Nr. 11/04304 Mr. Harteveld Zitting 14 mei 2013 Conclusie inzake: [verdachte]
(5638955), strekkende tot instelling van de Task Force Vreemdeling in de strafrechtsketen (Instellingsbesluit Task Force VRIS), Stcrt. 2010,
- Het moet voor het openbaar ministerie, zou men denken, mogelijk zijn met behulp van het onderliggende informatiesysteem op de zitting met meer concrete informatie te komen dan in de onderhavige zaak. Aan te bevelen is die informatie voorafgaand aan de zitting paraat te hebben. Vgl. HR 12 september 2006, LJN AW2522 en HR 8 februari 2011, LJN BO9968 (Middel II, HR 81 RO). Per 1 maart 2013 is de Vreemdelingencirculaire geheel herschreven in ‘begrijpelijke’ taal, waarbij het begrip ‘geen bezwaar maakt’ is vervangen door: ‘daarmee akkoord gaat’. Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 december 2012, nummer WBV 2012/25, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2012,
- De bepaling is ondergebracht in afdeling A3 en luidt thans: “6.3 Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht In de volgende gevallen vindt in ieder geval geen uitzetting van vreemdelingen plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht van kracht is: • als door een buitenlandse autoriteit de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) van een vreemdeling is of wordt gevraagd; • als een vreemdeling tenminste aan een van de volgende voorwaarden voldoet: - de vreemdeling is als verdachte van een strafbaar feit aangehouden en het strafonderzoek is niet door het OM beëindigd; - de vreemdeling heeft een strafvervolging wegens een misdrijf lopen en op de strafvervolging is niet onherroepelijk beslist; - de vreemdeling is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld en de opgelegde straf of strafrechtelijke maatregel is niet ondergaan; - aan de vreemdeling is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de vrijheidsontnemende maatregel is niet ondergaan. In deze situaties mag wel tot uitzetting worden overgegaan als het OM daarmee akkoord gaat; (…)” Vgl. Hof Arnhem 26 maart 2010, LJN BM0293 dat geleid heeft tot het in voetnoot 7 al genoemde arrest van de Hoge Raad van 25 september 2012, LJN BX3797, NJ 2013/13 m.nt. Reijntjes. Ik roep – hoewel niet helemaal vergelijkbaar – de zaak Saban B. in herinnering. Vgl. HR 25 november 2003, LJN AM
- EHRM 1 maart 2006, NJ 2006/661 m.nt. Schalken (Sejdovic). Zie voorts EHRM 12 februari 1985 NJ 1986/685 (Colozza); EHRM 25 februari 1992, NJ 1994/117; en EHRM 23 februari 1999, NJ 1999/641 m.nt. Knigge. Of de uitzetting gepaard is gegaan met een ongewenstverklaring kan hierbij in het midden blijven. HR 23 november 1999, LJN AA3793, NJ 2009/90 met de conclusie van toenmalig Advocaat-Generaal Fokkens. En voorts HR 25 november 2003, LJN AM0215; HR 20 december 2011, LJN BS1742 (Middel II, HR 81 RO), HR 8 februari 2011, LJN BO9968 (Middel I, HR 81 RO).