Rolnr. 12/04761 Mr M.H. Wissink Zitting: 6 september 2013 conclusie inzake 1de maatschap Maatschap Aanleg, gevestigd te Utrecht,
(2)dat partijen reeds in juli 2005 overeenstemming hadden bereikt over de huurovereenkomst. Het middel gaat er vervolgens vanuit dat het hof blijkens rov. 4.2 (laatste volzin), 4.3 en 4.4 alleen de tweede grond heeft behandeld. Aangevoerd wordt dat het hof daarmee de eerste grond volledig onbesproken heeft gelaten, zodat zijn oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. 3.5 Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat zij berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft niet alleen beoordeeld of partijen reeds in juli 2005 overeenstemming hadden bereikt, maar tevens of sprake was van een toezegging van Dille & Kamille dat de overeenkomst in augustus 2005 zou ingaan (zie in het bijzonder rov. 4.3, vijfde, zevende en tiende volzin, en rov. 4.4, tweede volzin). Daarmee is het hof tevens ingegaan op de stelling van Aanleg, dat zij door Dille & Kamille op het verkeerde been is gezet ten aanzien van de ingangsdatum van de huur. 3.6 Subonderdeel I.2 klaagt dat het hof in rov. 4.2 t/m 4.3 een onjuiste en onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan grief I. Aanleg heeft daarin volgens haar niet gesteld dat er in augustus 2005 een overeenkomst is gesloten of een toezegging daartoe is gedaan, maar dat Aanleg (door Dille & Kamille) in de veronderstelling verkeerde dan wel meende dat op hoofdpunten overeenstemming bestond, als gevolg waarvan zij niet meer terug kon, waartoe de klacht wijst op het gestelde in de memorie van grieven onder 14. Het hof heeft echter ten onrechte onderzocht of er een overeenkomst tot stand is gekomen, dan wel een toezegging is gedaan, aldus het middel. 3.7 De uitleg van de grief is feitelijk van aard en daarom aan het hof voorbehouden. In cassatie kan slechts worden getoetst of deze uitleg onbegrijpelijk is. De uitleg die het hof aan de grief heeft gegeven is niet onbegrijpelijk gezien de toelichting op de grief. In MvG nr. 12 verwijst Aanleg naar de e-mailwisseling van 4 en 7 juli 2005 (door het hof aangehaald in rov. 3.10, zie hierboven sub 1.10) en merkt aldaar op “Appellanten hebben hun alternatief inderdaad laten gaan in de veronderstelling dat zij met Dille & Kamille tot een vergelijk gekomen waren.” Het hof heeft het gestelde in memorie van grieven onder 14, waarop de klacht zich beroept, kennelijk mede in dat licht gelezen. Het hof kon daarin lezen dat Aanleg stelde dat er toen een overeenkomst is gesloten of een toezegging daartoe is gedaan. Daarmee faalt subonderdeel I.2. 3.8 De subonderdelen I.3, I.4 en I.5 bouwen voort op het uitgangspunt van subonderdeel I.2, dat het hof de grief had moeten beoordelen op basis van de stelling dat Aanleg meende dat er overeenstemming bestond, en falen in het voetspoor van subonderdeel I.2. Wat betreft subonderdeel I.4 gaat het dan in de eerste plaats om de klacht dat het hof in rov. 4.4 niet heeft meegewogen, dat een partij die meent gebonden te zijn zich niet zal terugtrekken uit angst voor schadeplichtigheid, zodat Aanleg daarom geen verwijt kan worden gemaakt dat zij de in rov. 4.4 bedoelde andere optie heeft laten lopen (dagvaarding p. 11-12) of dat zij de overeenkomsten van 1 januari 2006 en 1 juli 2006 heeft getekend (dagvaarding p. 15). 