13/01738 mr J. Spier Zitting 6 december 2013 (bij vervroeging) Conclusie inzake [eiser] (hierna [eiser]) tegen Achmea Schadeverzekeringen N.V., voorheen Interpolis Schade N.V. (hierna Interpolis of Achmea) 1Inleiding 1.1.1 In deze zaak heb ik eerder geconcludeerd dat toepassing van art. 80a RO niet aangewezen is omdat “niet zó vanzelfsprekend dat het beroep tot niets zal leiden dat een gedegen inhoudelijke beoordeling achterwege kan blijven. Gezien de omvang van het dossier én de talloze getuigenverklaringen is dat een betrekkelijk tijdrovende kwestie.” 1.1.2 Deze conclusie is door de Rolraadsheer overgenomen. 1.2 Deze conclusie bespreekt de klachten ten gronde. 1.3 Inzet van deze verzekeringszaak is de vraag of [eiser] de brand die in zijn huis annex horecaonderneming heeft gewoed heeft gesticht. Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft dat, na het horen van tientallen getuigen, aangenomen. Het Hof is er voorts – kort gezegd – van uitgegaan dat [eiser] een motief had. Het Hof heeft [eiser] vordering tot – vooral – betaling van de verzekeringspenningen afgewezen. 2Feiten 2.1 De Rechtbank Breda heeft in rov. 3.2 van haar vonnis van 15 december 2004 een aantal feiten vastgesteld. Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn arrest van 15 januari 2008 deze feiten overgenomen (rov. 4.1). In rov. 4.2 geeft het Hof aan waarom het in appel ging. Deze weergave is zó uitvoerig dat ik daarnaar, ter besparing van bomen, gemakshalve verwijs. Ik volsta met de vermelding van enkele kernpunten, ontleend aan ’s Hofs samenvatting. 2.2 Op 6 januari 2003 is in de woning annex café, eigendom van [eiser], brand uitgebroken. De deur van het pand was toen op slot gedraaid. 2.3 Volgens Expertisebureau Biesboer is de brand vrijwel zeker in de woonkamer ontstaan. Voor de brand is geen verklaarbare technische oorzaak en deze wordt ook uitgesloten. Sporen van braak zijn niet aangetroffen. De brand is ontstaan kort na het vertrek van de eigenaar, aldus het rapport. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is de oorzaak een gevolg van een opzettelijk bijbrengen of achterlaten van een brandversneller, eveneens volgens Biesboer. 2.4 [eiser] heeft tegen de politie verklaard dat het hem financieel niet goed ging. Pogingen om het café te verkopen liepen schipbreuk. Zekere [betrokkene 1] was bereid het café te kopen, maar dat ging niet door wegens ruzie. Uiteindelijk wilde [betrokkene 2] “het café” kopen (inventaris en goodwill); hij zou het pand huren. In de week vóór de brand is gesproken over “overdracht”. Betrekkelijk kort vóór de brand zijn [eiser] gade, zoon en zwager afgereisd naar België; zelf ging hij boodschappen doen. 2.5 Het pand c.a. was verzekerd bij Interpolis. 2.6 Op 10 januari 2004 heeft de spoorwegpolitie een aantal goederen in een stationskluis aangetroffen waarvan [eiser] had aangegeven dat deze door brand teloor waren gegaan. 3Procesverloop 3.1 In rov. 4.2 heeft het Hof een vrij uitvoerig overzicht gegeven van het procesverloop in prima. Dat kan kort als volgt worden samengevat. 3.2 Op 16 februari 2004 heeft [eiser] Interpolis gedagvaard voor de Rechtbank Breda. Hij heeft – voor zover thans nog van belang – gevorderd vergoeding van alle als gevolg van de brand geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Interpolis heeft de vordering bestreden; zij heeft in reconventie – kort gezegd – een verklaring voor recht gevorderd niet tot enige uitkering te zijn gehouden. 3.3 In haar tussenvonnis van 15 december 2004 heeft de Rechtbank geoordeeld dat veel omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, wijzen op betrokkenheid van [eiser] bij de brand (te weten geen verklaarbare technische oorzaak anders dan brandstichting, het gebruik van een brandversneller, het ontstaan van de brand kort na [eiser] vertrek en het op slot zijn van de voordeur zonder aanwijzing van braak). De Rechtbank heeft Interpolis te bewijzen opgedragen dat [eiser] de brand heeft gesticht, althans daarbij betrokken is geweest. 3.4 Tijdens de getuigenverhoren kwam naar voren dat medewerkers van Interbrew over de sleutel van het pand beschikten. Op verzoek van Interpolis geïnitieerd onderzoek uitgevoerd door Biesboer wijst uit dat deze medewerkers de sleutel niet hebben gebruikt om toegang te krijgen tot het pand. 3.5 In haar eindvonnis van 5 april 2006 acht de Rechtbank Interpolis niet geslaagd in het haar opgedragen bewijs. De vordering in conventie werd dan ook toe- en die in reconventie afgewezen. 3.6 Interpolis heeft hoger beroep ingesteld. 3.7.1 In zijn arrest van 15 januari 2008 heeft het Hof Interpolis te bewijzen opgedragen “dat geen van de andere genoemde sleutels de brand heeft gesticht”. Het Hof tekent aan dat sprake is geweest van opzettelijke brandstichting en dat een aantal omstandigheden wijst op betrokkenheid van [eiser]; maar ook anderen hadden de beschikking over een sleutel en kunnen dus bij de brand betrokken zijn geweest. Er zijn geen “zodanig sterke aanwijzingen dat nu al zou kunnen worden aangenomen dat sprake is van merkelijke schuld bij [eiser]” (rov. 4.4.3). 