12/02881 mr. Keus Zitting 13 september 2013 Conclusie inzake [de vrouw] (hierna: de vrouw) verzoekster tot cassatie advocaten: mr. J. van Duijvendijk-Brand en mr. I.C. Blomsma tegen [de man] (hierna: de man) verweerder in cassatie advocaat: mr. M.E. Bruning Het gaat in deze zaak in het bijzonder om de vraag of de alimentatieplicht van de man op grond van art. 1:160 BW is geëindigd.
(2)elders woonruimte had kunnen huren, ziet het hof volgens het onderdeel eraan voorbij dat een bijstandsaanvraag niet (zonder meer) zal worden gehonoreerd als er sprake is van een onderhoudsverplichting van een ex-echtgenoot die niet wordt nagekomen en ter zake waarvan de onderhoudsgerechtigde geen poging heeft ondernomen om tot inning daarvan over te gaan. De mogelijkheid om elders woonruimte te huren was (en is) daarmee voor de vrouw de facto onmogelijk. Volgens het onderdeel is de opmerking dat de vrouw ook bij haar moeder of zus had kunnen gaan wonen, buiten de orde, terwijl de conclusie die het hof daaraan heeft verbonden, te weten dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet de intentie had om haar verblijf tijdelijk te doen zijn, onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is. Bovendien heeft het hof, nog steeds volgens het onderdeel, eraan voorbijgezien dat niet op de vrouw de stelplicht (en bewijslast) rust(en), maar op de man. In die zin getuigt het hof ook van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het onderdeel. 3.20 Met het bestreden oordeel heeft het hof gerespondeerd op de stelling van de vrouw “dat zij om financiële redenen min of meer gedwongen is geweest om langer bij [betrokkene 1] te verblijven”. Volgens het hof faalt deze stelling op twee (zelfstandig dragende) gronden: in de eerste plaats had de vrouw een bijstandsuitkering kunnen aanvragen en elders woonruimte kunnen huren, in de tweede plaats had de vrouw evenzeer de mogelijkheid om bij haar moeder of haar zus te verblijven. De eerste mogelijkheid is tijdens de behandeling ten overstaan van het hof op 2 februari 2012 door de advocaat van de man aan de vrouw tegengeworpen (proces-verbaal, p. 2), kennelijk zonder dat de vrouw die mogelijkheid toen heeft weersproken. Hetgeen de vrouw thans tegen die mogelijkheid aanvoert, is een novum waarvoor in cassatie geen plaats is. De tweede mogelijkheid staat volgens het hof als onvoldoende weersproken vast. Aan dit een en ander heeft het hof geen andere conclusie verbonden dan dat de vrouw haar stelling dat zij geen andere keus had dan bij [betrokkene 1] te blijven wonen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt (en dat dus niet kan worden aangenomen dat het ontbreken van ieder alternatief de reden is geweest waarom de vrouw bij [betrokkene 1] is blijven wonen). Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat het hof zou hebben geconcludeerd dat de vrouw, waar zij een andere keuze had, niet de intentie had om haar verblijf tijdelijk te doen zijn, mist het feitelijke grondslag. Overigens zou, zoals al eerder aan de orde kwam, een dergelijke (verborgen) intentie niet afdoen aan het “samenwonen met een ander als waren zij gehuwd”. Voor zover het onderdeel ten slotte teruggrijpt op de eerdere klachten over de stelplicht (en bewijslast) van de man, kan het evenmin als die eerdere klachten slagen. 3.21 Onder 22 bestrijdt het onderdeel rov. 3.16 als onbegrijpelijk. Het hof heeft zijn oordeel dat is voldaan aan de eis van wederzijdse verzorging volgens het onderdeel in overwegende mate gebaseerd op de vaststelling dat de vrouw over onvoldoende inkomsten beschikte, zodat zij niet alleen geen bijdrage aan de huur heeft geleverd, maar [betrokkene 1] ook in haar levensonderhoud heeft moeten voorzien, nu de man immers gedurende langere tijd de alimentatie niet heeft betaald. Daarmee zet het hof volgens het onderdeel de zaken op hun kop: het kan en mag niet zo zijn dat aldus een bonus wordt gezet op het niet nakomen van een alimentatieverplichting door de alimentatieplichtige in de vorm van definitief verval van zijn onderhoudsverplichting. Het oordeel van het hof is volgens het onderdeel daarnaast ook onbegrijpelijk in het licht van de gemotiveerde stellingen van de vrouw over de draagkracht van [betrokkene 1]. 