3.9 Aanleg heeft voorts in subonderdeel I.4 (dagvaarding, p. 12-13) een aantal stellingen naar voren gebracht op grond waarvan rov. 4.4 onbegrijpelijk en onjuist zou zijn, omdat uit die stellingen zou volgen dat Dille & Kamille misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheidspositie van Aanleg. Het gaat dan om de stellingen dat Dille & Kamille wist dat de verbouwing die Dille & Kamille aan het winkelpand wilde verrichten enkele maanden zou duren; dat Aanleg pas na deze verbouwing toegang zou krijgen tot de kelder; dat Dille & Kamille wist dat de gebruiksmogelijkheden van de kelder na de verbouwing onbekend waren en dat Dille & Kamille weet had van de haast van Aanleg om de kelder in gebruik te nemen. Met deze stellingen wordt, als ik goed begrijp, bedoeld te klagen dat Dille & Kamille tijdstippen aan Aanleg heeft voorgespiegeld (zoals in de e-mail van 7 juli 2005 dat Aanleg medio augustus de kelder kon betrekken), die niet te rijmen waren met de verbouwing door Dille & Kamille. Dille & Kamille had dus, toen zij van Aanleg vernam dat zij nog een andere optie had (zie de e-mail van 4 juli 2005), aan Aanleg moeten meedelen dat het nog enige tijd zou duren voordat Aanleg in de kelder kon intrekken, in plaats van mee te delen dat Aanleg de kelder kon betrekken medio augustus. Als Aanleg namelijk op de hoogte geweest was van de feitelijke stand van zaken, dan had zij niet verder onderhandeld met Dille & Kamille. 3.10 Voor zover ook deze klacht van subonderdeel I.4 berust op het uitgangspunt van subonderdeel I.2 dient zij te falen. Voor zover hierin een afzonderlijke klacht dient te worden gelezen die niet berust op het uitgangspunt van subonderdeel I.2, dient deze klacht naar mijn mening eveneens te falen. In de eerste plaats, omdat het hof heeft geoordeeld dat Dille & Kamille niet heeft toegezegd dat Aanleg medio augustus de kelder kon betrekken (rov. 4.3, zesde volzin). Daarom kan niet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van het middel, dat Dille & Kamille tijdstippen aan Aanleg heeft voorgespiegeld (zoals in de e-mail van 7 juli 2005 dat Aanleg medio augustus de kelder kon betrekken), die niet te rijmen waren met de verbouwing door Dille & Kamille.In de tweede plaats, omdat de klacht in cassatie opwerpt dat op Dille & Kamille een mededelingsplicht jegens Aanleg rustte. Uit het middel blijkt niet dat die stelling eerder is aangevoerd (afgaande op de verwijzingen naar de vindplaatsen in het dossier), terwijl de juistheid ervan niet in cassatie kan worden onderzocht nu dat een waardering van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie nu eenmaal geen plaats is. De klachten van onderdeel I gaan daarom naar mijn mening niet op. 3.11 Onderdeel II keert zich tegen rov. 5.2 en het dictum en klaagt erover dat het hof het grievenstelsel heeft miskend en buiten het petitum is getreden. Het hof overweegt in rov. 5.1 t/m 5.2: “5.1 De slotsom is dat de grieven in het principaal hoger beroep falen en dat de grieven I en IV in het incidenteel hoger beroep slagen. De grieven II en III in het incidenteel hoger beroep slagen niet en voor zover Dille & Kamille in hoger beroep haar eis heeft gewijzigd, wordt haar vordering afgewezen. Dit leidt ertoe dat de bestreden vonnissen dienen te worden vernietigd voor zover daarbij door de kantonrechter een huurprijsvermindering is toegepast. In plaats daarvan zal in conventie worden toegewezen een vordering ter zake van achterstallige betalingen zonder dat daarop een huurprijs vermindering is toegepast. De vorderingen in reconventie zullen geheel worden afgewezen terwijl ook de in reconventie uitgesproken proceskostencompensatie zal worden vernietigd. 5.2 Waar het hof gelet op het voorgaande tot toewijzing van een hoger bedrag aan achterstallige huur zou komen dan door de kantonrechter is toegewezen (immers zonder rekening te houden met een huurprijsvermindering), dienen op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep de door Aanleg in eerste aanleg gevoerde verweren tegen de door Dille & Kamille gestelde hoogte van die vordering in de beoordeling te worden betrokken. Ten aanzien van de hoogte van de verschuldigde (achterstallige) huur en schadevergoeding wegens gebruik van het gehuurde na de ontbinding van de huurovereenkomst heeft Aanleg bij conclusie van antwoord de vordering van Dille & Kamille op onderdelen betwist. Dille & Kamille heeft vervolgens bij akte houdende wijziging van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie en bij conclusie van repliek haar vordering nader gespecificeerd. Uit de laatste specificatie volgt dat de vordering op Aanleg per 31 december 2007 € 13.243,62 bedraagt, dat de verschuldigde huur per 1 januari 2008 € 6.221,85 per kwartaal bedraagt en dat de verschuldigde huur per 1 juli 2008 € 6.868,83 per kwartaal bedraagt, alles te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Deze specificatie is door Aanleg niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. In de akte betreffende onderbouwing schade en betaling d.d. 20 mei 2009 heeft Aanleg wel gereageerd op een (buitengerechtelijke) berekening van de openstaande schuld door Dille & Kamille maar die berekening is door Dille & Kamille niet aan haar vordering ten grondslag gelegd, zodat het hof daaraan (en aan de betwisting van die berekening) verder voorbijgaat en zal uitgaan van de bij conclusie van repliek gegeven specificatie. In deze specificatie wordt voor de periode tot aan juli 2008 uitgegaan van een lager huurbedrag dan door Dille & Kamille bij dagvaarding gevorderd. De vordering van Dille & Kamille tot betaling van de ‘huurprijs’ zal daarom in zoverre overeenkomstig die specificatie worden toegewezen, waarbij het hof als in hoger beroep vaststaand ervan zal uitgaan dat Aanleg de kelders per 23 februari 2010 daadwerkelijk heeft ontruimd. Nu uit de specificatie niet anders blijkt, gaat het hof ervan uit dat in de weergegeven vordering per 31 december 2007 de oorspronkelijke afzonderlijke vordering ter zake van de huur van kelder 2 over de laatste zes maanden van 2006 niet meer aan de orde is; in hoger beroep is door Aanleg ook onbetwist gesteld dat dat deel van de vordering reeds is voldaan. Dat geldt ook voor de vordering ter zake van factuur 0705007 waarvan door Aanleg onbetwist is gesteld dat zij die reeds heeft voldaan, hetgeen ook volgt uit het als productie 14 bij de akte houdende wijziging van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie zijdens Dille & Kamille overgelegde overzicht.” In het dictum beslist het hof vervolgens, onder meer: “veroordeelt Aanleg hoofdelijk, in die zin dat als één van hen betaalt de anderen tot dat bedrag zullen zijn bevrijd, tot betaling aan Dille & Kamille: - van een bedrag van € 13.243,62, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2008 tot aan de dag van algehele voldoening; - van een bedrag van € 6.221,85 per kwartaal met ingang van 1 januari 2008 tot aan 30 juni 2008, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag telkens vanaf de eerste dag van iedere periode dat de kwartaalhuurprijs opeisbaar is geworden tot aan de dag van algehele voldoening; - van een bedrag van € 6.868,83 per kwartaal met ingang van 1 juli 2008 tot aan 23 februari 2010, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over dit bedrag telkens vanaf de eerste dag van iedere periode dat de kwartaalhuurprijs opeisbaar is geworden tot aan de dag van algehele voldoening;” Subonderdeel II.1 ziet op de veroordelingen tot betaling van € 6.221,85 respectievelijk € 6.868,83 per kwartaal. Subonderdeel II.2 ziet op de veroordeling tot betaling van € 13.243,62. 3.12 Volgens de subonderdelen II.1 t/m II.1.6 heeft het hof het grievenstelsel en de devolutieve werking miskend, althans zijn gedachtegang hieromtrent niet met redenen omkleed. Het middel voert daartoe het volgende aan. (
- a)De kantonrechter is in rov. 14.1, 22.1 en 23.1 van zijn tussenvonnis van 22 april 2009 en in rov. 2.1 en 5.1 en het dictum van het eindvonnis uitgegaan van een huurprijs die € 75,- per m2 bedroeg en heeft deze verminderd naar per € 65,- per m2 (subonderdeel II.1.1). (
- b)Dille & Kamille is in hoger beroep alleen opgekomen tegen de vermindering van de huurprijs; de overige grieven zien niet op de veroordeling tot voldoening van de huurprijs (subonderdeel II.1.2). (
