13/00726 mr. Spier Zitting 9 augustus 2013 (bij vervroeging) Conclusie inzake: inzake 1. [verzoeker 1] en 2. [verzoekster 2] (hierna gezamenlijk: [verzoekers]) tegen [verweerder] (hierna: [verweerder]) 1Feiten 1.1 De Rechtbank Breda heeft in eerste aanleg onder meer de volgende feiten vastgesteld: (
(2)dat [verzoeker 1] onvoldoende belang bij zijn (reconventionele) eis heeft, is dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende (toereikend) gemotiveerd […].” Deze algemene klacht wordt vervolgens nader uitgewerkt in onderdelen 2.6.1 t/m 2.6.4. 4.27.2 Onderdeel 2.6.1 klaagt dat ’s Hof (veronderstelde) oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is omdat het Hof (in rov. 13) uitgaat van een waardedaling van de woning vanaf 2008 en daarbij níet vaststelt dat die waardedaling niet mede het gevolg is van de (mogelijke) aanleg van de rondweg. Volgens het onderdeel heeft het Hof in rov. 13 bovendien tot uiting gebracht dat de (verwachte) verkeersintensiteit mede ten grondslag ligt aan de geschatte waarde van de woning. 4.28.1 Onderdeel 2.6.1 faalt. Het is juist dat het Hof in rov. 13 vermeldt dat in het rapport van [A] wordt uitgegaan van een prijsverval vanaf 2008. Uit zijn rapport blijkt echter dat met dat prijsverval uitsluitend gedoeld is op “de neerwaartse ontwikkelingen op de woningmarkt zoals die zijn opgetreden sedert het uitbreken van de bankencrisis”. Het oordeel van het Hof hieromtrent dient aldus verstaan te worden dat het genoemde prijsverval geen aanwijzing vormt dat er destijds als gevolg van de (voorgenomen) aanleg van de rondweg sprake is geweest van een waardevermindering van de woning. Dat oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. 4.28.2 Het onderdeel wijst er terecht op dat het Hof in rov. 13 mogelijk heeft aangenomen dat de (verwachte) verkeersintensiteit mede ten grondslag ligt aan de geschatte waarde van de woning. Het onderdeel ziet er echter aan voorbij dat het Hof in rov. 13 tevens heeft vastgesteld dat het rapport van genoemde [A] geen concrete informatie verschaft over vraag wat de invloed is van de aanleg van de rondweg op deze verkeersintensiteit. Het oordeel van het Hof dat [verzoekers] onvoldoende hebben aangedragen en hebben aangeboden te bewijzen om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van een ook maar enigszins relevante waardedaling van de woning is derhalve, ook in het licht van de hier besproken stellingen, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. 4.28.3 Daar komt nog bij dat het Hof er kennelijk en zeker niet onbegrijpelijk vanuit is gegaan dat zo aannemelijk is dat de verwachte verkeersintensiteit er in de gegeven omstandigheden, zoals uitvoerig geschetst in het vaker genoemde rapport van [A], er niet wezenlijk toe doet, dat het eens te meer op de weg van [verzoekers] had gelegen om concrete gegevens te verstrekken. 4.29 Onderdeel 2.6.2 kant zich tegen het oordeel (in rov. 13) dat het rapport van [A] uitgaat van een prijsverval vanaf 2008 “terwijl de datum 25 augustus 2007 bepalend is”. 4.30 Deze klacht faalt om twee zelfstandige redenen: a. het in het rapport van [A] bedoelde prijsverval heeft betrekking op “de neerwaartse ontwikkelingen op de woningmarkt zoals die zijn opgetreden sinds het uitbreken van de bankencrisis” (zie de bespreking van onderdeel 2.6.1). Het oordeel van het Hof dient aldus verstaan te worden dat dit prijsverval geen aanwijzing vormt dat er destijds als gevolg van de (voorgenomen) aanleg van de rondweg sprake is geweest van een waardevermindering van de woning. Dat oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering; b. hoe dan ook blijft overeind dat [verzoekers] op dit punt te weinig hebben gesteld, zoals bij de bespreking van onderdeel 1.1 nader is uiteengezet. 4.31 Onderdeel 2.6.3 verwijt het Hof niet te hebben gerespondeerd op de stelling van [verzoekers] zoals deze, naar ik begrijp, is te vinden in § 28 van de ‘conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie’. Het gaat dan om de stelling dat “turbo-rotonde, geluidschermen e.d.” zijn voorzien “als gevolg van de rondweg”. Daaruit zou blijken dat ook de “fraaie landelijke omgeving” ingrijpend wordt veranderd. 