Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. M.E. van Hilten Advocaat-Generaal Conclusie van 18 juni 2013 inzake: HR nr. 12/01314 Hof nr. 10/00779 Rb nr. AWB 09/4690 Fiscale eenheid [X1] BV en [X2] BV Derde Kamer A tegen Omzetbelasting 1 juli 2007- 31 december 2007 Staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 In deze procedure gaat het onder meer om de vraag of de certificering van aandelen in een van de tot een fiscale eenheid in de zin van de omzetbelasting behorende vennootschappen, ertoe leidt dat tussen de desbetreffende vennootschappen geen fiscale eenheid (meer) kan bestaan vanwege het verbreken van een financiële verwevenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). 1.2 Behalve de perikelen rond het (voort)bestaan van de fiscale eenheid die ik – hoewel het bestaan van een fiscale eenheid in cassatie wordt bestreden – in het navolgende (ook) aanduid als belanghebbende, is in deze procedure in geschil of de entreegelden die belanghebbende vraagt voor de toegang tot haar saunaclub en de gebruikmaking van de daar aanwezige faciliteiten, de vergoeding vormen voor één – samengestelde – prestatie. Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) en hof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) hebben geoordeeld dat dit het geval is, en dat deze prestatie niet is vrijgesteld als verhuur van een onroerende zaak, noch onder het verlaagde tarief valt als het verlenen van toegang tot een primair en permanent voor dagrecreatie ingerichte voorziening. Ook het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel werd verworpen. 1.3 In cassatie bestrijdt belanghebbende deze oordelen met zeven cassatiemiddelen die geen van alle doel treffen, hetgeen leidt tot de slotsom dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard. 2De feiten en het procesverloop 2.1 Bij beschikking van 21 juni 2007 zijn [X1] en [X2] aangemerkt als fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet (hierna ook: de fiscale eenheid), en wel met terugwerkende kracht tot 1 januari
(2009)325 def. (hierna: Mededeling) inmiddels wel een visie uitgedragen over de invulling van de verwevenheden. Hoewel de Mededeling geen regelgevende of bindende interpretatieve kracht heeft, geeft zij wel aan welke gedachten er ‘in Europa’ over de drie verwevenheden leven. Blijkens de Mededeling gaan de gedachten van de Commissie uit naar een toetsing van de drie eenheden als drie separate, cumulatieve, eisen voor het bestaan van een fiscale eenheid (zie paragraaf 3.3.4 van de Mededeling). Vervolgens geeft zij aan die verwevenheden de volgende invulling (cursivering origineel): “(…) dat de volgende definities van de drie verwevenheden als richtsnoer kunnen dienen. De financiële verwevenheid wordt gedefinieerd aan de hand van een percentage van deelneming in het vermogen of in de stemrechten (meer dan 50 %) of op basis van een franchiseovereenkomst. Dit garandeert dat de ene vennootschap daadwerkelijk zeggenschap heeft over de andere. De economische verwevenheid wordt gedefinieerd aan de hand van het bestaan van ten minste een van de volgende situaties van economische samenwerking: de hoofdactiviteit van de groepsleden is van dezelfde aard, of de activiteiten van de groepsleden vullen elkaar aan of hangen van elkaar af, of een groepslid verricht activiteiten die volledig of in aanmerkelijke mate tot voordeel strekken van de andere groepsleden. De organisatorische verwevenheid wordt gedefinieerd aan de hand van het bestaan van een gezamenlijke, of ten minste tot op zekere hoogte gezamenlijke, leiding.” 6.2.4 In het citaat valt op dat de Commissie kennelijk – ik wijs op de invulling van de financiële verwevenheid – de zeggenschap (die toch meer in de sfeer van de organisatorische verwevenheid ligt) voorop lijkt te stellen. In andere taalversies van de Mededeling vinden we eenzelfde nadruk (cursiveringen MvH): In de Engelse versie: “Defined by reference to a percentage of participation in the capital or in voting rights (over 50%), or defined by reference to a franchise contract. This guarantees that one company has the actual control of another.” In de Franse versie: “(…) il se définit par rapport à un pourcentage de participation au capital ou à un pourcentage des droits de vote (plus de 50 %), ou par rapport à l’existence d’un contrat de franchise, ce qui permet de garantir qu’une société contrôle effectivement une autre.” In de Duitse versie: “Dabei wird der Prozentanteil der Kapitalbeteiligung oder der Stimmrechte (mehr als 50 %) oder aber das Bestehen eines Franchisevertrags berücksichtigt. Damit wird gewährleistet, dass ein Unternehmen ein anderes tatsächlich kontrolliert. ” 6.3 Financiële verwevenheid in de Nederlandse doctrine 6.3.1 In Nederland is de invulling van de drie verwevenheden in de jurisprudentie ontwikkeld. Zoals de Europese Commissie voorstaat toetst de Hoge Raad in zijn jurisprudentie de drie verwevenheden als afzonderlijke, cumulatieve voorwaarden. Aangezien – zie onderdeel 5 van deze conclusie – ik meen te mogen aannemen dat de verwevenheid in organisatorisch opzicht en die in economisch opzicht tussen [X2] en [X1] een gegeven is, beperk ik mij in het navolgende tot de financiële verwevenheid. 