- c)Het hof miskent dat de devolutieve werking alleen geldt binnen het door de grieven ontsloten gebied. Nu de kantonrechter de zonder huurprijsvermindering tussen partijen geldende huurprijs lager heeft geacht dan hetgeen Dille & Kamille in haar petitum na eiswijziging heeft gevorderd, is Dille & Kamille in het dictum niet volledig in het gelijk gesteld. Dille & Kamille heeft nagelaten in hoger beroep te klagen over de vaststelling en het daarop voortbouwende deel van het dictum, zodat dit onherroepelijk vast staat en gezag van gewijsde heeft gekregen. In hoger beroep stond dus tussen partijen onherroepelijk vast dat de geldende huurprijs, zonder toepassing van enige huurprijsvermindering € 75,- m2 op jaarbasis bedroeg, en dus € 4.556,25 (incl. BTW) per kwartaal voor kelder 1 en € 600,- (incl. BTW) per kwartaal voor kelder 2 (subonderdeel II.1.4); (
- d)Het hof mocht daarom gezien HR 30 maart 2012, LJN BU8514, de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel niet onverkort toepassen nu dat zal leiden tot tegenstrijdige uitspraken (subonderdeel II.1.5; vgl. ook II.1.3 en II.1.6). 3.13 Ik maak eerst enige opmerkingen over de verschillende bedragen. 3.14.1 Het middel gaat er terecht vanuit, dat de kantonrechter is uitgegaan van een huurprijs voor kelder 1 en kelder 2 van € 75,- per m2 per jaar. Bij eindvonnis in reconventie is de huurprijs voor kelder 1 en kelder 2 verminderd van € 75,- tot € 65,- vanaf 1 januari respectievelijk 1 juli 2006 tot 1 juli 2009. In conventie werd Aanleg veroordeeld tot betaling van enige bedragen aan achterstallige huur. Daarbij is de kantonrechter ook bij de veroordeling voor de periode na 1 juli 2009 uitgegaan van een huurprijs van € 75,- per m2 per jaar (zie rov. 5.1 en het dictum sub II van het eindvonnis). Na 1 juli 2009 is blijkens het vonnis van de kantonrechter de huur, zonder vermindering, voor kelder 1 € 4.556,25 per kwartaal en voor kelder 2 € 600,- per kwartaal, tezamen dus € 5.156,25 per kwartaal. 3.14.2 Het middel gaat er ten onrechte van uit dat deze bedragen inclusief BTW zijn. Uit de door het middel geciteerde overwegingen en het dictum blijkt immers dat de kantonrechter het oog heeft op bedragen exclusief BTW. Uitgaande van een huurprijs van € 75,- per m2 per jaar zou dat resulteren in een huurprijs per kwartaal voor kelder 1 en kelder 2 tezamen van € 6.135,94 inclusief 19% BTW. 3.15 Hoewel het middel dus gedeeltelijk feitelijke grondslag mist, staat dat niet in de weg aan de nadere beoordeling ervan. Het bedrag van € 5.156,25 exclusief BTW/€ 6.135,94 inclusief BTW per kwartaal is namelijk nog steeds lager dan de bedragen die door het hof zijn toegewezen. Het hof is immers op basis van de specificatie van Dille & Kamille in rov. 5.2 en het dictum uitgegaan van een huur per kwartaal voor kelders 1 en 2 tezamen van € 6.221,85 (vanaf 1 januari 2008) respectievelijk € 6.868,83 (vanaf 1 juli 2008), welke bedragen blijkens rov. 4.20 inclusief BTW zijn. 3.16.1 Het hof ontleent de genoemde bedragen (€ 6.221,85 respectievelijk € 6.868,83) aan een specificatie van Dille & Kamille van haar vordering bij antwoord in reconventie en repliek in eerste aanleg. Het hof oordeelt dat deze specificatie door Aanleg niet, althans onvoldoende gemotiveerd is betwist (rov. 5.2, vijfde volzin). Dat oordeel wordt door het middel niet specifiek bestreden. In appel heeft Dille & Kamille haar eis gewijzigd, maar het hof heeft de in appel gevorderde en door Aanleg betwiste bedragen als onvoldoende gespecificeerd en inzichtelijk niet geaccepteerd (rov. 4.23). 3.16.2 Het hof constateert in rov. 5.2, zevende volzin, dat het door Dille & Kamille blijkens haar specificatie in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 6.221,85 vanaf 1 januari tot 1 juni 2008 lager is dan het huurbedrag dat zij bij dagvaarding vorderde. Bij dagvaarding vorderde Dille & Kamille betaling van een huur per kwartaal van € 6.868,83. Het hof gaat begrijpelijkerwijs uit van het lagere bedrag van € 6.221,85 in de latere specificatie, omdat het niet meer kan toewijzen dan is gevorderd. 3.17 Zie ik het goed, dat is voor kelder 1 en kelder 2 een aanvangshuurprijs overeengekomen van steeds € 75 per m2 per jaar exclusief BTW. Dat resulteert in de door de kantonrechter, zonder vermindering van de huurprijs, gehanteerde bedragen. Het door Dille & Kamille blijkens haar specificatie gevorderde bedrag vanaf 1 januari 2008 van € 6.221,85 is kennelijk de kwartaalprijs inclusief BTW na huurprijsindexatie. In rov. 1.13 van het vonnis van de kantonrechter van 22 april 2009 wordt verwezen naar een brief van Dille & Kamille van 14 juni 2007, waarin wordt gesproken van een maandprijs per 1 juli 2007 na indexatie ad € 1.742,81 exclusief BTW. Dat is gelijk is aan een kwartaalprijs inclusief BTW ad € 6.221,83. Het lijkt niet te gewaagd om te veronderstellen dat het gevorderde bedrag van € 6.868,83 vanaf 1 juli 2008 is gebaseerd op een volgende indexatie. Dat zou berusten op een geïndexeerde huurprijs van afgerond € 83,95 per m2 per jaar exclusief BTW. 3.18 Geconcludeerd kan worden dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met een door indexatie hogere huurprijs dan de aanvangshuurprijs van € 75,- per m2 per jaar exclusief BTW. Zie ik het goed, dan heeft dit element in het partijdebat in feitelijke instanties ook geen rol gespeeld. Het middel gaat er van uit dat in het incidenteel hoger beroep alleen de vermindering van de huurprijs van € 75,- naar € 65,- aan de orde was, maar dat overigens een hogere prijs dan € 75,- niet aan de orde was (subonderdelen II.1.2 en II.1.4). Het middel wijst er op zichzelf terecht op dat de eerste incidentele grief was gericht tegen de vermindering van de huurprijs. De overige incidentele grieven stelden voorts niet de veroordeling tot voldoening van de huurprijs als zodanig aan de orde. Daar staat echter tegenover dat de vorderingen van Dille & Kamille wel (mede) berusten op de verhoogde huurprijs per m2. De specificatie van de verschuldigde huurbedragen in eerste aanleg, waarvan het hof is uitgegaan, berust daarop. In cassatie moet worden aangenomen dat Aanleg deze specificatie als zodanig niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daartoe heeft zij wel de gelegenheid gehad. De in appel gewijzigde vorderingen van Dille & Kamille (memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel, p. 20) heeft het hof als onvoldoende gespecificeerd gepasseerd, maar daarin kennelijk niet gelezen, dat Dille & Kamille haar vordering, zoals in eerste aanleg gespecificeerd, in appel prijs gaf. De grieven moeten worden uitgelegd tegen de achtergrond van het hele partijdebat en de conclusie in hoger beroep. De omvang van het incidentele appel moet in casu dus worden beoordeeld met inachtneming van de verschillende hiervoor genoemde gegevens. Het kennelijke oordeel van het hof, dat in het incidentele appel niet alleen de ongedaanmaking van de vermindering van de huurprijs aan de orde was, maar ook bij gegrondbevinding van de eerste incidentele grief de toewijzing van de vorderingen van Dille & Kamille en daarmee (impliciet) de mogelijkheid van een hogere huurprijs dan € 75,- per m2 per jaar, komt mij aldus bezien niet onjuist of onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd voor. 3.19 Anders dan het middel in subonderdeel II.1.5 aanvoert, bestaat er overigens naar mijn mening geen gevaar van tegenstrijdige uitspraken. De veroordelingen van de kantonrechter in reconventie zijn door het hof vernietigd, evenals de veroordelingen in conventie voor zover daarbij Aanleg is veroordeeld tot betalingen van huur. In conventie heeft het hof vervolgens Aanleg veroordeeld tot betaling van andere bedragen, in het bijzonder € 6.221,85 per kwartaal met ingang van 1 januari 2008 en € 6.868,33 per kwartaal met ingang van 