← Nederland

ECLI:NL:PHR:2013:BW5410

HR nr. 11/01624 Hof nrs. 07/00410 en 07/00414 Rb nr. AWB 06/9 Derde Kamer A Omzetbelasting; 1 juli 2003 - 31 juli 2003 PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN MR. M.E. VAN HILTEN ADVOCAAT-GENERAAL Conclusie van 19 april 2012 inzake: X B.V. tegenStaatssecretaris van Financiën 1. Inleiding 1.1 De onderhavige zaak maakt deel uit van een vijftal

(1)zaken die met elkaar gemeen hebbend dat zij betrekking hebben op handelstransacties met een intracommunautaire tint, waarbij onregelmatigheden worden vermoed. Ook in de vier andere zaken neem ik vandaag conclusie. Bij de zaken hoort een gezamenlijke bijlage (hierna: de bijlage), die integraal onderdeel uitmaakt van deze conclusie. 1.2 In deze zaak gaat het in het bijzonder om de vragen of X B.V. (hierna: belanghebbende) als afnemer van mobiele telefoons recht had op aftrek van voorbelasting en of zij terecht het nultarief heeft toegepast ter zake van leveringen van mobiele telefoons. Daarnaast stelt belanghebbende in cassatie dat het Hof 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ten onrechte (
  1. i)niet is ingegaan op het beroep van belanghebbende op een aantal resoluties, (
  2. ii)heeft geoordeeld dat belanghebbende willens en wetens betrokken is geweest bij de orchestratie van btw-fraude, (iii) heeft verzuimd in te gaan op een aantal van haar verweren, (
  3. iv)verschillende relevante boeken en bescheiden niet in zijn beoordeling heeft betrokken, (
  4. v)het bewijsaanbod van belanghebbende heeft gepasseerd, en (
  5. vi)heeft geoordeeld dat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. 1.3 De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en dat de zaak verwezen dient te worden naar een ander gerechtshof. 2. De feiten 2.1 Belanghebbende is opgericht op 3 april 2003 en is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Vanaf april 2003 is zij als zodanig In de administratie van de fiscus opgenomen. Belanghebbende hield zich bezig met de handel in mobiele telefoons. 2.2 Alleen voor de tijdvakken mei tot en met september 2003 heeft belanghebbende in haar aangiften omzetbelasting omzet aangegeven ("Leveringen naar landen binnen de EU"). Belanghebbende heeft in haar aangifte over het onderhavige tijdvak, de maand juli 2003, leveringen naar lidstaten van de EU aangegeven tot een bedrag van € 3.387.904, onder toepassing van het nultarief. In de aangifte heeft zij een bedrag van € 623.841 als voorbelasting in aftrek gebracht. De aangifte resulteerde daarom in een verzoek om teruggaaf tot laatstgenoemd bedrag. 2.3 In verband met een onderzoek door de FIOD naar een aantal leveranciers van belanghebbende heeft de Inspecteur
(2)de beslissing op het verzoek om teruggaaf aangehouden. Op 9 juni 2004 heeft hij een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van belanghebbendes aangifte over het tijdvak juli 2003. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een controlerapport van 2 juli 2004 dat tot de gedingstukken behoort (hierna: het controlerapport). In het controlerapport is onder meer het volgende opgenomen: "Bedrag van de aangifte -/- € 623.841 Correcties: - voorbelasting € 489.250
(3)- ICL-leveringen € 383.471
(4)Vastgesteld bedrag € 248.880 Er zal een afwijzende beschikking opgemaakt worden op het verzoek om teruggaaf over de maand juli
  1. Een naheffingsaanslag omzetbelasting zal pas worden opgelegd zodra het boekenonderzoek over het gehele jaar 2003 is afgerond." 2.4 De Inspecteur heeft de door belanghebbende op de aangifte afgetrokken voorbelasting grotendeels niet geaccepteerd. Op bladzijde 7 van het controlerapport staat: "De aftrek van omzetbelasting inzake de leveringen door B Holding B.V. en DD B.V. wordt uitgesloten aangezien het geheel van feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigt dat doel en strekking van de wettelijke bepalingen zouden worden miskend, als de aanspraak op aftrek zou worden gehonoreerd." De Inspecteur stelde zich bovendien op het standpunt dat belanghebbende de toepasselijkheid van het nultarief onvoldoende heeft doen blijken met betrekking tot - voor zover in cassatie van belang - een tweetal afnemers: "C (C) en D Ltd (D)". Het Hof stelde in dit kader in zijn uitspraak het volgende feitelijk vast: "2.
