Wetboek van Strafvordering). 1.4. Ditzelfde ‘noodzakelijkheidscriterium’ fungeert eveneens als maatstaf indien de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden en de getuige / de deskundige waar om wordt verzocht ten overstaan van een rechter (rechter-commissaris of een rechter ter zitting) is gehoord (artikel 418 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). (...) Het hof stelt vast dat de appelschriftuur tijdig is ingediend, hetgeen tot gevolg heeft dat de beoordeling van de verzoeken, behoudens de hierna te benoemen uitzonderingen, dient te geschieden aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang. (...) C. Met als maatstaf het verdedigingsbelang wordt – nu de navolgende getuigen niet in de tenlastelegging worden genoemd, zij niet herleidbaar zijn tot enig strafbaar feit voortkomend op de tenlastelegging en niet toereikend is onderbouwd waarom de verdediging belang heeft bij het horen van deze getuigen – het verzoek tot het horen van de navolgende getuigen afgewezen: 34. [getuige 14] (eveneens als [getuige 14] genoemd onder nummer 42) (...) E. Met als maatstaf het noodzakelijkheidscriterium, nu deze personen al eerder ten overstaan van een rechter zijn gehoord (zie hierboven onder I.1.4). wordt het verzoek tot het horen van de navolgende getuigen afgewezen. Van de noodzaak tot het horen van deze getuigen is het hof – ook niet op grond van wat door de verdediging daaromtrent is aangevoerd – niet gebleken: 01. [getuige 1]. 07. [getuige 2] 09. [getuige 3] (alias [getuige 3] alias [getuige 3]) 13. [getuige 4] 20. [getuige 20] (het hof begrijpt: [getuige 20] 22. [getuige 6] 24. [getuige 7] 25. [getuige 8] 26. [medeverdachte 2] 27. [getuige 9] 28. [getuige 10] 29. [getuige 11] 30. [getuige 12] 32. [getuige 13] 35. [getuige 15] 36. [getuige 16] 37. [getuige 17] 38. [getuige 18] 43. [getuige 19] 53. [getuige 3] (dezelfde persoon als genoemd onder 09)” 24. De verdediging heeft ter motivering van het verzoek tot het horen van [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [medeverdachte 2], [getuige 9], [getuige 10], [getuige 11], [getuige 12], [getuige 13], [getuige 15], [getuige 16] aangevoerd dat de genoemde getuigen worden aangemerkt als medeverdachten, dan wel dat zij ervan worden verdacht een rol te hebben gespeeld in de beweerdelijke criminele organisatie, dat sommigen voor verdachte belastende verklaringen hebben afgelegd, dat anderen niet eerder werden gehoord en dat allen zouden kunnen verklaren over de beweerdelijke rol van verdachte in het geheel. Het middel komt niet op tegen de vaststelling van het hof dat de hiervoor genoemde getuigen reeds in eerste aanleg zijn gehoord, terwijl de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, en dat het hof om die reden het noodzakelijkheidscriterium heeft gehanteerd (art. 418, tweede lid, Sv). Wel acht de steller van het middel het oordeel van het hof dat het horen van de genoemde personen niet noodzakelijk is onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd. 25. Voor zover het middel klaagt over de motivering van de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [medeverdachte 2], [getuige 9], [getuige 10], [getuige 11], [getuige 12], [getuige 13], [getuige 15], [getuige 16], faalt het. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 oktober 2010 en de aldaar overgelegde pleitnotities volgt dat de raadsman slechts in zijn algemeenheid heeft aangegeven waarover de personen zouden kunnen verklaren, maar dat hij niet nader heeft gemotiveerd waarom de verdediging het noodzakelijk acht de betrokken personen te horen. Gelet daarop is het oordeel van het hof dat de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet is gebleken, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 26. Ter motivering van het verzoek tot het horen van de getuige [getuige 17], [getuige 18] en [getuige 19] heeft de raadsman aangevoerd dat zij in één of meer zaakdossiers worden genoemd als “madams van beweerdelijke slachtoffers”, dat sommigen belastend voor verdachte hebben verklaard, dat anderen nog niet werden gehoord, dat de verdenking is dat zij de slachtoffers in de prostitutie hebben gedwongen en dat zij zouden kunnen verklaren over de beweerdelijke rol van verdachte in het geheel. 