6.3.2 Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat aandelenvennootschappen in financieel opzicht nauw verweven zijn in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet indien meer dan 50% van de aandelen (uiteindelijk) in één hand zijn. In zijn ‘sleutelarrest’ over de verwevenheden, HR 22 februari 1989, nr. 25068, BNB 1989/112 m.nt. Ploeger (hierna: HR BNB 1989/112) formuleert de Hoge Raad het als volgt (met mijn cursivering): “4.5. Voor verwevenheid in financieel opzicht geldt als voorwaarde dat ten minste de meerderheid van de aandelen in elk van de vennootschappen – daaronder begrepen de zeggenschap – middellijk of onmiddellijk in dezelfde handen is (…).” 6.3.3 De geciteerde overweging suggereert dat voor financiële verwevenheid niet alleen vereist is dat (‘rekenkundig’) meer dan de helft van de aandelen – middellijk of onmiddellijk – in dezelfde hand is, maar ook dat de aan die aandelen verbonden zeggenschap middellijk of onmiddellijk in diezelfde handen is. De overweging suggereert dat ingeval de aan die aandelen verbonden zeggenschap wordt afgesplitst van de eigendom van de aandelen, een financiële verwevenheid niet bestaat. 6.3.4 In zijn arrest van 14 februari 2003, nr. 38238, LJN AF4532, BNB 2003/191 m.nt. Van Zadelhoff (hierna: HR BNB 2003/191), lijkt de Hoge Raad dit enigszins te nuanceren. Ook in dit arrest ging het om de vraag hoe groot een aandelenpakket moet zijn om financiële verwevenheid aan te nemen. In het voorgelegde geval bezat de belanghebbende nét geen 50% (namelijk 49,9998516%) van de aandelen in XA NV. Dat was in de ogen van de Hoge Raad niet voldoende voor financiële verwevenheid (cursivering MvH): “3.3. (…) Nu de meerderheid van de aandelen XA N.V. niet in handen is van belanghebbende, is niet voldaan aan de in het arrest (…) [MvH: HR BNB 1989/112] geformuleerde voorwaarde voor de aanwezigheid van een financiële verwevenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet. Dat belanghebbende voor het niet in haar handen zijnde gedeelte van de aandelen XA N.V. het risico loopt ten aanzien van de bedrijfsresultaten van XA N.V. doet daaraan niet af, nu zij niet over de aan die aandelen verbonden zeggenschap beschikte (…).” 6.3.5 Ik lees in deze overweging dat de Hoge Raad denkbaar acht dat een financiële verwevenheid tussen vennootschappen bestaat, ook indien aandelen niet (in meerderheid) in dezelfde hand zijn, maar de aan die ‘ontbrekende’ aandelen verbonden zeggenschap uiteindelijk wel in dezelfde handen ligt. Waar immers de Hoge Raad in HR BNB 1989/112 nog oordeelt dat de meerderheid van de aandelen (>50%) inclusief de daarbij behorende zeggenschap uiteindelijk in één hand moet zijn, kan de geciteerde overweging uit HR BNB 2003/191 zo worden gelezen dat ook bij een minderheidsdeelneming vennootschappen financieel verweven (in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet) kunnen zijn, namelijk indien de betrokkene wel beschikt over de zeggenschap, verbonden aan aandelen die zij niet heeft. In dit verband valt ook te wijzen op Van Zadelhoff die in zijn noot in BNB 2003/191 opmerkt: “Vervolgens lijkt de Hoge Raad toch een voor een fiscale eenheid benodigde financiële verwevenheid mogelijk te achten met een aandeelhouder die geen meerderheidsbelang houdt. Hij overweegt immers: ‘Dat belanghebbende voor het niet in haar handen zijnde gedeelte van de aandelen XA NV het risico loopt ten aanzien van de bedrijfsresultaten van XA NV doet daaraan niet af, nu zij niet over de aan die aandelen verbonden zeggenschap beschikte’. Indien sprake is van een strikte voorwaarde inzake het aandelenbezit, maakt het niet uit dat een minderheidsaandeelhouder wellicht de aan de meerderheid van de aandelen verbonden zeggenschap bezit. Maar kennelijk ziet de Hoge Raad toch mogelijkheden tot een fiscale eenheid voor een minderheidsaandeelhouder die een meerderheidsbelang heeft bij de resultaten van de vennootschap en tevens beschikt over de zeggenschap welke is verbonden aan een meerderheid van de aandelen.” 6.3.6 De vraag is hoe de financiële verwevenheid uitpakt in geval van certificering van aandelen. Ik maak daartoe een civiel uitstapje…. 6.4 Certificering van aandelen 6.4.1 … … En merk onmiddellijk op dat een omschrijving van certificering niet in de civiele wetgeving is gegeven. De Minister van (destijds) Justitie achtte dat niet mogelijk: “Certificering is een constructie waarvan (…) de materiële inhoud eindeloos kan variëren. Het lijkt niet goed mogelijk daarvoor in de wet een deugdelijk kader te scheppen.” 6.4.2 Dat neemt niet weg dat de figuur van certificering van aandelen een bekende figuur is, waarvan misschien moeilijk een algemene definitie valt te geven, maar waarvan de essentie wel degelijk duidelijk is. In de civiele literatuur wordt certificering van aandelen wel omschreven als een rechtsfiguur die erop neerkomt dat aan een aandeel verbonden zeggenschapsrechten worden gesplitst van het aan het aandeel verbonden financiële belang (vermogensrechten). De motieven om tot certificering van aandelen over te gaan zijn divers. Uniken Venema en Eisma, a.w. blz. 59, vermelden in dit verband het bevorderen van de handel, het bundelen van stemmenmacht en het beschermen van de vennootschap tegen een ongewenste zeggenschapsverkrijging. Daarnaast zijn fiscale motieven denkbaar. In casu lijkt de certificering te zijn ingegeven door de wens om het bestaan van een fiscale eenheid in de zin van de omzetbelasting te vermijden. 