12/04574 mr. Van Peursem Zitting 4 oktober 2013 Conclusie inzake: [verzoeker] h.o.d.n. [A] (hierna: [verzoeker]) verzoeker tot cassatie tegen
(2005), nr. 137, p. 293 en Asser, Civiele cassatie, 2011, p. 99. Vgl. Van Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen, 1999, par. 13.5 en Van Rijn: Staatsrecht 2: De Nederlandse Antillen, in: Duinkerken/Loth (red.), Inleiding tot het Nederlands-Antilliaans recht, 1997, p. 68. Van Rijn, Staatsrecht 2: De Nederlandse Antillen, in: Duinkerken/Loth (red.), Inleiding tot het Nederlands-Antilliaans recht, 1997, p. 68. Van Rijn, Staatsrecht 2: De Nederlandse Antillen, in: Duinkerken/Loth (red.), Inleiding tot het Nederlands-Antilliaans recht, 1997, p. 69 en Van Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen, 1999, par. 13.5. De uitzondering betreft art. 137 Staatsregeling dat ziet op het in staat van oorlog of in staat van beleg verklaren van de Nederlandse Antillen of een gedeelte ervan. Van der Pot/Elzinga/De Lange m.m.v. Hoogers, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, 2006, p. 677-678. Rogier, Beginselen van Caribisch Staatsrecht, 2012, p. 170 geeft voor het staatsrecht van de Caribische landen van het Koninkrijk na 10 oktober 2010 aan dat deze “grondwettelijke delegatieterminologie (…) is gebaseerd op de Nederlandse Grondwet van 1983, (…) (
- en)er geen reden (
- is)om te veronderstellen dat de doctrine in de Caribische landen van het Koninkrijk daarvan zou afwijken. Wanneer de staatsregelingen bepalen dat iets bij of krachtens een landsverordening kan worden geregeld is er wel delegatie mogelijk. Ook wanneer (een) staatsregeling spreekt van regel of regeling of een vervoeging van het werkwoord regelen is delegatie mogelijk. In alle andere gevallen is delegatie uitgesloten.” Dit lijkt mij evenzeer op te gaan voor de periode voorafgaand aan 10 oktober 2010. Weliswaar geeft Van Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen, 1999, par. 13.9, p. 314, aan dat de (oude) Staatsregeling anders dan de Nederlandse Grondwet geen vaste terminologie hanteert, maar wel dat delegatiebevoegdheid kan worden afgeleid uit het hanteren van de terminologie “bij of krachtens landsverordening” of door gebruik van het werkwoord “regelen” of het zelfstandig naamwoord “regel(s)”. Van Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen, 1999, par. 13.9, i.h.b. p. 314. Van Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen, 1999, par. 13.9, i.h.b. p. 314. Zie Vlemminx, de Grondwet, Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 2000, art. 19 Gw, p. 224-226. Rogier, Beginselen van Caribisch Staatsrecht, 2012, hfst. 8, par. 4, p. 115-117. Zie ook Van der Pot/Elzinga/De Lange m.m.v. Hoogers, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, 2006, p. 677-678. Dat geldt ook voor de identieke Nederlandse regeling van art. 19 lid 2 Gw. Zie Bunschoten 2009, (T&C Grondwet), art. 19, aant. 3: “Lid 2 bevat een blanco-opdracht aan de wetgever regels – delegatie is mogelijk – te stellen inzake de daar genoemde onderwerpen” en Vlemminx, de Grondwet, Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, 2000, art. 19 Gw, p. 225: “De term ‘regels’ impliceert dat delegatie is toegestaan”. De twijfel, die nog zou kunnen bestaan, nu in de staatsregeling niet de frase “bij of krachtens” maar alleen “bij” wordt gebruikt, wordt mijns inziens weggenomen door deze parallel met de Nederlandse Grondwet en de eensluidende commentaren op die bepaling. Beslissend is het gehanteerde begrip “regels”. Vgl. Rogier, Beginselen van Caribisch Staatsrecht, 2012, hfst. 13, par. 4 en 5. Vgl. HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0837, NJ 1993, 218; HR 3 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AD3295, NJ 1987, 911 m.nt. MS; HR 22 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AD2208, NJ 1973, 386 (fluorideringsarrest): “dat de toevoeging van stoffen aan het drinkwater teneinde daarmee een geheel buiten de eigenlijke drinkwatervoorziening gelegen doel te dienen daarom een maatregel is van zo ingrijpende aard dat, zonder wettelijke grondslag, niet kan worden aangenomen dat een waterleidingbedrijf daartoe bij de vervulling van de hem in art. 4 lid 1 van de Wet opgedragen taak de vrijheid heeft; dat echter noch in de tekst van de wet noch in de wetsgeschiedenis enige aanwijzing is te vinden voor de stelling dat de wetgever de waterleidingbedrijven deze vrijheid heeft willen geven.”. Zie voorts Van Rijn, Staatsrecht van de Nederlandse Antillen, 1999, par. 13.9, i.h.b. p. 315-316. HR 22 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AD2208, NJ 1973, 386. Memorie van toelichting bij deze regeling, p. 4. Memorie van toelichting bij deze regeling, p. 3 en p. 4. Dat deze situatie nog steeds actueel is volgt uit de indiening van de Landsverordening tot wijziging van de regels ten aanzien van de arbeidsovereenkomsten die voor bepaalde tijd zijn aangegaan (Landsverordening kortlopende contracten), waarbij in feite de tekst van art. 6 lid 1 Landsbesluit als art. 7 lid 3 in de Landsverordening wordt neergelegd. In de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel (p. 8) staat vermeld dat de verontrustende geluiden over exploitatie van uitzendkrachten tegen abominabel lage salarissen onaanvaardbaar zijn en dat gedetacheerde arbeidskrachten in veel gevallen minder krijgen uitbetaald dat hun collega’s in directe dienst bij het inlenende bedrijf terwijl er geen fundamenteel verschil bestaat in het te verrichten werk. HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0837, NJ 1993, 218. Zie ook HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0355, NJ 2004, 99. Rogier, Beginselen van Caribisch Staatsrecht, 2012, hfst. 14, par. 2. Het wetsvoorstel is op dit moment nog in behandeling.