13/01083 mr. Keus Zitting 12 juli 2013 Conclusie art. 80a RO inzake: [de man] (hierna: de man) verzoeker tot cassatie advocaat: mr. A.R. Bissessur tegen [de vrouw] (hierna: de vrouw) verweerster in cassatie
- Bij beschikking van 3 april 2012 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud bepaald op € 475,- per maand.
- In hoger beroep heeft de vrouw een partneralimentatie verzocht van € 773,- per maand.
- Bij beschikking van 5 december 2012 heeft het hof ’s-Gravenhage de rechtsstrijd aldus begrensd dat, nu de man niet heeft geappelleerd, de ondergrens van de partneralimentatie wordt gevormd door € 475,- en de bovengrens door € 773,- per maand. Het hof heeft de behoefte van de vrouw op grond van een kostenberekening op € 1.918,- netto per maand bepaald en geconstateerd dat dit bedrag met 60% van het netto gezinsinkomen ten tijde van de relatie overeenkomt. Bij gebreke van actuele stukken heeft het hof de draagkracht van de man aan de hand van de stukken over 2011 beoordeeld en is het uitgegaan van dezelfde financiële gegevens als de rechtbank, alsmede van een in te houden bijdrage Zorgverzekeringswet. Het hof heeft de partneralimentatie nader bepaald op € 629,-.
- Onderdeel A bestrijdt onder 9 als onredelijk en onbegrijpelijk dat de vrouw in appel nieuwe gronden mocht aanvoeren, waar zij in eerste aanleg een alimentatie van slechts € 500,- had verzocht. De klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting, omdat de vrouw haar verzoek in hoger beroep mocht wijzigen en vermeerderen (art. 362 jo art. 283 Rv). Onder 11 betoogt het onderdeel dat het hof, “(d)oor slechts 60% van het vroegere (…) gezinsinkomen als enige maatstaf te hanteren”, heeft miskend dat alle door partijen aangevoerde omstandigheden van belang zijn. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof niet als enige criterium het vroegere gezinsinkomen heeft gehanteerd, maar van een gedocumenteerde kostenopstelling is uitgegaan en slechts heeft geconstateerd dat de uitkomst daarvan “overigens” met 60% van dat inkomen overeenstemt. Onder 12 klaagt het onderdeel dat het hof niet op de uitvoerige (maar niet nader gespecificeerde) standpunten in het verweerschrift is ingegaan. De klacht miskent dat het hof niet was gehouden op alle standpunten van de man in te gaan en dat het passeren van bepaalde standpunten en stellingen het bestreden oordeel niet zonder meer onbegrijpelijk maakt. Het onderdeel werkt niet uit dat dit laatste hier wél het geval zou zijn. Onder 14 klaagt het onderdeel dat het hof niet heeft meegewogen dat de man in zijn verweerschrift heeft onderbouwd dat de vrouw tijdens de huwelijkse periode op bijstandsniveau heeft geleefd. De klacht kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat het hof de behoefte van de vrouw op een gedocumenteerde kostenopgave en niet op het huwelijkse gezinsinkomen heeft gebaseerd.
- Onderdeel B bestrijdt het oordeel met betrekking tot de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man als onvoldoende gemotiveerd. Onder 21 herhaalt het in wezen de hiervoor al besproken klacht van onderdeel A onder
- Voorts klaagt het onderdeel in algemene zin (onder 16, 20, 22 en 23) over het feit dat het hof niet is ingegaan op hetgeen de man bij verweerschrift heeft aangevoerd en de stukken die hij daarbij heeft aangeleverd (maar die in het overgelegde procesdossier ontbreken). Zonder nadere verbijzondering en uitwerking kunnen deze klachten niet tot cassatie leiden. Overigens meen ik dat de klachten deels feitelijke grondslag missen. Zo wordt het hof onder 23 verweten geen rekening te hebben gehouden met de opstelling van lasten in het verweerschrift onder 3 A. De rechtbank is op p. 4 van haar beschikking reeds van de belangrijkste van de aldaar opgevoerde lasten uitgegaan, terwijl het hof blijkens rov. 8 is uitgegaan van dezelfde financiële gegevens als die waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden.
- De conclusie strekt tot een niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal