12/04711 Mr. F.F. Langemeijer 4 oktober 2013 Conclusie inzake: [de man] tegen [de vrouw] In deze zaak, over de afwikkeling van een huwelijksgoederengemeenschap, wordt geklaagd over een reken- of redeneerfout in de beslissing van het hof. 1De feiten en het procesverloop 1.1. Partijen zijn in 1993 te Caïro met elkaar gehuwd. Zij wonen in Nederland. Bij beschikking van 27 november 2000 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage de echtscheiding tussen hen uitgesproken en de verdeling bevolen van hun huwelijksgoederengemeenschap. De echtscheiding is op 5 maart 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 1.2. In het onderhavige geding, aangevangen op 8 mei 2002, vorderen partijen over en weer een bepaalde wijze van verdeling van de ontbonden goederengemeenschap. Het geschil betreft onder meer de omvang van die gemeenschap. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 september 2003 feiten vastgesteld en aan partijen nadere inlichtingen gevraagd. Bij eindvonnis van 30 juni 2004 heeft de rechtbank de verdeling, voor zover in cassatie nog van belang, vastgesteld als volgt (zie rov. 8 Rb): a. aan de vrouw wordt toegescheiden: - de voormalige echtelijke woning (rov. 5 Rb) € 134.800,- - de hypotheekschuld op 5 maart 2001 (rov. 6 Rb) € 111.176,15 neg. - de spaarwaarde op 5 maart 2001 (rov. 6 Rb) € 6.500,- - een leenschuld Postbank op 5 maart 2001 (rov. 3.12 Rb) € 21.950,99 neg. Per saldo aan de vrouw: € 8.172,86. b. aan de man wordt toegescheiden: - het appartement in Egypte (rov. 7 Rb) € 17.474,13. c. Bijgevolg dient de man wegens overbedeling een bedrag van € 4.650,63 aan de vrouw te voldoen. 1.3. De man heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage. De vrouw heeft incidenteel geappelleerd. Bij tussenarrest van 31 augustus 2010 heeft het hof onder meer vastgesteld dat het huwelijksgoederenregime van partijen wordt beheerst door Nederlands recht (rov. 1). Als (positief) deel van de gemeenschap heeft het hof ook het spaarloon van de vrouw in de verdeling betrokken, voor een bedrag van € 2.320,27 (rov. 11). Verder heeft het hof nog een restschuld van de vrouw aan [betrokkene], op 5 maart 2001 groot € 15.727,36, als te verdelen gemeenschapsschuld aangemerkt (rov. 13). Ten aanzien van de leenschuld bij de Postbank, zijnde een gemeenschapsschuld, heeft het hof beslist dat na de ontbinding van het huwelijk de man hierop € 4.282,86 heeft afgelost en de vrouw € 4.832,97 en dat de vrouw na een schikking met de Postbank € 18.500,- heeft betaald (exclusief kosten). Daarmee heeft de vrouw meer dan de helft van die schuld voor haar rekening genomen. Dit leidt ertoe dat haar te dier zake € 9.525,06 toekomt ten laste van de man (rov. 10). Over de waarde van het appartement in Egypte heeft het hof partijen om inlichtingen gevraagd. 1.4. Bij arrest van 29 mei 2012 heeft het hof, in afwijking van de rechtbank, de waarde van het appartement in Egypte gesteld op € 31.000,- (rov. 1 - 6). 1.5. Per saldo kwam het hof tot de volgende verdeling: a. aan de vrouw wordt toegescheiden: - de voormalige echtelijke woning € 134.800,- - de hypotheekschuld op 5 maart 2001 € 111.176,15 neg. - de spaarwaarde op 5 maart 2001 € 6.500,- - het spaarloon van de vrouw op 5 maart 2001 € 2.320,27. b. aan de man wordt toegescheiden: - het appartement in Egypte (gewijzigde waarde) € 31.000,-. 1.6. Volgens het hof bedraagt de waarde van de aan de vrouw toegedeelde goederen per saldo € 10.493,13 en moet het aan de man toegedeelde appartement voor € 31.000,- in de verdeling worden betrokken, zodat de man is overbedeeld met een bedrag van € 10.253,44 (rov. 10). Dienovereenkomstig heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en, na de nodige vaststellingen, de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 10.253,44 ten titel van overbedeling en tot betaling aan de vrouw van haar vergoedingsvordering ad € 9.525,06. 1.7. De man heeft − tijdig − beroep in cassatie ingesteld tegen het tussenarrest en het eindarrest. De vrouw heeft, na aanvankelijk te hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep, uiteindelijk zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. 2Bespreking van de cassatiemiddelen 2.1. Middel 1, onderverdeeld in de onderdelen a, b en c, houdt zakelijk weergegeven in dat het hof zich heeft vergist bij de vaststelling van het bedrag van de overbedeling. De klachten concentreren zich rond de afwikkeling van de leenschuld aan de Postbank, die na de peildatum (5 maart 2001) is afgelost. 2.2. De hierboven onder 1.5 samengevatte toedeling brengt mee dat de vrouw werd overbedeeld: zij ontving in de redenering van het hof goederen (a -
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.