Nr. 11/03316 Zitting: 10 september 2013 Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 20 juli 2011 verdachte wegens 1. “Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en 3. “Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 486 dagen, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. 2. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (11/04206), waarin ik heden eveneens concludeer. 3. Namens verdachte heeft mr. M. Lochs, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. G. Spong, eveneens advocaat te Amsterdam, bij schriftuur zes middelen van cassatie voorgesteld. 4. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging op twee gronden de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging bepleit. Het Hof heeft die gronden verworpen en heeft het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaard in de vervolging. 5. Het eerste middel komt op tegen de motivering van de verwerping van het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op de eerste grond. 6. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat, primair, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en subsidiair, bewijsuitsluiting dient te volgen vanwege overschrijding van de redelijker termijn in samenhang met het frustreren van het ondervragingsrecht. In de kern weergegeven is daartoe aangevoerd dat vanwege de lange termijn die de procedure in beslag heeft genomen, de incompleetheid van het dossier en het feitelijk onthouden van stukken, alsmede het ontbreken van de mogelijkheid om de inhoud van verklaringen van getuigen te toetsen, het ondervragingsrecht is gefrustreerd hetgeen in strijd is met artikel 6 van het Europese verdrag voor de Rechten van de Mens. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De behandeling van de zaak heeft niet plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, nu het hof ruim acht maanden na het instellen van het hoger beroep de stukken ter griffie heeft ontvangen, en de berechting in hoger beroep vervolgens aanzienlijk veel langer heeft voortgeduurd dan het daarvoor geldende uitgangspunt van twee jaren. Het onderzoek in de onderhavige zaak is omvangrijk en complex van aard geweest, met meerdere medeverdachten, hetgeen er aan heeft bijgedragen dat de procedure langere tijd in beslag heeft genomen. De vertraging in de procedure is voorts mede veroorzaakt door de uitvoering van onderzoekswensen van de zijde van de verdediging. Hoewel ook de autoriteiten, waaronder de rechter-commissaris en het hof, in de zaak niet steeds de nodige voortvarendheid daarbij hebben betracht, is het hof van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet zodanig is dat deze dient t e leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Hoewel het gehele proces niet binnen een redelijke termijn is afgedaan, is het hof van oordeel dat het ondervragingsrecht van de verdediging daardoor niet in betekenende mate is geschonden. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn ten tijde van de procedure in eerste aanleg, ook door de verdediging, gehoord. De getuige [getuige 3] is ten tijde van de procedure in hoger beroep door de verdediging gehoord, maar daarmee is het ondervragingsrecht van de verdediging naar het oordeel van het hof niet in zodanige mate geschonden dat daaraan consequenties moeten worden verbonden zoals door de verdediging is gesteld. (…) In hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd ziet het hof alles overwegende derhalve geen reden om te concluderen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel tot uitsluiting van enig processtuk als bewijsmiddel. Het hof zal evenwel, indien het hof komt tot het bepalen van de strafmaat, de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn compenseren door hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.” 7. In de toelichting op het middel wordt eerst gesteld dat het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008, NJ 2008/358, ondanks dat daarin is gesteld dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie lijdt, nog wel de mogelijkheid open laat dat bij aantasting van het ondervragingsrecht (door de schending van de redelijke termijn) wél een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie kan volgen. De grondslag van de niet-ontvankelijkverklaring ligt dan niet primair in de overschrijding van de redelijke termijn, maar in de aantasting van het ondervragingsrecht a.b.i. art. 6 EVRM. In dergelijke gevallen geldt, aldus de steller van het middel, nog het zogeheten Zwolsmancriterium. 8. Of bedoeld arrest inderdaad die mogelijkheid open laat is maar zeer de vraag. Onder 3.11 van dat arrest overweegt de Hoge Raad immers: “Evenals de vergelijkbare regel van art. 14, derde lid aanhef en onder c, IVBPR beoogt het voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging zou moeten leven. Naast de bescherming die aldus aan de verdachte wordt geboden zijn er andere factoren die nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de preventieve werking die geacht wordt uit te gaan van berechting en bestraffing, de gerechtvaardigde belangen van het eventuele slachtoffer van het feit, en de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van - bijvoorbeeld - eventuele getuigen.” Om vervolgens onder 3.21 te overwegen: “Overschrijding van de redelijke termijn, waaronder dus de inzendingstermijn mede is begrepen, leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging onderscheidenlijk de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf (onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag) die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.” 