3.7.2 Het Hof sluit uit dat de reservesleutel is gebruikt. Daarom moet de brand zijn gesticht door [eiser] of één van de andere sleutelhouders (rov. 4.5.3). Als Interpolis in het haar opgedragen bewijs slaagt, betekent dat nog niet “automatisch” dat merkelijke schuld van [eiser] is bewezen; of dat zo is, hangt af van alle omstandigheden, waaronder zijn financiële situatie (rov. 4.5). 3.7.3 [eiser] wordt te bewijzen opgedragen dat hij ten tijde van de brand geen financiële problemen meer had (rov. 4.7.3). 3.8.1 In het eindarrest van 18 december 2012 doet het Hof verslag van de gehoorde getuigen (aan de zijde van Interpolis twintig en aan de zijde van [eiser] zes); vervolgens nog eens drie (in totaal dus negentwintig). 3.8.2 Het Hof memoreert dat moet worden uitgegaan van opzettelijke brandstichting in het pand. Voorts roept het in herinnering dat een aantal omstandigheden wijst op betrokkenheid van [eiser]. De brand moet zijn gesticht door [eiser] of één van de andere sleutelhouders. Het Hof stelt op grond van de in prima afgelegde verklaringen vast dat de sleutels van de betrokken personen niet vóór de brandstichting zijn gebruikt, terwijl deze personen hebben verklaard de brand niet te hebben gesticht (rov. 12.2). 3.8.3 Het Hof wijst erop dat een aantal met name genoemde getuigen (medewerkers van Interbrew) heeft verklaard geen brand in het café te hebben gesticht en de sleutel evenmin te hebben gekopieerd of uitgeleend. Volgens het Hof zijn alle medewerkers van Interbrew die destijds toegang hadden tot de sleutel van het pand als getuige “genoegzaam gehoord” en kan “in voldoende mate worden uitgesloten dat zij de brand hebben gesticht”. [eiser] stelling dat “wel 200 à 300 mensen toegang zouden hebben” tot de sleutel acht het Hof onvoldoende onderbouwd (rov. 12.3). 3.8.4 [eiser] zwager, zekere [betrokkene 3], heeft zich in een rogatoire commissie beroepen op zijn zwijgrecht, maar heeft eerder verklaard vóór zijn vertrek “niets [gedaan te hebben] wat brandgevaarlijk is” (ro. 12.4). 3.8.5 Op grond van al het voorafgaande acht het Hof redelijkerwijs uit te sluiten dat anderen dan [eiser] bij de brandstichting betrokken zijn geweest (rov. 12.5). 3.8.6 Met betrekking tot [eiser] financiële situatie heeft [eiser] zes getuigen, hemzelf inbegrepen, en Interpolis drie getuigen doen horen. Op basis van de – gedeeltelijk door het Hof geciteerde – verklaringen acht het Hof [eiser] niet geslaagd te ontzenuwen dat hij financiële problemen had (rov. 12.6). 3.8.7 In rov. 12.7 recapituleert het Hof zijn bevindingen. Het rondt af met het oordeel dat sprake is van merkelijke schuld. Het heeft het bestreden eindvonnis vernietigd en [eiser] vordering afgewezen. 3.9 [eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen het eindarrest. Achmea heeft het beroep bestreden en heeft voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld dat [eiser] op zijn beurt heeft bestreden. Partijen hebben hun stellingen schriftelijk toegelicht, waarna nog is gere- en gedupliceerd. 4Inleiding 4.1 Het Hof heeft buitengewoon veel werk van de zaak gemaakt. Het heeft zich de moeite getroost een karavaan getuigen te horen. Het heeft zich een oordeel kunnen vormen over de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. 4.2 Waarheidsvinding blijft mensenwerk. Daarbij bestaat de kans op fouten. Door de eeuwen heen zijn allerlei meer en minder humane middelen beproefd om deze problemen op te lossen. Tot op heden is dat niet gelukt, in elk geval niet waar het betreft getuigenverklaringen. Dat valt te betreuren, maar het is een gegeven. De rechter kan niet meer doen dan zijn uiterste best en dat heeft het Hof onmiskenbaar gedaan. 4.3 Het is niet onmogelijk dat ’s Hofs beoordeling van (de geloofwaardigheid van) de getuigenverklaringen berust op vergissingen. Maar gezien het feitelijke karakter van dergelijke beoordelingen kan daarover niet met vrucht in cassatie worden geklaagd. 4.4 ’ s Hofs ampel onderbouwde oordeel is geheel feitelijk. Daarmee is het lot van het middel in beginsel bezegeld. Met deze kanttekening zal ik hierna de klachten bespreken. 4.5 Het Hof heeft in rov. 11 van het eindarrest gewezen op relevante verschillen in de processtukken, met name in de memorie van grieven. In de thans overgelegde dossiers zijn deze stukken, als ik het goed zie, wel identiek. 5Bespreking van de klachten 5.1 Onderdeel 1.1.1-1.1.3 verwijt het Hof – kort gezegd – de bewijsopdracht te hebben “verlicht” ten gunste van Interpolis. 5.2 De klacht ontbeert feitelijke grondslag. Immers heeft het Hof geoordeeld dat redelijkerwijs valt uit te sluiten dat een andere sleutelhouder dan [eiser] bij de brand betrokken is geweest; zie hiervoor onder 3.8.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.