Zaaknummer: 13/02785 (WSNP) mr. Wuisman Rolzitting: 6 september 2013 CONCLUSIE inzake: [verzoeker], verzoeker tot cassatie, advocaat: mr. K. Bingöl 1Voorgeschiedenis 1.1 Verzoeker tot cassatie is bij vonnis van 1 maart 2011 door de rechtbank ’s-Gravenhage – tezamen met zijn ex-partner/vriendin – tot de schuldsaneringsregeling toegelaten. De bewindvoerster heeft op 1 augustus 2012 een verzoek tot voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling bij de rechtbank ingediend, die dat verzoek bij vonnis van 21 december 2012 heeft toegewezen wegens schending door verzoeker tot cassatie van de op hem rustende verplichtingen om bewindvoerster van informatie te voorzien en om naar werk te solliciteren (artikel 350 lid 3 sub c Fw). Ieder van de tekortkomingen staat al aan voortzetting van de schuldsaneringsregeling in de weg, aldus de rechtbank. 1.2 Verzoeker tot cassatie komt van het vonnis van de rechtbank in appel bij het hof ’s-Gravenhage. Hij bestrijdt tekort te zijn geschoten in de nakoming van de door de rechtbank genoemde verplichtingen, althans dat het niet-nakomen van die verplichtingen aan hem zou zijn toe te rekenen. In dat verband voert hij – hier kort weergegeven – onder meer het volgende aan. Hoewel hij al 14 jaar in Nederland woont, is zijn kennis van de Nederlandse taal gebrekkig. Toen hij nog samenwoonde met zijn ex-partner/vriendin, regelde zij alle administratieve aangelegenheden. Na het uiteengaan medio april 2011 – wat te samen met een detentie van 20 dagen een ontwrichtend effect op zijn leven had – liet hij dat aan de gezinsmanager over die was aangesteld om het gezin te begeleiden. Brieven die hij ontving, stelde hij ongeopend in handen van de gezinsmanager. Deze communiceerde echter over de administratieve aangelegenheden niet met hem en ook niet, zo is gebleken, met bewindvoerster. Verder was hij zich niet ervan bewust dat op hem een sollicitatieverplichting rustte. Bewindvoerster heeft hem niet erop gewezen dat maandelijks een viertal sollicitaties diende te verrichten; zij vroeg pas in een brief van 8 februari 2012 om bewijzen betreffende sollicitatie-inspanningen zijnerzijds. Hij genoot bovendien een WWB-uitkering, in welk verband hij van de verplichting om te solliciteren was ontheven. 1.3 Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank bij arrest van 28 mei 2013. Het neemt het oordeel van de rechtbank over en voegt daaraan onder meer het volgende toe: - Het betoog van verzoekster tot cassatie dat hij niet op de hoogte was van zijn uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen, wordt verworpen. Als zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling hem niet duidelijk waren, had hij dat met de bewindvoerder en zijn hulpverleners moeten bespreken. Hij is onvoldoende actief geweest om zich over zijn verplichtingen te laten informeren (rov. 6.1). - Van redenen van medische aard dat hij niet zou kunnen werken is niet gebleken, ook niet in het kader van de WWB-uitkering. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat hij in staat tot werken was en gehouden was actief en aantoonbaar te solliciteren naar voltijds werk (rov. 6.2). - Gelet op het feit dat verzoeker tot cassatie bij herhaling door de bewindvoerder op zijn tekortkomingen is gewezen, acht het hof die tekortkomingen ook toerekenbaar. Zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn slechte beheersing van de Nederlandse taal en de verbreking van de relatie met zijn ex-partner, geven geen aanleiding tot een ander oordeel. Dat doet evenmin de omstandigheid dat verzoeker tot cassatie sinds het instellen van het hoger beroep wel sollicitatieoverzichten aan bewindvoerster verstrekt (rov. 7). - Het hof is er niet van overtuigd dat verzoeker tot cassatie bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling, met verlenging van de looptijd, zelfstandig in staat zal zijn aan zijn verplichtingen te voldoen. Niet is gebleken dat verzoeker tot cassatie zich inmiddels van voldoende hulp heeft voorzien bij de nakoming van zijn verplichtingen (rov. 7). 1.4 Verzoeker tot cassatie is met een op 5 juni 2013 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en daarmee tijdig van het arrest van het hof in cassatie gekomen. 2Bespreking van de cassatieklachten 2.1 De cassatieklachten die worden voorgedragen, worden eerst in 3.1, kort en kernachtig, weergegeven. Zij luiden: 1) ten onrechte heeft het hof geoordeeld en overwogen dat het niet-nakomen van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling aan verzoeker tot cassatie zijn toe te rekenen; 2) ten onrechte heeft het hof geoordeeld en overwogen dat niet gebleken is dat verzoeker tot cassatie zich inmiddels van hulp heeft voorzien bij de nakoming van zijn verplichtingen. De gronden voor deze klachten worden in 3.3 nader aangevoerd. Klacht 1 2.2 Artikel 350 lid 3, sub c Fw maakt het mogelijk om een schuldsaneringsregeling voortijdig te beëindigen, wanneer de schuldenaar een of meer van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren nakomt. De woorden ‘niet naar behoren’ zijn te verstaan als dat van het niet nakomen door de schuldenaar van zijn verplichtingen hem een verwijt is te maken. In zijn arrest van 12 juni 2009 beschrijft de Hoge Raad de te hanteren maatstaf als volgt: “(…) of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, de daar – [in artikel 351 lid 3, sub c FW] – genoemde gedragingen een duidelijke aanwijzing vormen dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt (vgl. HR 4 november 2005, nr. R04, NJ 2006, 135). Mede gelet op totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling en van de voorganger ervan, (…), ligt hierin besloten dat voor toepassing van de bedoelde opheffingsgronden vereist is dat de schuldenaar van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt” (rov. 3.3.2). 2.3 Ten betoge dat het hof ten onrechte van een hem toe te rekenen niet-nakomen van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling uitgaat, voert verzoeker tot cassatie aan, tot de kern teruggebracht, (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.