9. Daarmee lijkt de Hoge Raad, anders dan de steller van het middel, geen onderscheid te maken tussen de verschillende factoren die nopen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken. Ook de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van - bijvoorbeeld - eventuele getuigen, valt daarmee naar het zich laat aanzien ‘gewoon’ onder de regel dat een schending van de redelijke termijn niet, ook niet in uitzonderlijke gevallen, leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging. Dat in dergelijke gevallen het Zwolsmancriterium van toepassing is, zie ik evenmin, nu dat ziet op een schending van vormverzuimen in het vooronderzoek en daarvan hier geen sprake is. 10. In het vervolg van het middel komt de steller van het middel op deze problematiek niet meer terug en wordt verder (enkel) geklaagd dat het oordeel van het Hof dat het ondervragingsrecht van de verdediging door de redelijke termijn overschrijding niet in betekenende mate is geschonden en/of niet in zodanige mate dat daaraan consequentie moeten worden verbonden zoals door de verdediging is gesteld, in ieder geval voor wat betreft de bepleite bewijsuitsluiting, niet (zonder meer) begrijpelijk is. De enkele omstandigheid dat de betrokken getuigen zijn gehoord, is, volgens de steller van het middel, niet voldoende voor het oordeel dat onder de geven omstandigheden desalniettemin sprake is geweest van een effectief ondervragingsrecht. 11. Dat geen sprake zou zijn geweest van een effectief ondervragingsrecht is in feitelijke aanleg gesteld noch gebleken. Van de zijde van de verdediging is enkel aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen te lijden hebben gehad onder het tijdsverloop, waardoor het ondervragingsrecht van de verdediging zou zijn geschonden. Het Hof heeft niet vastgesteld dat er géén sprake is van schending van het ondervragingsrecht, doch heeft geoordeeld dat de schending van het ondervragingsrecht niet in een zodanige mate is geschonden dat dit dient te leiden tot de door de verdediging bepleite consequenties. Gelet op de motivering die het Hof daaraan ten grondslag heeft gelegd, te weten dat [getuige 1] en [getuige 2] ten tijde van in eerste aanleg, ook door de verdediging, zijn gehoord (en dus nog voordat zich enige schending van de redelijke termijn heeft voorgedaan, terwijl de verdediging [getuige 3] ten tijde van de procedure in hoger beroep heeft kunnen horen, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. 12. Het eerste middel faalt. 13. Ook het tweede middel, dat opkomt tegen de motivering van de verwerping van de tweede grond, faalt. Het betreden arrest houdt met betrekking tot bedoelde tweede grond, het volgende in: “Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het appel, nu de door de officier van justitie ingediende schriftuur niet voldoet aan de eisen van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op grond van artikel 410, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dient het openbaar ministerie binnen 14 dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur houdende grieven in te dienen. Naar het oordeel van het hof en overeenkomstig de stelling van de verdediging voldoet de door de officier van justitie in de onderhavige zaak ingediende appelmemorie niet aan voornoemde eisen, nu deze memorie niet is ge(dag)tekend en voor wat betreft de grieven slechts verwijst naar het requisitoir dat ter terechtzitting in eerste aanleg is voorgedragen. Het hof stelt voorts vast dat de tekortkoming niet door het openbaar ministerie is hersteld voor de terechtzitting in hoger beroep. Er is immers niet alsnog een schriftuur houdende grieven (op de juiste wijze) ingediend. Ook is door de advocaat-generaal geen verklaring opgegeven voor het verzuim. Op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het hof, indien geen schriftuur houdende grieven als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is ingediend, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het hof heeft daaromtrent het volgende overwogen. Hoewel een verwijzing naar het requisitoir van eerste aanleg niet kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven, zijn de standpunten van het openbaar ministerie die in het requisitoir zijn verwoord vanaf het instellen van het hoger beroep kenbaar bij de verdediging. Voorts heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep - in tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank - gerequireerd tot een bewezenverklaring voor elk van de feiten op de tenlastelegging. Het belang van een inhoudelijke behandeling van de zaak ten aanzien van het onder 1 en 4 tenlastegelegde, is naar het oordeel van het hof van aanzienlijk maatschappelijk belang, gelet op de inhoud van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt. Het deelnemen aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft om drugs binnen het grondgebied te brengen is een ernstige gedraging waartegen de maatschappij dient te worden beschermd, mede gelet op de schade die drugs toebrengen aan de volksgezondheid. Tevens brengt de handel in drugs veelal verschillende vormen van criminaliteit met zich mee. Het maatschappelijk belang om de feiten inhoudelijk te behandelen staat naar het oordeel van het hof in de weg aan het sanctioneren van het verzuim door het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren van het hoger beroep. Het verweer wordt verworpen.” 14. Zoals het Hof terecht opmerkt bevat art. 416, derde lid, Sv niet meer dan een bevoegdheid om bij het ontbreken van een appelschriftuur van de zijde van het Openbaar Ministerie, het Openbaar Ministerie tot niet-ontvankelijk te verklaren. In de rechtspraak van de Hoge Raad is de nadere uitleg van de genoemde bepaling als volgt: “De beantwoording van de vraag of het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van de niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om een appelschriftuur in te dienen, is in hoge mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst (vgl. HR 2 februari 2010, LJN BK0910, NJ 2010/88, rov. 2.7.2).” 15. Blijkens de hiervoor onder 5 weergegeven overweging heeft het Hof diens oordeel dat in het onderhavige geval het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van de niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om een appelschriftuur in te dienen gestoeld op de omstandigheid (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.