Nr. 12/04453 Zitting: 3 december 2013 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte] 1. Verzoeker is bij arrest van 3 april 2012 door het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 2. “witwassen”, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis. Voorts bevat het arrest enige bijkomende beslissingen, waaronder de verbeurdverklaring van een geldbedrag, een en ander als in het arrest vermeld. 2. Namens verzoeker heeft mr. M. van Stratum, advocaat te ‘s-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel valt uiteen in twee klachten. Ten eerste wordt geklaagd dat het onder 2 bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het arrest op dit punt onvoldoende met redenen is omkleed. Ten tweede keert het middel zich tegen de beslissing van het Hof tot verbeurdverklaring van het onder verzoeker in beslag genomen geldbedrag van € 14.500,00. 4. Ten laste van verzoeker is onder 2 bewezenverklaard dat: “hij op 11 november 2009, te ’s-Gravenhage 14.500.00 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven bedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.” 5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2012 verklaard – zakelijk weergegeven-: Ik zag dat er wiet en geld in de tas zat. 2. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 januari 2011 verklaard - zakelijk weergegeven-: Ik had de tas met henneptoppen bij mij. Er zat EUR 10.000,- bij de hennep in de tas. 3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2009 van de politie Haaglanden met nr. 2009015256-11. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (blz. 37-38): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren: Op 11 november 2009 bevonden wij ons op de Erasmusweg. Wij zagen twee mannen staan. Eén van hen bleek te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats]. Ik, verbalisant [verbalisant], heb aan [verdachte] gevraagd of ik in zijn tas mocht kijken. [verdachte] gaf hier toestemming voor, ik heb vervolgens aan de inmiddels ter plaatse gekomen collega’s gevraagd of zij de tas wilden bekijken. Toen zij de tas openden bleek dat deze gevuld was met henneptoppen. 4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 december 2009 van de politie Haaglanden met nr. 2009015256-27. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (blz. 39): als relaas van de verbalisant [verbalisant]: Op 11 november 2009 vroeg ik op de Erasmusweg te 's-Gravenhage aan een man die een grote boodschappentas droeg of ik even in de tas mocht kijken. Deze man gaf later op te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum]1975 te [geboorteplaats]. 5. Een proces-verbaal d.d. 12 november 2009 van de politie Haaglanden met nr. 2009015256-N. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 55): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: Ik heb de op 11 november 2009 bij de verdachte [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2009, in beslag genomen partij drugs onderzocht. Het betrof vrouwelijke henneptoppen met een netto gewicht van 5020 gram. 6. Een proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming d.d. 16 november 2009 van de politie Haaglanden met nr. 2009015256-21. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 8 ): als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar: In de fouillering van de verdachte [verdachte] werd EUR 14.989,40 euro aangetroffen. 7. Een geschrift, zijnde een 'fouilleringsformulier' met het registratienummer 2009015262-2, als bijlage 8 gevoegd bij het proces-verbaal met nr. 2009015256 van de Financiële Recherche Unit van Politie Haaglanden, waaruit blijkt dat bij de verdachte een geldbedrag, onder meer bestaande uit (8+21=) 29 coupures van € 500,00 is aangetroffen.” 6. Voorts heeft het Hof in het arrest het volgende overwogen: “Nadere bewijsoverweging met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Hij heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geldbedrag een legale herkomst heeft. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.Op 11 november 2009 is de verdachte, nadat door opsporingsambtenaren was geconstateerd dat hij een plastic tas met daarin 5.020 kilogram hennep bij zich droeg, aangehouden in verband met overtreding van de Opiumwet. Vervolgens is bij de verdachte tevens een bedrag van EUR 14.989,40 aangetroffen. Het grootste deel van dit bedrag - te weten EUR 14.500,00 - bestond uit coupures van EUR 500,00. De verdachte heeft verklaard dat hij de tas met hennep op straat heeft gevonden. In die tas zou - behalve de hennep - tevens EUR 10.000,00 hebben gezeten. Ten aanzien van het overige gedeelte van het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag ad EUR 4.989,40 heeft de verdachte verklaard dat dit zijn spaargeld betrof. Het hof stelt voorop dat het voorhanden hebben van een geldbedrag van 29 coupures van EUR 500,00 in combinatie met ruim vijf kilo hennep op zichzelf in beginsel de conclusie rechtvaardigt dat het betreffende geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Coupures van EUR 500,00 worden in het dagelijks betalingsverkeer immers bijna nooit gebruikt. Voorts blijkt uit het dossier (relaas-proces-verbaal nr. 2009015256-22, dossier pagina 5) dat de marktwaarde van een kilo hennep