3.22 Het bestreden oordeel is niet onbegrijpelijk. Dat de vrouw [betrokkene 1] geen huur betaalt en dat [betrokkene 1] althans in die zin in de kosten van levensonderhoud van de vrouw voorziet, staat vast en kan, nog afgezien van de verzorging van de vrouw na haar operatie, het oordeel dat sprake is van verzorging van de zijde van [betrokkene 1] reeds zelfstandig dragen, ook zonder dat zou vaststaan dat [betrokkene 1] in nog verdergaande mate in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw voorziet. Dat dit laatste intussen wel degelijk het geval is heeft het hof, niet onbegrijpelijk, afgeleid uit het door de vrouw zelf opgegeven inkomen van € 280,- à € 480,- netto per maand, op welk bedrag de premie voor de Zorgverzekeringswet en de telefoonkosten in mindering komen. Dat de financiële mogelijkheden van de vrouw zijn beperkt doordat de man zijn alimentatieverplichtingen niet naar behoren nakomt, doet aan de begrijpelijkheid van de gedachtegang van het hof op zichzelf niet af. Overigens kan het intreden van de rechtsgevolgen van art. 1:160 BW bezwaarlijk worden voorgesteld als een “bonus” op het niet naar behoren voldoen aan de alimentatieplicht door de voormalige echtgenoot. Een dergelijke omstandigheid dwingt de alimentatiegerechtigde immers niet te gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd en dwingt die ander evenmin om de alimentatiegerechtigde te verzorgen. Anderzijds is al even onaannemelijk dat louter de omstandigheid dat de voormalige echtgenoot zijn alimentatieverplichting feitelijk blijft nakomen, een “samenleven als waren zij gehuwd” door de alimentatiegerechtigde en de nieuwe partner zou verhinderen. 3.23 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.18 en de daarin vervatte overweging ten overvloede (“Het hof is overigens van oordeel dat ook de lotsverbondenheid tussen de man en de vrouw (…) is komen te vervallen (…).”). Als de onderdelen 1 en 2 niet tot cassatie kunnen leiden, heeft de vrouw bij de klacht van het onderdeel geen belang. Het onderdeel berust op de premisse dat in deze zaak de jurisprudentiële lijn moet worden gevolgd die is uitgezet in HR 21 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5198, NJ 1986/382, HR 2 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AB7996, NJ 1987/377 m.nt. EAAL en HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1481, NJ 1995/
- Volgens deze jurisprudentie kan een relatie die niet als een samenleven zoals bedoeld in art. 1:160 BW kan worden aangemerkt, niet tot beëindiging van de alimentatie of tot beperking van de duur daarvan leiden, maar is dit anders als die relatie - doordat zij voor de alimentatiegerechtigde tot een kostenbesparing leidt of redelijkerwijs zou kunnen leiden - invloed op de behoeftigheid heeft, of indien de relatie op grond van bijkomende omstandigheden een voor de alimentatieplichtige zo grievend karakter heeft, dat van deze in redelijkheid niet kan worden gevergd alimentatie te blijven betalen. 3.24 Onder 23 en 24 bevat het onderdeel een inleiding. Voor het geval dat het hof zijn oordeel dat de lotsverbondenheid tussen partijen is vervallen, hierop heeft gebaseerd dat de vrouw is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd, grijpt het onderdeel onder 25 terug op de klachten van de onderdelen 1 en
- Voor het geval het hof heeft bedoeld dat de lotsverbondenheid tussen partijen door de enkele samenleving van de vrouw met [betrokkene 1], geheel los van art. 1:160 BW, is vervallen, klaagt het onderdeel dat het hof in dat geval van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven, nu een nieuwe, buiten het bereik van art. 1:160 BW vallende relatie, niet zonder bijkomende omstandigheden tot verval van de bedoelde lotsverbondenheid kan leiden. 