4.32 Ik mocht er al op wijzen dat uit een bijlage bij het rapport van [A] m.i. kan worden opgemaakt dat de woning ([a-straat 1], zoals ook op de tekening aangegeven) aan een brede verkeersweg lag. In dat geval mislukt de klacht reeds omdat van zulk een omgeving geen sprake was. 4.33 Hoe dit ook zij, de stellingen zijn te vaag en te algemeen. Reeds omdat niet wordt aangegeven waar de “turbo-rotonde” en de schermen zouden worden geplaatst. 4.34 Ten overvloede merk ik nog op dat de Rechtbank in eerste aanleg in een overweging ten overvloede heeft geoordeeld dat niets is gebleken van enige waardevermindering van de woning (zie vonnis van 21 juli 2010, rov. 3.18). [verzoekers] hebben dat oordeel met grief 6 bestreden. Met deze grief wordt betoogd (
- i)dat voor een beroep op dwaling niet vereist is dat men door de dwaling benadeeld is; en (
- ii)dat uit het rapport van [A] blijkt dat ‘de projectie en de aanleg’ van de rondweg wel degelijk tot een substantiële waardevermindering hebben geleid en wel tot een waardevermindering van € 55.000,- (p. 11, grief 6). De eerstgenoemde stelling miskent dat, als gezegd, de aan de orde zijnde vorderingen slechts toewijsbaar kunnen zijn indien komt vast te staan dat de (voorgenomen) aanleg van de rondweg leidt tot waardevermindering van de woning. De tweede stelling is in het geheel niet onderbouwd en is reeds daarom door het Hof terecht ongegrond bevonden. 4.35 Onderdeel 2.6.4 vertolkt enkel een voortbouwende klacht. Deze behoeft geen bespreking meer. 4.36 Onderdeel 3.1 betoogt, in heel veel woorden, in de eerste plaats dat de eis van [verzoekers] in reconventie, zoals gewijzigd in appel, “zich onmiskenbaar niet anders laat verstaan, dan dat deze niet slechts betreft de opheffing van nadeel dat bestaat in waardevermindering van de litigieuze woning als gevolg van de aanleg van de rondweg in de zuidelijke variant (in de directe nabijheid van de litigieuze woning), doch ziet op opheffing van àl het nadeel dat [verzoeker 1] geleden heeft […].” Daarom is volgens het onderdeel “’s Hofs oordeelsvorming resp. hetgeen het Hof beslist heeft in rov. 13 (laatste zin) resp. zijn arrest onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende (toereikend) gemotiveerd.” De strekking van het betoog is – zo begrijp ik – dat het Hof ten onrechte niet beslist heeft op de vordering tot opheffing van het nadeel bestaande in het verschuldigd zijn van de contractuele boete aan [verweerder], althans dat het oordeel van het Hof op dat punt onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. 4.37 Deze klacht faalt. De vordering zoals geformuleerd in het petitum van de mvg ziet nadrukkelijk en uitsluitend op waardevermindering die wordt nader toegesneden op de aanleg van de rondweg. Dat geldt zowel voor de primaire als voor de subsidiaire vordering onder I en onder II. Vordering III bouwt hierop voort. In elk geval is ’s Hofs oordeel, dat klaarblijkelijk op deze lezing is gestoeld, alleszins begrijpelijk. 4.38 Het onderdeel betoogt in de tweede plaats dat [verzoekers] in hoger beroep tevens aan hun reconventionele vordering ten grondslag hebben gelegd dat zij gedwaald hebben bij het sluiten van de eerste koopovereenkomst (van 25 augustus 2007). Volgens het onderdeel ging het derhalve ook om de vraag of de koopovereenkomst van 25 oktober 2007 wegens dwaling vernietigbaar is en in het bijzonder om de vraag of de verschuldigdheid van de contractuele boete daardoor kwam te vervallen. Het onderdeel stelt dat indien het Hof de vordering van [verzoekers] niet in deze zin heeft uitgelegd, het oordeel van het Hof op dat punt onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. 4.39 Ook dit onderdeel mislukt reeds op de onder 4.37 genoemde grond. Daar komt bij dat het Hof de vorderingen van [verzoekers] in reconventie klaarblijkelijk en allerminst onbegrijpelijk aldus heeft opgevat dat [verzoekers] hun vorderingen baseren op een gestelde dwaling bij het aangaan van de derde koopovereenkomst (van juli 2008) en niet tevens op dwaling bij het aangaan van de eerste koopovereenkomst (van 25 augustus 2007). 4.40 Het betoog van onderdelen 3.2 en 3.3 sluit aan bij het betoog van onderdeel 3.1. Deze klachten falen op de gronden vermeld bij de bespreking van dat eerdere onderdeel. 