27. Ten aanzien van de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van [getuige 17], [getuige 18] en [getuige 19] geldt het volgende. De raadsman heeft aangegeven dat de verdediging deze personen wenst te horen in het kader van de aan verdachte ten laste gelegde mensenhandel (feit 1 en feit 2 primair). [getuige 17] en [getuige 19] worden daarnaast genoemd in de tenlastelegging onder 3 (deelname aan een criminele organisatie). Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde mensenhandel en het openbaar ministerie ten aanzien van feit 3 niet-ontvankelijk verklaard. Gelet daarop, en in aanmerking genomen dat in het middel niet is aangegeven welk rechtens te respecteren belang de verdachte heeft bij het middel voor zover het de drie bovengenoemde personen betreft, faalt het middel bij gebrek aan belang. 28. De raadsman heeft ter motivering van het verzoek tot het horen van [getuige 1] aangevoerd dat de getuige onderdak zou hebben geboden aan diverse meisjes. Nu de verdachte ervan wordt verdacht een coördinerende rol te hebben gespeeld bij de organisatie van de reis van de meisjes binnen Europa, wenst de verdediging [getuige 1] te horen over zijn vermeende rol. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat zij [getuige 2] wenst te horen omdat verdachte contact met hem zou hebben onderhouden, dat verdachte dit ontkent en dat de verdediging de getuige wenst te bevragen over zijn aandeel. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van [getuige 4] heeft de raadsman aangevoerd dat deze getuige contact zou hebben gehad en behulpzaam zou zijn geweest bij het transport van verschillende meisjes, onder wie [betrokkene 2] en [betrokkene 3], en dat de verdediging haar wenst te bevragen over zijn aandeel in het geheel, alsmede over de vraag in hoeverre er (ongeoorloofde) druk op de meisjes werd uitgeoefend. De verdediging wenst [getuige 20] te horen, die volgens het hof [getuige 20] heet. Het betreft een vermeend contact van de verdachte en deze persoon zou kunnen worden bevraagd over de rol van de verdachte en over de vraag in hoeverre slachtoffers onder druk werden gezet het AZC te verlaten. 29. De persoon [getuige 3], alias [getuige 3], is volgens het hof één en dezelfde persoon. Hij wordt in de appelschriftuur zowel onder 9 als onder 53 genoemd. Ten aanzien van [getuige 3] heeft de verdediging aangevoerd dat hij volgens het loop-proces-verbaal “een contact is in Italië”, die de meisjes daar zou opvangen. Nu de verdachte ervan wordt verdacht een coördinerende rol te hebben gespeeld bij de organisatie van de reis van de meisjes in Europa, wenst de verdediging hem te ondervragen over zijn vermeende rol. Ten aanzien van de groep getuigen waaronder de verdediging [getuige 3] heeft geschaard, heeft de raadsman aangevoerd dat de genoemde personen allen via een ‘money transfer’ geld gestuurd zouden hebben, dat het openbaar ministerie stelt dat het zou gaan om betalingen voor het sturen van slachtoffers en dat de verdediging hen wenst te horen over de reden van de ‘money transfer’. De verdediging heeft niet nader gespecificeerd waarom zij het noodzakelijk acht dat de getuige [getuige 3] in dit kader wordt gehoord. 30. Het hof heeft de verzoeken tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 4], [getuige 20] en [getuige 3] (alias [getuige 3]), die volgens zijn in cassatie niet bestreden vaststelling allen reeds ten overstaan van een rechter een verklaring hadden afgelegd, afgewezen en daartoe overwogen dat het hof de noodzaak tot het horen van de getuigen niet is gebleken. Dat oordeel acht ik, in het licht van hetgeen door de verdediging ter motivering van de verzoeken is aangevoerd, niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.