1 juli 2008. Die bedragen gaan (deels) uit van een hogere huurprijs per m2 per jaar (exclusief BTW) dan de € 75,- waarvan de kantonrechter uitging. De situatie verschilt dus van het geval dat aan de orde was in het arrest van 30 maart 2012. De klacht van de subonderdelen II.1 t/m II.1.6 gaat naar mijn mening niet op. 3.20 Volgens subonderdeel II.2 is het hof buiten het petitum is getreden door het bedrag van € 13.243,62 integraal toe te wijzen. Blijkens de specificatie bij conclusie van repliek omvat dit bedrag mede te weinig betaalde huur over de periode januari tot en met juni 2007 ten belope van € 3.974,60 (inclusief rente tot aan 31 december 2007 € 4.196,40). In het petitum dat is geformuleerd in de akte houdende wijziging van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, op p. 17, wordt echter − voor zover in cassatie van belang − uitsluitend betaling gevorderd van de huurprijs (ad € 6.868,83) per kwartaal met ingang van 1 juli 2007 (subonderdelen II.2.1 en II.2.2). 3.21 Het hof overweegt in rov. 5.2, vierde volzin, dat uit de specificatie bij conclusie van repliek volgt dat de vordering op Aanleg per 31 december 2007 € 13.243,62 bedraagt. Uit de conclusie van repliek d.d. 25 juni 2008, nr. 5, blijkt hoe dit bedrag is bereikt. Over de eerste helft van 2007 is Aanleg nog een bedrag verschuldigd van € 3.974,60 (5 * 794,92 over de eerste helft van 2007, waarvoor uitstel van betaling was verleend). De wettelijke handelsrente over dit bedrag t/m december 2007 bedraagt € 221,80. Het totaal is € 4.196,40. Over de tweede helft 2007 is Aanleg een bedrag verschuldigd van twee maal de kwartaalhuur van € 6.943,98, vermeerderd met wettelijke handelsrente van € 387,51 en € 193,75 over het derde en het vierde kwartaalbedrag. Het totaal is € 14.469,22. Indien voornoemde bedragen worden opgeteld, ontstaat een totaalbedrag over 2007 van € 18.665,62. Dit bedrag is verrekend met de ingewonnen bankgarantie (€ 5.422), zodat over 2007 nog € 13.243,62 resteert. Het hof heeft vastgesteld dat Aanleg dit bedrag niet of onvoldoende heeft betwist (rov. 5.2, vijfde volzin). In cassatie is hiertegen geen klacht gericht, zodat (mede gezien het falen van de tot nu toe besproken klachten) van de verschuldigdheid ervan moet worden uitgegaan. Anders dan subonderdeel II.2.2 stelt, is geen sprake van een vermeende vordering. Ik teken hierbij wel aan, dat ik het gevorderde bedrag aan kwartaalhuur van € 6.943,98 niet heb kunnen relateren aan de andere bedragen ter zake van de huur; het middel bevat daarover evenmin informatie. 3.22 Het middel werpt de vraag op of de vordering van Dille & Kamille ruimte bood voor toewijzing van het bedrag van € 13.243,62. Blijkens het gewijzigde petitum in de akte houdende wijziging van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, vordert Dille & Kamille onder a “gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de huurprijs, zijnde van € 6.868,83 (…) per kwartaal met ingang van 1 juli 2007 (…).” Het middel gaat er terecht van uit dat het in cassatie nog gaat om deze vordering. De kantonrechter heeft betaling van de huur inderdaad toegewezen vanaf 1 juli 2007 (zij het voor een wat lager tarief per m2 gedurende een zekere periode). Het hof heeft de huur per kwartaal echter eerst toegewezen met ingang van 1 januari 2008 (voor een bedrag van € 6.221,85 – zie hierboven bij 3.16.2 − en met ingang van 1 juli 2008 voor een bedrag van € 6.868,83 per kwartaal). Het petitum van Dille & Kamille bood het hof dus nog ruimte om ook ter zake van de achterstallige huur van 2007 een bedrag toe te wijzen. Het hof heeft van deze ruimte gebruik gemaakt door ter zake van de achterstallige huur over 2007 het bedrag van € 13.243,62 toe te wijzen. Daarmee is het hof gebleven binnen de grenzen van het petitum (2 * 6.868,83 = 13.737,66). 