3.25 Bij de bespreking van de klachten stel ik voorop dat het hof in rov. 3.18 kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat, hoe ook over het formele toepassingsbereik van art. 1:160 BW moet worden gedacht, de lotsverbondenheid tussen partijen in casu niet in mindere mate is vervallen dan in die gevallen waarin van een binnen het bereik van art. 1:160 BW vallend “samenleven met een ander als waren zij gehuwd” sprake is. Die gedachte acht ik op zichzelf juist. Aangenomen dat aan art. 1:160 BW ten grondslag ligt dat de lotsverbondenheid tussen de alimentatieplichtige en de alimentatiegerechtigde komt te vervallen als de alimentatiegerechtigde gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd, valt niet in te zien waarom een dergelijk verval zich niet zou voordoen in een situatie die slechts van de door art. 1:160 BW bestreken vormen van samenleving verschilt, doordat de nieuwe partner van de alimentatiegerechtigde nog gehuwd is. De al dan niet gehuwde status van de nieuwe partner van de alimentatiegerechtigde heeft in het geheel niets met de lotsverbondenheid tussen de alimentatiegerechtigde en de alimentatieplichtige van doen. Het probleem dat het hof kennelijk wil signaleren, lijkt mij echter een probleem dat binnen de toepassing van art. 1:160 BW en niet daarbuiten zou moeten (en ook kan) worden opgelost. Ik kan het hof dan ook niet volgen, als het heeft bedoeld dat, óók als de conclusie zou moeten zijn dat art. 1:160 BW toepassing mist, de alimentatieplicht van de man zou zijn geëindigd vanwege de materiële overeenstemming tussen het onderhavige geval en de gevallen die wél door art. 1:160 BW worden bestreken. 3.26 In rov. 3.18 heeft het hof kennelijk geoordeeld dat, geheel los van de toepassing van art. 1:160 BW, de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen. Ik onderschrijf de opvatting van het onderdeel dat, zonder bijkomende omstandigheden, de consequenties van de samenleving van de vrouw en [betrokkene 1] exclusief aan de hand van art. 1:160 BW dienen te worden bepaald. In zoverre acht ik de klachten onder 25 gegrond. 3.27 Onder 26 gaat het onderdeel uit van de veronderstelling dat het hof in rov. 3.18 heeft geoordeeld dat de lotsverbondenheid tussen partijen om een andere reden dan de samenleving van de vrouw en [betrokkene 1] is vervallen. 3.28 De klachten van het onderdeel onder 26 missen feitelijke grondslag, nu het hof voor het verval van de alimentatieplicht kennelijk geen andere grond heeft gezien dan de samenleving van de vrouw en [betrokkene 1]. 3.29 Onder 27 gaat het onderdeel uit van de veronderstelling dat het hof heeft geoordeeld dat de relatie van de vrouw en [betrokkene 1] voor de man zo grievend is, dat van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij alimentatie ten behoeve van de vrouw blijft betalen. Het onderdeel formuleert een rechts- en een motiveringsklacht, die onder 27.1-27.6 nader worden uitgewerkt en toegelicht. 3.30 De bestreden beschikking biedt geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat het hof in rov. 3.18 zou hebben bedoeld dat de samenleving van de vrouw en [betrokkene 1] voor de man dermate grievend is, dat van de man in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij alimentatie aan de vrouw blijft betalen. De klachten onder 27, nader uitgewerkt en toegelicht onder 27.1-27.6, missen naar mijn mening dan ook feitelijke grondslag. 3.31 Onderdeel 4 keert zich onder 28-35 tegen de rov. 3.21-3.23, waarin het hof heeft geoordeeld dat de vrouw met ingang van 1 mei 2010 is gehouden tot terugbetaling van ten onrechte ontvangen onderhoudsbijdragen. Twee beschikkingen van de Hoge Raad staan in dit onderdeel centraal. In HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3347, NJ 2003/47 m.nt. S.F.M. Wortmann, memoreerde de Hoge Raad dat art. 1:402 BW aan de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting, maar dat de rechter in het algemeen van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik dient te maken. Die behoedzaamheid is volgens de Hoge Raad ook geboden wanneer het vaststellen van de ingangsdatum op een tijdstip vóór de desbetreffende uitspraak ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. De rechter zal moeten beoordelen in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde kan worden verlangd dat deze gehouden is tot terugbetaling van hetgeen in overeenstemming met zijn of haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven. Een dergelijke beslissing vraagt in het bijzonder om een toereikende motivering als verweer is gevoerd dat erop neerkomt dat een aanzienlijk bedrag moet worden terugbetaald en de onderhoudsgerechtigde