13/01492 mr. J. Spier Zitting 13 september 2013 (bij vervroeging) Conclusie inzake E.on Benelux N.V. (hierna: E.
(2012)nr. 350; mogelijk omdat de tekst niet helemaal duidelijk is. Voor de goede orde: ’s Hofs arrest is mee-gewezen door mr. Salomons. In de zojuist genoemde Asser/Wansink c.s. nr 350 wordt geen kenbaar onderscheid gemaakt al naargelang de lengte van de vervaltermijn. Ongewis is of dit betekent dat dit er volgens de auteurs niet toe doet, of ze het probleem niet onder ogen hebben gezien of dat ze het te onbelangrijk vonden om aandacht aan te schenken. Zie over de vraag of het beroep van een verzekeraar op een vervaltermijn van vijf jaar (vanaf het moment van ‘het voorval’) onder omstandigheden onaanvaardbaar moet worden geacht, bijvoorbeeld Rb. Amsterdam 10 maart 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM3907, RAV 2010/77, rov. 4.5-4.7 (het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid werd hier verworpen). Vgl. voorts de jurisprudentie zoals vermeld door Hondius, losbladige Verbintenissenrecht, art. 6:237 BW, aant. 40 t/m 42 en verder bijv. Hof Amsterdam 22 juni 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:BD2291, S&S 2008/55, rov. 3.13-3.
- Zie in dit verband ook A.J. Verheij, Waarschuwen voor termijnen; pleidooi voor een informatieplicht met betrekking tot verjarings- en vervaltermijnen (oratie Groningen)
- Verheij pleit in zijn oratie voor aanvaarding van een verdergaande informatieplicht. De verdedigde informatieplicht lijkt in het onderhavige geval echter niet tot een ander resultaat te leiden; dit met name omdat E.on een grote en professionele partij is die zich, nu de kwestie van de vervaltermijn besproken is met haar tussenpersoon, ook bewust behoorde te zijn van de mogelijke gevolgen van een eventueel beroep op het vervalbeding. Zie de TM, PG boek 3 p. 923; de voorgestelde termijn was toen nog 3 jaar; PG boek 3 Inv. p. 1408/
- E.on vordert in dit geding, kort gezegd, dat Verzekeraars veroordeeld worden tot betaling van € 7.779.783,91 met enkele nevenvorderingen (zie hierboven, onder 2.1). Het Hof heeft deze vordering afgewezen op de grond dat het beroep van Verzekeraars op het vervalbeding gehonoreerd dient te worden. Een verklaring voor recht is in dit geding niet gevorderd. Zie in deze zin ook de schriftelijke toelichting van Verzekeraars, p. 45 (onder 20.1). Zie de door het onderdeel genoemde stellingen van E.on zoals deze te vinden zijn in de memorie van grieven, p. 36 t/m 38, par. 11.5.1 t/m 11.5.
- Als het Hof niet van die uitleg is uitgegaan, dan heeft het Hof met zijn oordeel in rov. 16 t/m 21 ook geen uitsluitsel gegeven over de vraag of de schade gedekt is onder de polis. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435, NJ 2006/326 en HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, NJ 2008/284 rov. 3.4.
- Zie ook mijn conclusie voor HR 7 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ5359 onder 3.27.
- Zie de volgende arresten over uitleg waarbij de zogenaamde cao-maatstaf van toepassing is: HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493 C.E. du Perron rov. 4.4; HR 2 april 2002, ECLI:NL:HR:2004:AO3857, NJ 2005/495 rov. 3.3; HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9621, NJ 2010/546 rov. 3.4 en HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9889, NJ 2012/142 rov. 3.5.
- Hun eerdere betoog wordt geciteerd in hun s.t. onder 21.
- S.t. onder 21.17 met verdere verwijzingen. Hetgeen de repliek van E.on daarover opmerkt onder 17 gaat m.i. voorbij aan het betoog van Verzekeraars.