3.23 Nu kan aan het middel worden toegegeven dat dit bedrag van € 13.243,62 beschouwd kan worden als de totale huurachterstand over 2007 die resteerde na het inroepen van de bankgarantie, dus ook voor de eerste helft van 2007. Van een onbegrijpelijke uitleg van het petitum is m.i. echter geen sprake. Daarvan zou veeleer sprake zijn geweest indien het hof de door het middel bepleite uitleg van het petitum had gevolgd. Ik begrijp het middel aldus, dat het bepleit dat het hof € 13.243,62 (saldo 2007) minus € 4.196,40 (ter zake van de eerste helft 2007), dus € 9.047,22 had mogen toewijzen (subonderdeel II.2.1 wijst er weliswaar op dat het bedrag van € 13.243,62 niet in het petitum voorkomt, maar blijkens subonderdeel II.2.2 gaat het om de toewijzing van het bedrag dat ziet op de eerste helft van 2007). Dat impliceert dat het totale bedrag van de ingeroepen bankgarantie (€ 5.422) volgens het middel zou moeten worden toegerekend aan de achterstallige huur over de tweede helft van 2007. Daarvoor bestaat echter geen aannemelijke verklaring. 3.24 De subonderdelen II.2.1 en II.2.2 dienen naar mijn mening te falen. De klacht van subonderdeel II.2.3 miskent dat het hof, anders dan de kantonrechter had gedaan, de verschuldigde kwartaalhuur niet vanaf 1 juli 2007 maar eerst vanaf 1 januari 2008 heeft toegewezen en voor 2007 een saldo van verschillende posten heeft toegewezen. Subonderdeel II.2.4 faalt in het verlengde van de vorige subonderdelen. 3.25 De veegklacht van onderdeel III bouwt voort op de eerdere onderdelen en faalt daarom ook. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Aldus de cassatiestukken. Het hof Amsterdam geeft in zijn arrest van 5 juni 2012 nog aan dat Dille & Kamille (Nederland) B.V. gevestigd is te Bleiswijk. Ik neem aan dat is bedoeld: in juli, ingaand augustus. Zie MvG nr. 12. Anders dan in de schriftelijke toelichting sub 13 wordt opgemerkt, kan uit de daar geciteerde passages niet worden afgeleid dat partijen het in eerste aanleg eens waren over, naar ik begrijp, het bestaan van een huurovereenkomst in 2005. Dille & Kamille heeft in eerste aanleg en in appel ontkend dat zij een toezegging heeft gedaan over de aanvang van de huur per augustus en aangevoerd dat de huur aanving op 1 januari 2006. Zie de conclusie van antwoord in reconventie d.d. 29 mei 2008, nr. 11; memorie van antwoord d.d. 7 september 2010, nrs. 2.5, 2.6, 2.8, 2.15. 275 * 75 = 20.625: 4 = 5.156,25. Noot 10 in de dagvaarding noemt een bedrag van € 5.165,25, maar dat berust op een kennelijke tikfout. 1.742,81 * 3 = 5.228,43. Vermeerderd met 19% BTW is dat 6.221,83. Dille & Kamille heeft in haar dagvaarding in eerste aanleg onder 3 gesteld dat dit het huurbedrag is na indexatie. Dat de kantonrechter met de formule ‘wijst het meer of anders gevorderde af’, ook bedoeld heeft een deel van de vordering ten aanzien van de huurachterstand ongemotiveerd af te wijzen, acht ik niet voor de hand liggend. Het middel doet er terecht ook geen beroep op. In dit kader wijs ik op de rechtspraak van uw Raad waarin is overwogen dat aanvulling van een uitspraak op de voet van art. 32 Rv ook kan plaatsvinden als het dictum van die uitspraak weliswaar een afwijzing van het “meer of anders” gevorderde bevat, maar de rechter tot de conclusie komt dat hij daarbij een (deel van) de vordering over het hoofd heeft gezien en die afwijzing daarop dan ook geen betrekking heeft. Vgl. HR 10 april 2009, ECL:NL:HR:2009:BH2465, NJ 2009/183. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 2012/122. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8514, NJ 2012/583 m.nt. H.B. Krans, JBPR 2012/42 m.nt. G.C.C. Lewin (Fafianie/KSN). De kantonrechter wees ook toe de vordering onder b, die zag op de niet in rekening gebrachte huur voor kelder 2 in 2006 en het saldo van factuur 0705007. In appel speelde deze vordering blijkens rov. 5.2, tiende en elfde volzin, geen rol meer. De overige vorderingen zien niet op betaling van de huur als zodanig.