6.4.3 In geval van certificering verkrijgt het administratiekantoor – vaak een stichting; ik houd het in deze conclusie dan ook op de afkorting STAK – aandelen in een vennootschap waartegenover zij certificaten uitreikt. De STAK verkrijgt de aandelen op eigen naam en wordt rechthebbende daarop. Als aandeelhouder heeft de STAK de aan het aandeel verbonden zeggenschapsrechten. 6.4.4 De certificaten geven de houder daarvan zekere aanspraken op de STAK. De inhoud daarvan wordt bepaald door de zogenoemde ‘administratievoorwaarden’ waarin de rechten en verplichtingen van de STAK zijn neergelegd. Uniken Venema en Eisma schrijven hieromtrent onder meer: “De belangrijkste aanspraak die de certificaathouder pleegt te hebben jegens (…) [de STAK] is die op uitbetaling van een bedrag gelijk aan het bedrag van de door (…) [de STAK] als houder van de gecertificeerde aandelen ontvangen uitkeringen, zowel die van winst en reserves als die terzake van kapitaalterugbetaling en liquidatiesaldo, en van de ontvangen opbrengst in geval van vervreemding. Hierdoor komt de waarde van de aandelen in wezen ten goede van de certificaathouder. Met zegt dan ook wel dat (…) [de STAK] de aandelen houdt voor rekening van de certificaathouder; dat de certificaathouder de economische eigenaar is.” 6.4.5 In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat de certificaathouder jegens de STAK aanspraak maakt op afdracht van hetgeen de aandelen (financieel) opleveren - al dan niet verminderd met een vergoeding voor de STAK - terwijl de STAK als aandeelhouder de bij het aandeel behorende zeggenschapsrechten uitoefent. 6.4.6 Dat neemt niet weg dat bij de vaststelling van de administratievoorwaarden afspraken kunnen worden gemaakt op grond waarvan de certificaathouder in meerdere of mindere mate toch enige zeggenschap blijft houden. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer in de administratievoorwaarden is bepaald dat de certificaathouder bij volmacht namens de STAK het stemrecht kan uitoefenen, of – zie bijvoorbeeld de casus van het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2010, nr. 08/03662, LJN BK3803, BNB 2010/266 m.nt. De Vries – op grond waarvan de STAK op de gecertificeerde aandelen toezegt stem uit te brengen overeenkomstig voorafgaande schriftelijke instructie van de certificaathouder en zich bij het ontbreken van een tijdige instructie zich van stemmen zal onthouden. Ook is denkbaar dat certificaathouders een rol hebben in het bestuur van de STAK en zo invloed (blijven) hebben. In dit verband zij opgemerkt dat voor de inkomstenbelasting op grond van beleid geldt dat de overdracht van aandelen aan een (ST)AK tegen uitgifte van certificaten niet wordt aangemerkt als vervreemding in de zin van Hoofdstuk 4 van de Wet IB 2001, indien de uit te reiken certificaten met de aandelen kunnen worden vereenzelvigd. De verkrijgingsprijs van de certificaten is dan gelijk aan die van de in administratie genomen aandelen. 6.4.7 Uitgangspunt lijkt mij echter dat bij certificering van aandelen de STAK de aandeelhouder is en de aan de aandelen verbonden zeggenschapsrechten heeft, terwijl de certificaathouder aanspraak kan maken – jegens de STAK en dus niet rechtstreeks jegens de vennootschap – op de opbrengst van de aandelen. 6.4.8 Ik keer terug naar de [X2] groep. 6.5 Financiële verwevenheid binnen de [X2] groep vóór en na 6 augustus 2007 6.5.1 Vaststaat dat op 1 juli 2007 – de datum met ingang waarvan uiteindelijk de fiscale eenheid bij beschikking is gevormd – de aandelenverhoudingen in de [X2]-groep als volgt lagen: 6.5.2 In deze – op 1 juli 2007 bestaande – constellatie acht ik een financiële verwevenheid tussen [X1] en [X2] in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet aanwezig. De aandelen van beide vennootschappen en de daaraan verbonden rechten berusten immers uiteindelijk in één hand: die van STAK [B]. Ervan uitgaande (zie onderdeel 5) dat [X1] en [X2] ook economisch en organisatorisch verweven zijn, bestaat tussen deze beide vennootschappen dan ook op 1 juli 2007 een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet. Gelet op de tekst van de Wet, op grond waarvan alleen ondernemers deel kunnen uitmaken van een fiscale eenheid, valt STAK [B] buiten de fiscale eenheid. 6.5.3 De vaststelling dat [X1] en [X2] op 1 juli 2007 voldoen aan de voorwaarden voor een fiscale eenheid, brengt met zich dat het eerste middel geen doel treft. 6.5.4 Met ingang van 6 augustus 2007 veranderen de aandelenverhoudingen (zie punt 2.3.2 van deze conclusie). Vanaf die datum liggen de verhoudingen schematisch gezien als volgt: 6.5.5 Zoals uit de voorgaande tekening blijkt, is de ‘aandelenlijn’ tussen [X1] en [X2] door de overdracht van de aandelen [X2] aan STAK [C] verbroken. Het is de vraag of daarmee ook de financiële verwevenheid verbroken is. 6.5.6 Gezien de in de punten 6.3.3 - 6.3.5 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad, en in aanmerking nemende de daarmee in lijn liggende visie van de Europese Commissie (zie punt 6.2.3) lijkt mij dat ervan moet worden uitgegaan dat de financiële verwevenheid veronderstelt dat meer dan 50% van de (aan