toentertijd rond de EUR 3.300,00 bedroeg. Hieruit volgt dat het bij de verdachte aangetroffen geld in verband is te brengen met de bij hem aangetroffen (illegale) hoeveelheid hennep. Van de verdachte mag daarom worden verwacht dat hij de door hem gestelde legale herkomst van een gedeelte van het geld met aannemelijke verklaringen onderbouwt. Anders dan de raadsman stelt is de verdachte daarin niet geslaagd. Het hof acht de door de verdachte gegeven verklaringen omtrent de herkomst van het geld niet geloofwaardig en overweegt daartoe als volgt. De verklaringen van de verdachte omtrent het op straat aantreffen van de tas met hennep en van hetgeen daaraan voorafging, wordt niet ondersteund door de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] en de getuige [betrokkene]. [medeverdachte] en [betrokkene] ontkennen immers dat de verdachte - zoals hij heeft verklaard - kort voor het aantreffen van de tas bij hen in de auto heeft gezeten en [medeverdachte] ontkent dat de verdachte - zoals hij heeft verklaard - de tas samen met [medeverdachte] heeft gevonden. Voorts heeft de verdachte naar het oordeel van het hof geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat het bij hem aangetroffen geldbedrag - te weten het bedrag van EUR 10.000,00 dat volgens de verklaring van de verdachte in de tas zat alsmede het bedrag van EUR 4.000,00 dat de verdachte naar eigen zeggen al bij zich droeg toen hij de tas aantrof - uit coupures van EUR 500,00 bestond. Dergelijke coupures worden in het dagelijks geldverkeer - zoals hiervoor overwogen – immers nagenoeg niet gebruikt. Het is derhalve niet geloofwaardig dat de verdachte - zoals hij zegt - (toevallig) een gedeelte van de coupures reeds als eigen spaargeld bij zich droeg en een ander gedeelte ervan aantrof in de tas. Het ligt veeleer voor de hand aan te nemen dat alle bankbiljetten bij elkaar hoorden. Dat de verdachte een bedrag van EUR 4.000,00 als eigen spaargeld bij zich droeg acht het hof temeer onaannemelijk gezien het feit dat hij - zoals uit het dossier blijkt - ten tijde van het ten laste gelegde een uitkering genoot. Tot slot heeft de verdachte naar het oordeel van het hof geen geloofwaardige verklaring gegeven over de reden waarom hij met zoveel contant geld op zak liep. Waar uit zijn verklaring tijdens de terechtzitting in eerste aanleg valt op te maken dat dit door hem gedurende een jaar bijeen gespaarde geld in verband stond met zijn wens een eigen bedrijf op te richten, valt niet in te zien waarom hij dit gehele bedrag bij zich had gestoken om - zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde - voor zijn gezin kaartjes voor de 'Winterefteling' en een kindermatrasje te kopen. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat het vermoeden van de illegale herkomst van het geldbedrag, zoals ontleend aan de omstandigheden waaronder dat bij de verdachte is aangetroffen - te weten in de vorm van biljetten van EUR 500,00 èn in combinatie met ruim vijf kilo hennep - niet is ontkracht door de verklaringen van de verdachte. Naar het oordeel van het hof kan derhalve worden aangenomen dat in ieder geval een gedeelte van het geldbedrag dat verdachte voorhanden heeft gehad, te weten EUR 14.500,00 (bestaande uit 29 coupures van EUR 500,00) - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte hiervan op de hoogte was. Het onder 2 ten laste gelegde is derhalve wettig en overtuigend bewezen.” 7. Verder heeft het Hof in zijn aanvulling op het verkorte arrest het volgende overwogen: “Ter aanvulling op de bewijsoverwegingen op pagina 4 van het arrest overweegt het hof het volgende. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de bewuste tas op straat had gevonden, vlak voordat hij werd gearresteerd door de politie. Tegenover de politie heeft de verdachte bovendien op 12 november 2009 verklaard dat hij kort vóór deze vondst een lift had gekregen van [medeverdachte] (het hof begrijpt [medeverdachte]) en dat deze [medeverdachte] erbij was toen de verdachte de tas aantrof. Het hof acht deze lezing van de gebeurtenissen niet aannemelijk op grond van de verklaringen die [medeverdachte] en [betrokkene] op 12 november 2009 tegenover de politie hebben afgelegd (respectievelijk dossierpagina's 49 tot en met 50 en dossierpagina's 51 tot en met 52). Door [medeverdachte] is toen verklaard dat hij de verdachte pas bij diens huis zag, op de plek van de aanhouding. Toen [medeverdachte] naar de verdachte toeliep, zag hij dat deze een tas in zijn hand had. [medeverdachte] ontkende in de desbetreffende verklaring dat de verdachte de tas samen met hem gevonden had en dat hij aan de verdachte een lift had gegeven. Deze verklaring van [medeverdachte] wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [betrokkene], die de verdachte niet noemt als één van de personen die met [betrokkene] en [medeverdachte] vóór de aanhouding in één auto hebben gezeten.” 8. Samengevat komt het bovenstaande op het volgende neer. Enkel het voorhanden hebben van het bij verzoeker aangetroffen geldbedrag - bestaande uit 29 coupures van € 500,- - is bewezen verklaard. Op dat voorhanden hebben is de nadere bewijsoverweging van het Hof toegespitst. Op grond van (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.