Nr. 11/04408 Zitting: 18 juni 2013 Mr. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte]
(4)velgen (Brock) met banden, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”
- Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen: “
- Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], teamassistent van politie Team Aalten-Dinxperlo, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1], genummerd PL0644/06-266068, gedateerd 21 april 2006, dossierpagina 15-17, voor zover inhoudende als verklaring van aangever, zakelijk weergegeven: Ik doe aangifte van inbraak. Ik huur een schuur die staat aan de [a-straat 1] te Aalten. In die schuur knap ik een auto op. Bij die auto heb ik een zeer speciaal motorblok. Dit motorblok heb ik helemaal zelf opgebouwd en is ook voorzien van chromen en gouden onderdelen. De dynamokoeler is bijvoorbeeld goud. Het motorblok hing in de schuur. Op 21 april 2006 werd ik gebeld door de verhuurder van de schuur dat er ingebroken was in de schuur. Ik ben naar de schuur gegaan en ik zag dat het motorblok was weggenomen. Verder zag ik dat de banden en de velgen van de auto ook weggenomen waren. De velgen waren van de maat 8x14 inch, merk brock type B 6 chroom. De banden en velgen heb ik destijds gekocht voor 1400 euro.
- De door verbalisant [verbalisant 1] voornoemd, opgemaakte goederenbijlage, genummerd PL0644/06-266068, gedateerd 21 april 2006, dossierpagina 18, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Benadeelde: [betrokkene 1] Soort: Velg Hoeveelheid: 4 stuks Waarde: 350.00 euro per stuk Totale waarde: 1400.00 euro Soort: Motorblok Type: G60 Merk: Volkswagen Hoeveelheid: 1 stuk Waarde: 5120 euro
- Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, genummerd 06/489, gedateerd 6 juni 2006, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Doorzoeking ter inbeslagneming gedaan op het adres [b-straat 1] te Winterswijk in het onderzoek tegen: Naam: [achternaam verdachte]Voornamen: [voornaam verdachte] Geboren op: [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] Woonplaats: [woonplaats] Adres: [b-straat 1] Door de rechter-commissaris zijn een aantal goederen in beslag genomen, te weten: - 4 autovelgen (glimmend) + banden - een motorblok (Volkswagen)
- Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Naam verdachte: [verdachte] Voorwerpen 1 1.00 STK Motorblok Kl:Beige Volkswagen G60 Onderdelen zijn verchroomd/verguld 2 4.00 STK Velg Kl: Goud Brock Inclusief wielen
- Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], genummerd PL0646/06-266103, gedateerd 15 mei 2006, dossierpagina 26-27, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven: Ik heb een advertentie op internet staan dat ik Volkswagenonderdelen zocht. Ik kreeg een telefoontje van ene [betrokkene 2] uit Ewijk dat hij een motorblok te koop had. Hij zei dat het een G60 was. [betrokkene 2] zei ook gelijk dat hij vier velgen voor me had. Hij heeft mij foto's van het blok en de velgen gemaild. Hij wilde in totaal 2200 euro hebben. Ik heb verder telefonisch met hem onderhandeld en we spraken een bedrag van 1500 euro af. Het motorblok en de velgen werden bij mij thuis bezorgd. Ik ben een automonteur. De bewijsmiddelen onder 1, 2 en 5 zijn als bijlage gevoegd bij het in de wettelijke vorm opgemaakt hoofdproces-verbaal, dossiernummer PL0644/06-205145, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3], agent van politie Team Winterswijk, gesloten op 4 juli
- Bewijsoverweging Het hof is van oordeel dat de discrepantie tussen de waarde van de goederen en de daarvoor door verdachte betaalde prijs dusdanig groot is, dat hij minst genomen had moeten vermoeden dat het door een misdrijf verkregen goederen betrof.”
- Het Hof heeft overwogen dat de discrepantie tussen de waarde van de goederen en de daarvoor door de verdachte betaalde prijs dusdanig groot is dat hij minstgenomen had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Dit oordeel gaat echter alleen op wanneer de verdachte van de waarde van de goederen op de hoogte had moeten zijn. Daaromtrent stelt het Hof echter niets vast. Dat klemt temeer omdat het in het onderhavige geval ging om tweedehands goederen en – voor zoveel uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid – een motorblok dat door de eigenaar zelf is opgebouwd en waarvan de waarde daarom niet eenvoudig kan worden afgemeten aan de waarde van een soortgelijk tweedehands motorblok in het algemeen . Bovendien heeft het Hof de waarde van het motorblok alleen gebaseerd op de opgave van de eigenaar terwijl de ervaring leert dat een eigenaar de waarde van zijn goederen nogal eens te hoog inschat.
- Nu kan het zijn dat verdachte als automonteur op de hoogte had moeten zijn van de werkelijke waarde van de door hem aangeschafte goederen, maar daaromtrent heeft het Hof niets vastgesteld.
- Het voorgaande betekent dat de voor schuldheling vereiste grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
- De middelen slagen.
- Ambtshalve merk ik op dat thans reeds meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is derhalve overschreden. Dit kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.
- Ambtshalve heb ik ook overigens geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, rov. 3.
- HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317, rov. 3.
- HR 17 december 1985, LJN AC9146, NJ 1986,
- Zie ook HR 24 november 2009, LJN BJ8631, NJ 2009, 608, HR 13 mei 2003, LJN AF5702, NJ 2003, 460 en HR 17 december 2002, LJN AF0625, NJ 2003, 177.