- de)aandelen (verbonden zeggenschapsrechten) uiteindelijk in dezelfde hand is (vgl. HR BNB 2003/191, besproken in punt 6.3.5 van deze conclusie). 6.5.7 Omtrent de inhoud van de administratievoorwaarden is in casu niets (vast)gesteld, terwijl ook in het dossier geen enkel aanknopingspunt daarover is te vinden. Dat betekent dat daarover geen zinnig woord valt te zeggen. Wat er echter zij van de inhoud van de administratievoorwaarden – zowel die van STAK [B] als die van STAK [C] – vaststaat dat [A] van beide STAKs enig bestuurder is. Dat gegeven brengt mij tot de veronderstelling dat het in wezen (uitsluitend) [A] is, die uiteindelijk de aan de door elk van de STAKs gehouden aandelen verbonden zeggenschapsrechten uitoefent. Ik kan mij althans niet indenken dat de STAK [C] of de STAK [B] haar zeggenschapsrechten anders zal uitoefenen dan haar enig bestuurder – in geval van STAK [B] tevens haar certificaathouder – [A] voorstaat. [A] blijft daardoor, mijns inziens ook voor de financiële verwevenheid, uiteindelijk de ‘spin in het web’, ondanks de tussenvoeging van STAK [C]. 6.5.8 Wat betreft de aandelen [X1] valt – het voorgaande in acht nemend – te constateren dat de bij die aandelen behorende zeggenschaps- én vermogensrechten per saldo in één hand berusten: die van [A]. Wat betreft de aandelen [X2] geldt dat mijns inziens ook, zij het via de ‘omweg’ van [X1] en STAK [B]: als opgemerkt lijkt het mij niet dat STAK [C] als houder van de aandelen [X2] de bij die aandelen behorende zeggenschapsrechten anders zal uitoefenen dan haar bestuurder – [A] – voorstaat, zodat gezegd kan worden dat [A] uiteindelijk ook de zeggenschapsrechten behorend bij de aandelen [X2] uitoefent. Het recht op de opbrengst van die aandelen berust weliswaar niet rechtstreeks bij [A], maar ligt uiteindelijk wel bij hem, via [X1] (waarvan hij ook enig bestuurder is, vide punt 2.2.2 en punt 5.2 van deze conclusie), en STAK [B] (waarvan hij enig bestuurder is en certificaathouder). Bij het voorgaande weeg ik mee dat voor het bestaan van financiële verwevenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet, een middellijke verbondenheid volstaat. 6.5.9 Met het voorgaande stel ik vast dat [A] per saldo alle aan de aandelen [X1] en [X2] verbonden rechten (vermogensrechten en zeggenschapsrechten) uitoefent. De consequentie daarvan is dat [X1] en [X2] na 6 augustus 2007 via [A] geacht moeten worden (middellijk) financieel verweven te zijn. Nu per 6 augustus 2007 geen materiële wijzigingen zijn opgetreden in de economische of organisatorische verhoudingen binnen de [X2] groep, meen ik dat de fiscale eenheid tussen beide vennootschappen is blijven bestaan na 6 augustus 2007. Daaraan doet niet af dat de financiële verwevenheid ‘loopt’ via de twee, niet als ondernemer kwalificerende en daarom conform de wettekst niet tot de fiscale eenheid behorende, STAKs. 6.5.10 Ik begrijp ’s Hofs in 4.8 van zijn uitspraak gegeven oordeel (zie punt 3.5.2 van deze conclusie) aldus dat het Hof hiermee tot uitdrukking heeft bedoeld te brengen dat de financiële, organisatorische en economische verwevenheid tussen [X1] en [X2] door de toevoeging van de STAK [C] niet is gewijzigd. Dit oordeel acht ik juist. Middel II faalt. 7Vertrouwensbeginsel (middel III) 7.1 In de Nederlandse doctrine is aanvaard dat handelingen of uitlatingen van de belastingautoriteiten – ook indien contra legem – bij belastingplichtigen het in rechte te beschermen vertrouwen kunnen wekken dat gehandeld zal worden conform die handelingen of uitlatingen. Heel kort gezegd, en toegespitst op de onderhavige zaak, heeft te gelden dat een belastingplichtige mag vertrouwen op (gepubliceerde) beleidsbesluiten van de staatssecretaris van Financiën en op individuele toezeggingen van de inspecteur. In gevallen waarin de Belastingdienst algemene informatie verstrekt of algemene inlichtingen geeft (denk aan folders), worden aan honorering van door die informatie of inlichtingen gewekt vertrouwen meer eisen gesteld. Het is vaste jurisprudentie dat in dergelijke gevallen eventueel gewekt vertrouwen niet wordt beschermd, tenzij de belastingplichtige op basis van de verkregen informatie handelingen heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan hij niet alleen (meer) belasting moet betalen, maar ook nog schade lijdt en hij bovendien de onjuistheid van de informatie niet had hoeven te beseffen. 7.2 In casu stelt belanghebbende beschermenswaardig vertrouwen te hebben ontleend aan de volgende vermelding op de website van de Belastingdienst: “Bij een middellijk aandelenbezit ontbreekt de vereiste financiële verwevenheid; dit is bijvoorbeeld het geval als er een stichting administratiekantoor, waarbij aandelencertificaten zijn uitgegeven, is tussengeschoven.” 7.3 Deze vermelding valt mijns inziens aan te merken als ‘algemene voorlichting’: zij is algemeen van aard, er wordt in de mededeling geen toezegging in een individueel geval gedaan, en hoewel de mededeling van de belastingautoriteiten afkomstig is, heeft de mededeling mijns inziens niet de status van een beleidsbesluit. Dat laatste is overigens ook niet gesteld. 7.4 Hoewel de certificering van de aandelen [X2] en het onderbrengen daarvan in STAK [C] kennelijk naar aanleiding van vorenbedoelde vermelding op de website van de Belastingdienst heeft plaatsgevonden – met, vide onder meer blz. 4 van het beroepschrift in cassatie, de bedoeling de fiscale eenheid tussen [X1] en [X2] te verbreken – is niet gesteld en evenmin gebleken dat door deze actie schade is geleden. Het vertrouwen dat belanghebbende zegt te hebben ontleend aan de mededeling op de website, is derhalve naar vaste jurisprudentie niet in rechte te beschermen vertrouwen. 