12/05082 Mr. F.F. Langemeijer 13 september 2013 Conclusie inzake: [de vrouw] tegen [de man] In deze familiezaak is vervangende toestemming tot erkenning van een kind verleend (art. 1:204 lid 3 BW). In cassatie komt de moeder tegen dit oordeel op. Daarnaast gaat het om de kosten van een DNA-onderzoek. 1De feiten en het procesverloop 1.1. Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (hierna: de man) hebben een affectieve relatie gehad. Uit de vrouw is op [geboortedatum] 2008 een dochter geboren. 1.2. Bij verzoekschrift d.d. 19 februari 2009 heeft de man vervangende toestemming verzocht om de dochter als zijn kind te erkennen. Tevens verzocht hij de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen. Bij beschikking van 26 maart 2009 heeft de rechtbank op de voet van art. 1:212 BW een bijzondere curator benoemd. 1.3. De bijzondere curator heeft gesteld dat de vrouw aanvankelijk had ontkend dat de man de vader was. De bijzondere curator verzocht de rechtbank eerst een (DNA-)onderzoek naar de biologische afstamming te gelasten en indien daaruit blijkt dat de man de verwekker is, het verzoek van de man toe te wijzen. 1.4. De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij stelde dat de man de verwekker moet zijn geweest. Zij had inhoudelijk bezwaar tegen de voorgenomen erkenning en tegen de verzochte omgangsregeling. Wat betreft het voorgestelde DNA-onderzoek heeft zij ter zitting aan de rechtbank medegedeeld dat zij niet in staat was de kosten daarvan te dragen. 1.5. Bij tussenbeschikking van 14 september 2009 heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast. Met betrekking tot de kosten van dit onderzoek overwoog de rechtbank dat deze voorshands dienen te worden gedragen door de man, als de partij die het inleidend verzoek heeft ingediend. Indien uit het deskundigenonderzoek blijkt dat de man de verwekker is, zullen de kosten van het DNA-onderzoek ten laste van de vrouw worden gebracht (blz. 3 Rb). 1.6. Uit het rapport van het DNA-onderzoek is gebleken dat de man met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is. Bij tussenbeschikking van 17 mei 2010 heeft de rechtbank de Raad voor de kinderbescherming verzocht onderzoek te doen naar het belang van de dochter bij een erkenning door de man. Daarbij zou tevens aandacht dienen te worden gegeven aan de psychische toestand van de man en de vrouw, waarop de vrouw zich mede had beroepen. Voorts zou moeten worden onderzocht of het belang van de dochter zich tegen de verzochte regeling van het periodiek contact met de man verzet. 1.7. In zijn rapport van 9 maart 2011 heeft de Raad voor de kinderbescherming geconcludeerd dat het belang van de dochter zich niet tegen een erkenning door de man verzet. De raad achtte het in het belang van de dochter dat periodiek contact tussen haar en de man kan plaatsvinden, zij het op een veilige manier. 1.8. Bij beschikking van 20 juni 2011 heeft de rechtbank de verzochte vervangende toestemming tot erkenning verleend. Voorts heeft zij bepaald dat de dochter eenmaal per maand gedurende een uur op zaterdag of zondag, bij de vrouw thuis althans op een door de vrouw aan te wijzen locatie, bij de man zal zijn. De rechtbank veroordeelde de vrouw in de kosten van het DNA-onderzoek ten bedrage van € 700,-, die op de voet van art. 199 Rv in debet waren gesteld. 1.9. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage tegen de tussenbeschikking van 14 september 2009 en tegen de eindbeschikking. Zij verzocht de beide verzoeken van de man af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van het DNA-onderzoek. De man heeft verweer gevoerd en incidenteel hoger beroep ingesteld m.b.t. de duur van het contact. De bijzondere curator nam het standpunt in dat het verlenen van de verzochte vervangende toestemming in het belang is van de dochter. 