Mr Jörg Nr. 12/00389 Zitting 19 november 2013 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Bij arrest van 19 augustus 2011 is de verdachte door het Gerechtshof 's-Gravenhage wegens het medeplegen van schuldwitwassen veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur (subsidiair 40 dagen hechtenis), waarvan 40 uren (subsidiair 20 dagen hechtenis) voorwaardelijk. 2. Deze zaak hangt samen met de zaken onder de nummers 11/04145 en 12/00390, waarin ik vandaag eveneens conclusie neem. 3. Namens de verdachte heeft mr P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgedragen. 4. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring op het punt van de wetenschap omtrent de herkomst van de BMW onvoldoende met redenen is omkleed. 5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “zij in de periode van 13 november 2008 tot en met 2 mei 2009, in Nederland tezamen en in vereniging met anderen - van een voorwerp, te weten een personenauto, merk BMW, type 645ci cabriolet, heeft verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was, terwijl zij en haar mededaders redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf." 6. Het Hof heeft in zijn arrest en in de bijlage met de bewijsmiddelen daarop de volgende bewijsoverwegingen geformuleerd: “De in de tenlastelegging vermelde BMW 645ci cabrio stond in de in de tenlastelegging vermelde periode afwisselend op naam van de verdachte, haar zoon (de medeverdachte [medeverdachte 1]) en haar dochter (de medeverdachte [medeverdachte 2]). De verdachte heeft de auto op 12 december 2008 op haar naam gesteld. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft zij verklaard - zakelijk weergegeven - dat zij wist dat de BWM van haar zoon [medeverdachte 1] was en - bij de politie - dat zij wist dat hij een uitkering ontvangt. Het is een feit van algemene bekendheid dat een BMW 645ci cabrio een dure auto is die personen met een uitkering in beginsel niet kunnen betalen. De verdachte had derhalve kunnen vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig was. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat zij dacht dat [medeverdachte 1] de BMW had gekocht “van zijn geld dat hij gewonnen had met spelletjes", niet aannemelijk. Echter, zelfs als ervan zou worden uitgegaan dat zij dit dacht, had de verdachte naar 's hofs oordeel - gelet op hetgeen hiervóór is vastgesteld - zonder nader onderzoek naar de herkomst van het voor de auto betaalde geld, niet mogen handelen zoals zij heeft gedaan, te weten het op haar naam stellen van de auto. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verdachte ook zo bewust en nauw met haar zoon [medeverdachte 1] en dochter [medeverdachte 2] heeft samengewerkt, dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte heeft immers de BMW, waarvan zij wist dat die van [medeverdachte 1] was en die eerder - tot 12 december 2008 - op [medeverdachte 2] naam was gesteld, op die datum op haar eigen naam gesteld. Daarvoor moeten zij wel hebben samengewerkt. Immers, het is een feit van algemene bekendheid dat degene die (in een postkantoor) een auto te naam stelt daarbij persoonlijk aanwezig moet zijn en het tenaamstellingsbewijs ("deel 1B") alsmede het overschrijvingsbewijs ("deel 2") over moet leggen, welke bewijzen derhalve steeds van de vorige kentekenhouder moeten zijn verkregen. Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte samen met anderen opzettelijk verhuld wie de rechthebbende op de BMW was, terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die BMW afkomstig was uit enig misdrijf." (arrest, p. 6/7) “Nadere bewijsoverweging Dat de in de bewezenverklaring vermelde BMW 645ci cabrio - middellijk – uit misdrijf afkomstig was, leidt het hof af uit de hoge aankoopprijs van EUR 46.000,—, door de medeverdachte [medeverdachte 3] nota bene contant, in één keer, betaald in ongebruikelijk grote coupures, welke prijs en betalingswijze niet vallen te rijmen met zijn uitkering en het ontbreken van inkomsten of vermogen uit legale bron. Het hof is van oordeel dat de verdachte door de auto op haar naam te zetten welbewust het aanmerkelijke risico heef3 aanvaard dat zij met anderen zich zou schuldig maken aan het verhullen van identiteit van de rechthebbende van die auto" (bijlage, p. 2/3). 7. Vanaf punt 5 van de toelichting worden als nadere klachten geformuleerd dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.