7.5 Het oordeel van het Hof – als overgenomen van de Rechtbank – dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, geeft er mijns inziens geen blijk van dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Ik acht het oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. 7.6 Daarmee valt het doek voor het beroep op het vertrouwensbeginsel. Het derde cassatiemiddel faalt. 8Eén prestatie (middel IV en middel V) 8.1 Middel IV en middel V richten zich met motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat de activiteiten die belanghebbende in ruil voor de entreegelden verricht één ondeelbare prestatie vormen. 8.2 Het oordeel van het Hof dienaangaande, opgenomen in punt 4.17 van zijn uitspraak (geciteerd in punt 3.5.3 van deze conclusie) acht ik niet onbegrijpelijk en niet onvoldoende gemotiveerd. Het oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. 8.3 De middelen IV en V (in zoverre dit middel ziet op het oordeel dat sprake is van één prestatie) falen mijns inziens dan ook. Dat betekent dat aan behandeling van het vijfde en zesde middel wordt toegekomen. 9Verhuur van een onroerende zaak (middel V) 9.1 Het Hof heeft geoordeeld dat de (ondeelbare) prestatie van belanghebbende niet is aan te merken als de vrijgestelde verhuur van een onroerende zaak. Voor zover belanghebbende in haar vijfde middel opkomt tegen dit oordeel, dan wel bedoeld heeft te betogen dat sprake is van vrijgestelde verhuur voor zover aan bezoekers uitsluitend een relaxruimte ter beschikking wordt gesteld (zie 2.4.3 van deze conclusie), faalt het middel. 9.2 Het Hof heeft mijns inziens op basis van de vastgestelde feiten in redelijkheid kunnen oordelen dat geen sprake is van de verhuur van een onroerende zaak, ook waar het gaat om de ter beschikkingstelling van relaxruimten. In dit verband wijs ik op de arresten van de Hoge Raad van 23 november 2012, nr. 11/03325, LJN BY3891, BNB 2013/43 m.nt. Van Zadelhoff, en van 30 november 2012 nrs. 10/05559, LJN BY4590, BNB 2013/44 m.nt. Van Zadelhoff, en 11/02842, LJN BY4604, BNB 2013/45 m.nt. Van Zadelhoff. Uit deze arresten valt onder meer af te leiden dat ook indien de exploitant van het huis een ander is dan de dame met wie de klant een overeenkomst sluit, geen sprake hoeft te zijn van verhuur van een onroerende zaak. 10Dagrecreatie (middel VI) 10.1 Op grond van artikel 9, lid 2, onderdeel a, van de Wet juncto tabel I, post b.14, letter g, bij de Wet is aan het verlaagde tarief onderworpen het verlenen van toegang tot: “attractieparken, speel- en siertuinen, en dergelijke primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen;” 10.2 Deze tabelpost moet worden geacht de uitwerking in nationaal recht te zijn van (een deel van) het bepaalde in Bijlage III bij de btw-richtlijn, op grond van post 7, waarvan de lidstaten aan een verlaagd tarief mogen onderwerpen: “het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen.” 10.3 Met Tabel I, post b.14, onderdeel g, bij de Wet is – lijkt mij – uitvoering gegeven aan de in Bijlage III bij de btw-richtlijn gegeven mogelijkheid om het verlenen van toegang tot ‘amusementsparken’ onder het verlaagde tarief te brengen. In de memorie van toelichting bij het voorstel van wet waarbij onderdeel g aan post b.14 werd toegevoegd is onder meer het volgende vermeld: (blz. 10) “Overheveling van attractieparken naar het verlaagde BTW-tarief achten wij vooral gewenst vanwege gelijke concurrentieverhoudingen, in binnen- en buitenland. Voor bijvoorbeeld dierentuinen, musea en kermisattracties, geldt reeds het verlaagde tarief. (…). In verband met internationale concurrentie zijn in de attractiesector forse investeringen nodig in hoogwaardige attracties, technologie en veiligheid. Dat is belangrijk voor onze economie (…) en de werkgelegenheid.” (blz. 25 -26) Daaraan kan nog worden toegevoegd dat attractieparken bijna de enige categorie zijn op het terrein van vrijetijdsbesteding en toeristische prestaties, waarop in Nederland tot op heden níet het verlaagde BTW-tarief wordt toegepast. (…) De definitie in het nieuwe onderdeel g is zodanig opgezet dat niet alleen de grote bekende Nederlandse attractieparken daaronder vallen, maar ook (…) de vele andere kleine attractieparken en dergelijke in grote verscheidenheid voorkomende dagrecreatie-voorzieningen. Toch kent de definitie bewust zijn beperkingen. Door opname van het woord «primair» wordt aangegeven dat de recreatieve doelstelling centraal behoort te staan. Als de recreatieve doelstelling ondergeschikt is aan andere doelstellingen en/of een combinatie daarmee wordt gehanteerd (…) kan het verlaagde tarief geen toepassing vinden. (…) Ook in de sfeer van de sport, zoals fitness-centra, staan niet de aspecten «vermaak» en «dagrecreatie» voorop. Deze sector valt evenmin onder het verlaagde tarief.” 10.4 Jurisprudentie over de invulling van onderdeel g van post b.14 van Tabel I is (nog) niet voorhanden. Over de reikwijdte van Bijlage III, post 7, bij de btw-richtlijn (of liever: Bijlage H, post 7, bij de Zesde richtlijn) in relatie tot het verlenen van toegang tot seksueel getinte voorzieningen is in de rechtspraak wel het een en ander te vinden. 