4.41 De klacht van onderdeel 4 mist zelfstandige betekenis. 5Afdoening Zoals hiervoor aangegeven is onderdeel 1.1 op zich gegrond. Het kan evenwel om de onder 4.7 vermelde redenen m.i. niet tot cassatie leiden. De overige klachten nopen mijns inziens niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. (Mogelijk) met uitzondering van onderdeel 1.1 leent deze zaak zich daarom m.i. voor toepassing van art. 81 lid 1 RO. Conclusie Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal De feiten zoals vermeld onder 1.1 zijn ontleend aan rov. 3.1 van het vonnis van de Rechtbank Breda van 21 juli 2010. Opgemerkt zij dat het Hof de huidige eisers in cassatie gezamenlijk aanduidt als ‘[verzoeker 1]’ (en derhalve niet als ‘[verzoekers]’). Ook in de cassatiedagvaarding worden deze partijen gezamenlijk aangeduid als ‘[verzoeker 1]’. In rov. 3 geeft het Hof het betoog van [verzoekers] aldus weer dat beroep wordt gedaan op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Het Hof vermeldt in rov. 13 dat de levering van de woning heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2009. Het betreft hier een kennelijke verschrijving; tussen partijen staat niet ter discussie dat de levering heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2008 (zie ook hierboven, onder 1.1, sub (k)). Zie verder onder meer de cassatiedagvaarding van [verzoekers], p. 5, voetnoot 13 en de schriftelijke toelichting van de zijde van [verweerder], p. 7, onder 22. Zo houdt het petitum ten aanzien van vordering (I) onder meer in: “primair: zal verklaren voor recht dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] hebben gedwaald in de zin van art. 6:228 sub 1. b. B.W. doordat [verweerder] heeft verzuimd hen mede te delen al hetgeen in verband met de aanleg van een rondweg ter plaatse van de woning [a-straat 1] te [plaats] van belang was, welke aanleg een waardevermindering van de gekochte woning met zich brengt;” (zie memorie van grieven houdende wijziging van eis, p. 12; cursivering A-G). Overigens gold ook vóór de eiswijziging in hoger beroep reeds dat voor toewijzing van de vorderingen in reconventie nrs. (I), (II) en (III) noodzakelijk was dat kwam vast te staan dat de (voorgenomen) aanleg van de rondweg tot een waardevermindering van de woning leidt. Zie de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie, p. 9, petitum. Opgemerkt zij dat ik bij het citeren van passages uit het cassatiemiddel omwille van de leesbaarheid de cursiveringen en onderstrepingen uit het origineel veelal achterwege heb gelaten. Zie over de eisen die gesteld mogen worden aan een aanbod van getuigenbewijs in hoger beroep, onder meer HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 DA, rov. 3.6; HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9991, NJ 2011/512 H.B. Krans, rov. 3.7; en HR 26 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8766, NJ 2013/261, rov. 3.7. Zie voorts Asser Procesrecht/Asser 3 2013, nr. 217 e.v. Het onderdeel verwijst in dit verband naar HR 15 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1806, NJ 1996/20 en HR 10 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2452, NJ 1998/473. Zie hierna onder 4.32. Het onderdeel verwijst in dit verband naar HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9559, NJ 2001/159. Zie het in de vorige noot genoemde arrest. Ik neem aan dat dit is bedoeld. Zie het rapport van [A] d.d. 28 december 2010, p. 2 (door [verzoekers] in hoger beroep overgelegd als productie 9). De cassatiedagvaarding vermeldt dat de stelling te vinden is in “MvG-§ 28”. Het onderdeel verwijst kennelijk per abuis naar de memorie van grieven in plaats van naar de ‘conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie’. Het is intussen zeer wel mogelijk op dit punt minder welwillend te zijn, zeker nu [verzoekers] deze vergissing/fout niet hebben hersteld in de s.t. of repliek. In dat geval mist de klacht feitelijke grondslag. Volledig zeker ben ik niet van deze interpretatie, mede gezien de niet helemaal duidelijke passage in het rapport onder Planologische ontwikkelingen. Die passage kan zo worden gelezen dat de tekening ziet op een weg die er nog niet lag.