1.10. Het hof heeft bij tussenbeschikking van 22 februari 2012 om de daar genoemde reden een hernieuwd onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming noodzakelijk geacht. In zijn rapport van 2 mei 2012 heeft de Raad voor de kinderbescherming het hof geadviseerd het verzoek van de man m.b.t. de toestemming tot erkenning toe te wijzen. De Raad adviseerde de behandeling van het verzoek tot het vaststelling van een contactregeling voor 9 maanden aan te houden om de ouders gelegenheid te geven hulp in te roepen. 1.11. Bij beschikking van 1 augustus 2012 heeft het hof de beroepen beschikking vernietigd voor wat betreft de vastgestelde contactregeling. In zoverre opnieuw rechtdoende, heeft het verzoek van de man om vaststelling van een contactregeling afgewezen als onverenigbaar met zwaarwegende belangen van de dochter. Dat oordeel, in rov. 11 - 12, is in cassatie niet bestreden. Voor het overige heeft het hof de beroepen beschikking bekrachtigd. Met betrekking tot de verzochte toestemming om de dochter te erkennen overwoog het hof in rov. 8 - 10 dat de vraag dient te worden beantwoord of de voorgenomen erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden. Van schade aan de belangen van een kind is slechts sprake indien ten gevolge van de erkenning er voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichte sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Volgens het hof zijn de omstandigheden die de vrouw heeft aangevoerd onvoldoende zwaarwegend om tot die conclusie te komen. 1.12. Met betrekking tot de kosten van het DNA-onderzoek overwoog het hof: “14. De vrouw is van mening dat zij ten onrechte in de kosten van het DNA-onderzoek is veroordeeld, nu zij reeds in haar eerste processtuk heeft aangegeven dat de man de verwekker van de minderjarige is. Verder stelt de vrouw dat het aan de man - als verzoeker in eerste aanleg - is om bewijs te leveren van zijn stelling dat hij de verwekker van de minderjarige is. 15. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft aanvankelijk tegenover de bijzondere curator met stelligheid ontkend dat de man de verwekker is van de minderjarige. Zij veronderstelde dat haar partner de biologische vader van de minderjarige was. Niet eerder dan bij het indienen van haar verweerschrift in eerste aanleg is door de vrouw aangegeven dat de man de verwekker van de minderjarige is. Door deze handelwijze van de vrouw is onduidelijkheid ontstaan over het vaderschap van de man en de noodzaak van een DNA-onderzoek ontstaan. Het is aldus de vrouw zelf geweest die aanleiding heeft gegeven een DNA-onderzoek te laten uitvoeren, op grond waarvan de vrouw dan ook gehouden is de kosten van het deskundigenonderzoek te dragen. Het hof zal het verzoek van de vrouw in hoger beroep ter zake van de onderzoekskosten derhalve afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.” 1.13. Namens de vrouw is – tijdig – beroep in cassatie ingesteld. De man heeft in cassatie verweer gevoerd. De bijzondere curator, ofschoon daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft geen verweerschrift ingediend. 2Bespreking van het cassatiemiddel 2.1. Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen de toestemming tot erkenning. Onderdeel 2 betreft de veroordeling van de vrouw in de kosten van het DNA-onderzoek. 2.2. Onderdeel 1 klaagt dat het oordeel dat de aangevoerde omstandigheden niet de gevolgtrekking rechtvaardigen dat erkenning in strijd is met het belang van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of met de belangen van de minderjarige zelf, niet of onvoldoende is gemotiveerd. De klacht is nader uitgewerkt in een aantal deelklachten. 2.3. Het middelonderdeel bestrijdt niet de door het hof gebezigde maatstaf. Ingevolge art. 1:204 lid 3 BW kan de toestemming van de moeder voor erkenning van het kind, op verzoek van de man die het kind wil erkennen door de toestemming van de rechtbank worden vervangen indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zal schaden en de man de verwekker is van het kind. Daarbij dienen de belangen van het kind, de moeder en de man te worden afgewogen, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat het kind en de man in beginsel er recht op hebben dat hun relatie rechtens als een familierechtelijke betrekking wordt erkend. Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Het hof heeft deze maatstaf terecht vooropgesteld. Anders dan het cassatierekest onder 1.11 - 1.13 veronderstelt, behoefde het hof de andere, in dit verband door de vrouw genoemde jurisprudentie niet uitdrukkelijk te bespreken. 2.4. Ten behoeve van de te verrichten belangenafweging had het hof aan de Raad voor de kinderbescherming de volgende vragen gesteld: “1. In hoeverre leidt de bij de man gediagnosticeerde schizofrenie bij erkenning van de minderjarige door de man tot reële risico’s dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtig sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling? 2. In hoeverre brengt erkenning van de minderjarige door de man, gelet op de aanwezigheid van de psychische klachten van de vrouw, het risico met zich mee dat de verhouding van de vrouw met de minderjarige zal worden verstoord? 3. Zijn er overigens nog bijzonderheden te vermelden die in dit kader van belang zijn?” De klacht in het cassatierekest onder 1.3 en 1.4 houdt in dat het hof niet of onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het accepteert dat de Raad in zijn onderzoeksrapport deze door het hof geformuleerde vragen niet heeft beantwoord. 2.5. Deze klacht mist feitelijke grondslag. De Raad heeft een zevental onderzoeksvragen geformuleerd en vermeldt dat de specifieke vragen die het hof in zijn tussenbeschikking had geformuleerd daarin worden meegenomen in de beantwoording van de door de raad geformuleerd onderzoeksvragen. De Raad heeft op de aldaar aangegeven gronden geconcludeerd dat de verzochte erkenning in het belang van de minderjarige te achten is en dat de Raad in de ziekte van de man geen belemmering ziet voor de erkenning (vraag 1 van het hof). Verder vermeldt het advies dat, ondanks de spanning bij de moeder, de goede band tussen de moeder en de minderjarige door de erkenning niet zal veranderen (vraag 2 van het hof). 2.6. De vrouw klaagt voorts dat het hof in dit verband is voorbijgegaan aan haar stellingen omtrent de psychische gesteldheid van de man en van haarzelf (cassatierekest onder 1.2, 1.5 en 1.6) en aan haar Hindoestaanse achtergrond (onder 1.14). 2.7. Het hof heeft hetgeen de vrouw heeft gesteld omtrent de psychische problematiek van partijen uitdrukkelijk in zijn beoordeling betrokken, blijkens rov. 4 van de tussenbeschikking. In het onderzoeksrapport is uitvoerig stilgestaan bij de psychische ziekte van de man en de beweerde psychische (traumatische) gesteldheid van de vrouw. Het hof heeft dit rapport mede aan zijn beslissing ten grondslag gelegd. In rov. 10 van zijn eindbeschikking overwoog het hof dat de door de vrouw genoemde omstandigheden onvoldoende zwaarwegend zijn om tot de conclusie te komen dat de erkenning in strijd is met het belang van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of het belang van de minderjarige zal schaden. Dat oordeel heeft het hof, in het vervolg van die overweging en gelezen in het licht van het onderzoeksrapport, voldoende gemotiveerd. Dat het hof in dit verband geen bijzondere motivering heeft gewijd aan de Hindoestaanse achtergrond van de vrouw, is niet onbegrijpelijk. In het middel is trouwens niet aangegeven waarom deze achtergrond het hof tot een ander oordeel over de toestemming tot erkenning had moeten brengen. 2.8. Verder houdt de klacht in dat het hof onvoldoende blijk heeft gegeven van zijn afweging van de belangen van de minderjarige, noch van onderzoek naar de vraag of er reële risico’s zijn dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling (cassatierekest onder 1.7). In het bijzonder zou het hof hebben miskend (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.