daartoe niet in staat is. In HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4844, NJ 2008/190, oordeelde de Hoge Raad dat de beschikking van 2002 niet van toepassing is indien het verzoek tot terugbetaling is gegrond op art. 1:160 BW. Indien de rechter oordeelt dat de in art. 1:160 BW bedoelde partij vanaf een bepaalde datum samenleeft met een ander als waren zij gehuwd, eindigt de alimentatieplicht van de gewezen echtgenoot met ingang van die datum en heeft de rechter niet de vrijheid een andere datum dan deze vast te stellen als datum vanaf welke geen levensonderhoud meer verschuldigd is, zo overwoog de Hoge Raad. In een dergelijk geval behoeft de beslissing tot terugbetaling ook niet te voldoen aan de motiveringseisen van de hierboven besproken beschikking van 20 september
- Het onderdeel stelt de vraag aan de orde of de motiveringsplicht in het onderhavige geval moet worden beoordeeld aan de hand van de beschikking van 2002, dan wel aan de hand van die van
- 3.32 Onder 28-30 bevat het onderdeel een inleiding. Onder 31 betoogt het dat de beschikking van 28 maart 2008 onverlet laat dat de beslissing wel aan de gewone motiveringseisen dient te voldoen en dat de rechter acht dient te slaan op het feit dat alimentatie naar zijn aard pleegt te worden verbruikt en op de specifieke omstandigheden van het geval. Daartoe behoort de omstandigheid dat van samenleven als waren zij gehuwd geen sprake kan zijn, indien de nieuwe partner nog is gehuwd. De vrouw behoefde dus geen rekening te houden met het risico van terugbetaling. Deze omstandigheid had het hof kenbaar in zijn oordeel dienen te betrekken. Onder 32 voegt het onderdeel daaraan toe dat het zelfs voor de hand ligt dat het hof, gelet op de ingrijpende (onverwachte) gevolgen voor de vrouw, zijn oordeel dat de vrouw tot terugbetaling was gehouden wél specifieker (aangescherpt) had dienen te motiveren. In beide gevallen, zo vat het onderdeel onder 33 samen, is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd. 3.33 Volgens art. 1:160 BW eindigt de alimentatieplicht van rechtswege. Het oordeel dat aan de voorwaarden voor het intreden van het rechtsgevolg van art. 1:160 BW is voldaan, dient vanzelfsprekend naar behoren te zijn gemotiveerd. Indien de gewezen echtgenoot een (nieuw) huwelijk of geregistreerd partnerschap aangaat, dan zal weinig twijfel bestaan aan het moment waarop de alimentatieplicht eindigt. Als de alimentatieplicht eindigt omdat de alimentatiegerechtigde is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd, dient het begintijdstip van die samenleving voldoende gemotiveerd te worden vastgesteld. Staat dat tijdstip echter eenmaal vast, dan heeft de rechter überhaupt niet de vrijheid om een andere datum te kiezen met ingang waarvan het rechtsgevolg van art. 1:160 BW intreedt. Bij die stand van zaken kan van de rechter evenmin worden verlangd te motiveren waarom de alimentatieplicht niet op een andere (latere) datum eindigt en waarom na het intreden van het rechtsgevolg van art. 1:160 BW niettemin betaalde (en mogelijk reeds verbruikte) alimentatie als onverschuldigd betaald kan worden teruggevorderd. In het geval dat het oordeel van het hof dat art. 1:160 BW in casu toepassing kan vinden stand houdt, kunnen de klachten van het onderdeel onder 31-33 dan ook niet tot cassatie leiden. 3.34 Onder 34 en 35 bouwt het onderdeel voort op de veronderstelling dat het hof was gehouden tot een (aangescherpte) motivering inzake de verplichting van de vrouw tot terugbetaling. In het geval dat het oordeel van het hof dat art. 1:160 BW in casu toepassing kan vinden stand houdt, kunnen ook de klachten onder 34 en 35 niet tot cassatie leiden. 4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal Zie de rov. 3.1, 3.2, 3.13 en 3.14 van de bestreden beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 8 maart 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9239, RFR 2012/
- Zie rov. 3.17, tweede volzin, van de bestreden beschikking. Kamerstukken II 1970/71, 10 213, nr.
- Handelingen II 1970/71, 10 maart 1971, p. 3285, l.k.. Handelingen II 1970/71, 17 maart 1971, p. 3371, r.k.. Handelingen II 1970/71, 17 maart 1971, p.
- Zie, met verdere verwijzingen, Asser-De Boer I*