10.5 In de eerste plaats valt te wijzen op het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2008, nr. 43908, LJN BB0678, BNB 2009/89 m.nt. Swinkels. Daarin kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat het verlenen van toegang tot peepshows onder het verlaagde tarief van post b.14, onderdeel d, van Tabel I, behorende bij de Wet (muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen) kon worden gebracht. De Hoge Raad volgde de oordelen van het Hof dat – onder meer: “3.2 (…) de zinsnede “en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen” in categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijnlijn erop duidt dat daarmee bedoeld zijn culturele evenementen in de (meest) brede zin van het woord. (…) [en] dat bij de onderhavige peepshow sprake is van een toneel, waarop een voorstelling wordt gegeven die door een aantal personen tegen betaling kan worden bijgewoond, zodat sprake is van een toneelvoorstelling, en dat daaraan niet afdoet het (erotische) karakter van de voorstelling (…).” Het komt mij voor dat dit arrest voor de uitlegging van de onderhavige zaak – anders dan belanghebbende kennelijk meent – weinig relevant is, nu het daar ging om de uitlegging van een andersoortige, en in een andere post van Tabel I opgenomen, voorziening (toneelvoorstelling). 10.6 Daarnaast verdient het arrest van het HvJ van 18 maart 2010, Erotic Center, C-3/09, BNB 2010/300 m.nt. Swinkels, vermelding. In dit arrest ging het om de vraag of het tegen vergoeding ter beschikking stellen van cabines waarin individueel (erotische) films kunnen worden bekeken als het (laagbelaste) verlenen van toegang tot een bioscoop in de zin van Bijlage H, post 7, van de Zesde richtlijn kan worden aangemerkt. Het HvJ oordeelde van niet (cursivering MvH): “15 Dienaangaande, en zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, volgt uit artikel 12, lid 3, sub a, van de Zesde richtlijn dat de toepassing van een of twee verlaagde btw-tarieven een aan de lidstaten toegekende mogelijkheid is in afwijking van het beginsel volgens hetwelk het normale tarief van toepassing is. (…). Volgens vaste rechtspraak moeten bepalingen die een afwijking vormen op een beginsel, strikt worden uitgelegd (zie met name arrest Commissie/Spanje, reeds aangehaald, punten 18 en 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 16 Daaruit volgt met name dat het begrip verlenen van toegang tot een bioscoop volgens de gebruikelijke betekenis van deze woorden moet worden uitgelegd (zie in die zin reeds aangehaalde arresten Commissie/Spanje, punt 20, en Commissie/Duitsland, punt 23). 17 (…) dient voorts te worden opgemerkt dat de verschillende in bijlage H, categorie 7, eerste alinea, bij de Zesde richtlijn genoemde evenementen en voorzieningen met name als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat ze voor het publiek toegankelijk zijn tegen voorafgaande betaling van een toegangsrecht, zodat al wie dit toegangsrecht betaalt, het recht krijgt gezamenlijk gebruik te maken van de voor deze evenementen of voorzieningen kenmerkende culturele diensten en ontspanning. 18 Uit het voorgaande vloeit voort dat het begrip verlenen van toegang tot een bioscoop in de zin van bijlage H, categorie 7, eerste alinea, bij de Zesde richtlijn, gelet op de gebruikelijke betekenis van deze woorden en op de aan deze bepaling eigen context waarin zij worden gebruikt, niet aldus kan worden uitgelegd dat het betrekking heeft op de betaling door een consument om individueel een of meer films of nog filmfragmenten te kunnen bekijken in een afgesloten ruimte als de cabines in het hoofdgeding.” 10.7 Wanneer ik de hiervoor geciteerde overwegingen van het HvJ in het arrest Erotic Center over de strikte uitlegging van uitzonderingen op de algemene regel en over het gemeenschappelijk kenmerk van de in Bijlage H, post 7, bij de Zesde richtlijn (thans bijlage III, post 7, bij de btw-richtlijn) vermelde dienstverlening, in aanmerking neem, kom ik tot de slotsom dat het verlenen van toegang tot een saunaclub als die van belanghebbende niet kan worden aangemerkt als het verlenen van toegang tot een amusementspark of een soortgelijke culturele voorziening als bedoeld in Bijlage III bij de btw-richtlijn. 10.8 Nu uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de wetgever bij invoering van Tabel I, post b.14 onderdeel g, behorende bij de Wet, de uitdrukkelijke bedoeling heeft gehad af te wijken van het bepaalde in de (bijlage bij
- de)richtlijn, moet er – gelet op vaste jurisprudentie van het HvJ en de Hoge Raad – van uit worden gegaan dat de wetgever de bedoeling heeft gehad volledig uitvoering te geven aan hetgeen in de richtlijn is bepaald. Ik verwijs hier naar het arrest van het HvJ van 16 december 1993, Wagner Miret, C-334/92, en dat van de Hoge Raad van 10 augustus 2007, nr. 43169, LJN AZ3758, BNB 2007/277 m.nt. Bijl. 10.9 Ik kom dan ook tot de slotsom dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de door belanghebbende verrichte prestatie niet op grond van het bepaalde in artikel 9, lid 2, onderdeel a, van de Wet juncto de bij de Wet behorende Tabel I, post b.14, onderdeel g, onder het verlaagde tarief kan worden gebracht. 11Voorbijgaan aan stelling in pleidooi (middel VII) 11.1 In het zevende en laatste middel voert belanghebbende aan dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op haar pleidooi dat de Rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat niet in geschil is dat op de entreeprijzen ad € 25 voor enkel gebruik van de relaxruimten het algemene tarief van 19% van toepassing is. Wat hiervan zij, het middel kan niet tot cassatie leiden nu het Hof zonder onderscheid naar categorie entreegelden heeft geoordeeld dat geen sprake is van een vrijgestelde of laagbelaste prestatie en zulks – naar volgt uit de in punt 9.2 vermelde jurisprudentie en uit onderdeel 10 van deze conclusie – ook heeft kunnen oordelen. 11.2 Het zevende middel faalt derhalve. 12Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Inspecteur van Belastingdienst/[P]. Belanghebbende is hiertegen niet in rechte opgekomen. Uit de gedingstukken maak ik op dat [X1] aan de STAK [B] 180 gewone aandelen nummers 1 tot en met 180 heeft overgedragen. STAK [B] heeft aan [A] voor elk door haar verkregen aandeel een daarmee corresponderend certificaat gegeven. De certificaten staan op naam en zijn genummerd. Het nummer is gelijk aan het nummer van het daarmee corresponderende aandeel. Zie punt 2.2 van de nader te melden uitspraak van het Hof. Zie punt 2.6 van de nader te melden uitspraak van het Hof. In het rapport van een bedrijfsbezoek van de Inspecteur is vermeld (punt 2.3) dat dames een entreeprijs van € 15 betalen. Hetzelfde rapport vermeldt dat belanghebbende niets regelt met betrekking tot de aanwezigheid van de dames, ook niet op verzoek. In het hierna te melden conceptrapport van een bedrijfsbezoek van de Inspecteur is vermeld (punt 2.3.2) dat er voor vrouwelijke klanten geen regels zijn. Aldus het Hof in punt 2.9 van zijn nader te melden uitspraak. Het wordt uit die uitspraak niet duidelijk wat de ‘relaxruimten’ zijn , in de beschrijving van het pand wordt de term ‘relaxruimte’ namelijk niet gehanteerd. Uit de gedingstukken meen ik echter te mogen afleiden dat hier gedoeld wordt op de werkkamers als bedoeld in punt 2.4.1. Ik ga daar dan ook van uit, hoewel in het hierna nog te melden controlerapport twee verschillende grootboekrekeningen worden vermeld, te weten: ‘omzet relaxruimten’ en ‘huur kamers’. In het naar aanleiding van dit bezoek opgemaakte conceptrapport van juli 2006 is als doel van het bedrijfsbezoek vermeld: “- het waarnemen van de actuele bedrijfsactiviteiten; - het beoordelen van de fiscale status van alle binnen uw onderneming werkzame personen; - het beoordelen wie de aanbieder van de dienst is voor wat betreft de verrichtingen van de prostituees die werkzaam zijn binnen het bedrijf; - het verzamelen van actuele informatie over relevante ontwikkelingen binnen uw bedrijf. Naar aanleiding van deze brieven heeft belanghebbende zogenoemde suppletieaangiften ingediend. Uit het uit het rapport van het hierna te melden boekenonderzoek in 2008 leid ik af dat die suppletieaangiften op andere tijdvakken dan de onderhavige zien. Zie zijn brief van 28 juni 2012. Ook geannoteerd gepubliceerd in V-N 1991, blz. 2140. In punt 2.3 van het controlerapport van 18 juni 2008 is opgenomen dat [X1] zich bezig houdt met de verhuur van onroerende zaken aan [X2] en een directeur ter beschikking stelt. Nu een en ander niet betwist is, ga ik van de juistheid daarvan uit. Sinds de arresten van het HvJ van 9 april 2013, Commissie/Ierland, C-85/11, NTFR 2013, 955 m.nt. Sanders, V-N 2013/24.13, en van 25 april 2013, Commissie/Nederland, C-65/11, NTFR 2013, 1002 m.nt. Sanders, V-N 2013/24.14, weten we dat ook niet-ondernemers deel mogen uitmaken van een fiscale eenheid. Zie ook mijn conclusies van 29 juli 2008, nr. 43872, V-N 2008/47.20, en 29 november 2012, nr. 11/05105, LJN BY7670, V-N 2013/18.17. Zie ook mijn conclusie van 29 juli 2008, nr. 43872 voor het arrest van de HR van 26 juni 2009, LJN BF0401, BNB 2009/323 m.nt. Bijl, NTFR 2009, 1558 m.nt. Perié, V-N 2009/33.21. G.J. Van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Kluwer, Deventer 2007, blz. 225 meent dat een 'complexbenadering' van de drie verwevenheden meer recht doet aan de concerngedachte die ten grondslag ligt aan de fiscale eenheid. C.M. Ettema, ‘Fiscale eenheid tussen een onderlinge waarborgmaatschappij en een stichting’, BtwBrief 1998, nr. 2, blz. 12, meent dat de vereiste financiële verwevenheid niet volledig op de organisatorische eenheid kan worden gebaseerd. Zo werd de ook in de Mededeling opgenomen opvatting van de Commissie dat alleen ondernemers deel van een ‘btw-groep’ kunnen uitmaken ‘ingehaald’ door de arresten van het HvJ van 9 april 2013, Commissie/Ierland, C-85/11, NTFR 2013, 955 m.nt. Sanders, V-N 2013/24.13, en die van 25 april 2013 Commissie/Nederland, C-65/11, NTFR 2013, 1002 m.nt. Sanders, V-N 2013/24.14, Commissie/Finland, C-74/11, Commissie/Verenigd koninkrijk, C-86/11, Commissie Denemarken, C-95/11, Commissie/Tsjechië, C-109/1, waarin het HvJ oordeelde dat ook niet-ondernemers deel kunnen uitmaken van een fiscale eenheid. Zie bijvoorbeeld HR 22 februari 1989, nr. 25068, BNB 1989/112 m.nt. Ploeger, V-N 1989, blz. 1144. Maar ook geannoteerd gepubliceerd in V-N 1989, blz. 1144. Ook geannoteerd gepubliceerd in, NTFR 2003, 383, V-N 2003/12.17. Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van een geschillenregeling in besloten vennootschappen en bepaalde naamloze vennootschappen, Kamerstukken II 1984/85, 18905, nr. 3, blz. 15. Ook in het BW. Zie bijvoorbeeld artikel 2:202 BW waarin een verbod op aandelencertificaten aan toonder is geregeld en artikel 2:336, lid 2, dat bepaalt dat de aandeelhouder ten titel van beheer een vordering tot gedwongen overdracht van aandelen voor door hem beheerde aandelen slechts kan instellen indien de desbetreffende certificaathouders daarmee tevoren hebben ingestemd. Zie Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/658 en C.AE. Uniken Venema en S.E. Eisma, Eigendom ten titel van beheer naar komend recht, Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Tjeenk Willink, Zwolle, 1990. Zie het beroepschrift in cassatie, blz. 4 en het bezwaarschrift van belanghebbende, blz. 1. C.AE. Uniken Venema en S.E. Eisma, a.w. blz. 82. C.AE. Uniken Venema en S.E. Eisma, a.w. blz. 50 e.v. Ook becommentarieerd gepubliceerd in JOR 2011, 33, NTFR 2010, 1759 m.nt. Kok, ONDR 2010, 140 m.nt. Koster, V-N 2010/28.21. Vereenzelviging van certificaten met de overgenomen aandelen impliceert dat de aandeelhouder op elk gewenst moment van het administratiekantoor dat de aandelen houdt ten behoeve van de certificaathouders kan verlangen dat tegen inlevering van de certificaten de aandelen worden teruggegeven. In de statuten van het administratiekantoor dan wel uit eventuele administratievoorwaarden moet blijken dat aan de voorwaarden wordt voldaan als vermeld in het Besluit van 4 september 2012, nr. BLKB2012/101M, Stcrt. 2012, 18489, BNB 2013/22, V-N 2012/47.10, naar welke besluit ik hier kortheidshalve verwijs. Die immers de aandeelhouder is en jegens de vennootschap aanspraken heeft. Zie ook Uniken Venema en Eisma, a.w. blz. 55 (onderstreping origineel): “De formulering: recht op bepaalde certificaten verbonden aan een aandeel, suggereert dat de certificaathouder rechtstreeks een recht op een aan een aandeel verbonden recht heeft. Aan een aandeel zijn dividendrechten verbonden. Heeft de certificaathouder recht op het dividend (recht)? Nee, hij heeft jegens het administratiekantoor recht op uitkering van een bedrag, gelijk aan het dividend dat op de aandelen is betaald”. Evenals overigens voor de vennootschapsbelasting. Vgl. artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 waarin het bestaan van een fiscale eenheid veronderstelt dat de moedermaatschappij de juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95% van de aandelen in een dochter . In de jurisprudentie zijn overigens voorbeelden te vinden van gevallen waarin certificering van een deel van de aandelen, waardoor de juridische eigendom van het aandelenbezit onder de 95% dook toch niet leidde tot verbreking van de fiscale eenheid. Zie Hoge Raad 18 juni 2010, nr. 08/03662, LJN BK3803, BNB 2010/266 m.nt. De Vries, NTFR 2010, 1759 m.nt Kok, V-N 2010/28.21. Voor een vroege beslissing in die zin kan verwezen worden naar de uitspraak van de Tariefcommissie van 10 maart 1959, nr. 8520 O, BNB 1959/251 m.nt. Tuk. Verder zij verwezen naar de zogenoemde ‘doorbraakarresten’ van de Hoge Raad van 12 april 1978, nrs. 18452, 18464 en 18495, BNB 1978/135-137 m.nt. Tuk, en iets recenter de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 1990, nr. 25668, BNB 1990/194 m.nt. Den Boer, en van 13 juni 2003, nr. 37745, LJN AF4069, BNB 2003/295 m.nt. De Vries, V-N 2003/31.13, NTFR 2003, 1042 m.nt. Bouwman. Zie ook het arrest van arrest van 13 maart 1996, nr. 29996, LJN AA1822, BNB 1996, 205 m.nt. Brunt, V-N 1996, blz. 1414 , FED 1996, 404 m.nt. Sio, waarin de antwoorden op Kamervragen en daardoor gepubliceerd in de Kamerstukken door de Hoge Raad werd aangemerkt als ‘recht’ in de zin van art. 99 Wet RO. Zie bijvoorbeeld HR 22 juni 1977, nr. 18395, BNB 1977/284 m.nt. Hofstra, HR 26 september 1979, nr. 19250, BNB 1979/311 m.nt. Scheltens, AB 1980/210 m.nt. Stok, en HR 13 oktober 1999, nr. 33311, LJN AA2924, BNB 2000/91 m.nt. Happé, ook geannoteerd gepubliceerd in FED 1999, 708, m.nt. Holdert, V-N 1999/484,. Vgl. HR 26 september 1979, nr. 19250, BNB 1979/311 m.nt. Scheltens maar ook geannoteerd gepubliceerd in AB 1980, 210 m.nt. Stolk. Vgl. HR 29 juni 1994, nr. 29913, BNB 1994/265, V-N 1994, blz. 2305. De uitdraai in het dossier vermeldt als vindplaats http://www.belastingdienst.nl/zakelijk/omzetbelasting/ob10/ob10-17.html en is gedateerd 19 november 2007. Dat neemt niet weg dat ik meen de belastingdienst uitermate bedachtzaam dient te zijn op de informatie die hij op zijn website plaatst. Ook gepubliceerd in NTFR 2013, 39 m.nt. Zijlstra. Ook gepubliceerd in NTFR 2013, 38 m.nt. Zijlstra. Zie ook NTFR 2013, 37 m.nt. Zijlstra, en V-N 2012/63.16. In andere onderdelen van Tabel I, post b.14, wordt het verlenen van toegang tot diverse andere in Bijlage III bij de btw-richtlijn opgenomen voorzieningen vermeld. Voordien Bijlage H, post 7, bij de Zesde richtlijn. In de richtlijngeschiedenis is geen toelichting op de post gegeven. Kamerstukken II 1997/98, 25688, nr. 3. Het postonderdeel is bij Wet van 18 december 1997, Stb. 1997, 731, per 1 januari 1998 aan de tabelpost toegevoegd. Ook geannoteerd gepubliceerd in NTFR 2008, 2405 m.nt. Nieuwenhuizen en V-N 2008/59.23. Tevens geannoteerd gepubliceerd in NTFR 2010, 850 m.nt. Sanders, en V-N 2010/15.25. MvH: bedoeld is HvJ 18 januari 2001, Commissie/Spanje, C-83/99, NTFR 2001/141 m.nt. Van Dongen. MvH: bedoeld is HvJ 23 oktober 2003, Commissie/Duitsland, C-109/02, NTFR 2003, 1857 m.nt. Nieuwenhuizen, V-N 2003/56.18. Zie ook HvJ 18 januari 2000, Commissie/Spanje, C-83/99, NTFR 2001/141 m.nt. Van Dongen. Ook geannoteerd gepubliceerd in AB 2007/291 m.nt. Widdershoven, NTFR 2007, 1513 m.nt. Perié, en V-N 2007/40.27.