  2. De Inspecteur heeft bij de beslissing op het verzoek om teruggave de aftrek van voorbelasting geweigerd en de verschuldigde omzetbelasting vermeerderd met 19/119 van de ter zake van C en D aangegeven omzetten, resulterend in de volgende bedragen: A (voorbelasting) € 304.190 B (voorbelasting) € 185.060 C (nultarief) € 83.669 D (nultarief) € 137.186 D (nultarief) € 105.936 Totale correctie € 816.041" Bij beschikking van 5 juli 2004 is de Inspecteur - onder verwijzing naar het controlerapport - niet aan het teruggaafverzoek tegemoetgekomen. 2.5 Belanghebbende heeft tegen de in 2.4 genoemde beschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 13 december 2005 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende afgewezen. 2.6 Met betrekking tot de op inkoopfacturen vermelde leverancier A staat het volgende vast. 2.6.1 A stond in juli 2003 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel op het adres a-straat 1 te Q. Sinds 31 december 2002 was E enig aandeelhouder en directeur. 2.6.2 Belanghebbende beschikt over inkoopfacturen met de naam en het logo van A. Aan belanghebbende zijn daadwerkelijk mobiele telefoons geleverd. Zij heeft voor die telefoons betaald op het bankrekeningnummer dat op vorenbedoelde inkoopfacturen was vermeld. Vervolgens heeft belanghebbende de mobiele telefoons doorverkocht. 2.6.3 Belanghebbende heeft in verband met de vaststelling van de identiteit van A contact gehad met E en beschikt over een kopie van diens paspoort. Het verdere contact verliep via een zekere F, die in andere tijdvakken, voor andere vennootschappen, zaken heeft gedaan met belanghebbende en haar zustervennootschappen. 2.6.4 Met betrekking tot (de identiteit en status van) A heeft belanghebbende overgelegd een door de fiscus afgegeven verklaring van hoedanigheid van A, schriftelijke verificaties van het btw-identificatienummer van A, een uittreksel uit het handelsregister van A, alsmede door E afgetekende "purchase-orders". Tevens heeft zij door een logistieke dienstverlener afgegeven bevestigingen van ontvangst van de goederen van A overgelegd en bankafschriften met daarop betalingen aan A naar het op de facturen van A vermelde bankrekeningnummer. 2.6.5 A was feitelijk niet gevestigd op het in het Handelsregister vermelde adres, maar maakte op dat adres slechts gebruik van een postbus en een vaste telefoonaansluiting die was doorgeschakeld naar een mobiel nummer. 2.6.6 In punt 2.7.6 van zijn uitspraak heeft het Hof feitelijk vastgesteld: "A heeft slechts één, niet op het onderhavige tijdvak betrekking hebbende, aangifte omzetbelasting ingediend en gedurende haar gehele bestaan geen omzetbelasting op aangifte voldaan. (...)" 2.7 Met betrekking tot de op inkoopfacturen vermelde leverancier 'B Holding B.V.' staat het volgende vast. 2.7.1 B Holding B.V. (hierna: B) stond in juli 2003 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel op het adres b-straat 1 te U. Als bestuurder en enig aandeelhouder stond, op hetzelfde adres, ingeschreven Stichting H Holding. Als bestuurder van deze stichting stond ingeschreven I, woonachtig c-straat 1 te Q. 2.7.2 Belanghebbende had met betrekking tot de leveringen van B contact met een zekere J (verder: J). Belanghebbende beschikt over inkoopfacturen onder meer voorzien van de kop "B Holding B.V. h.o.d.n. K". Op de litigieuze facturen staat het in 2.7.1 vermelde adres van B.
(5)Op de orderbevestigingen staat als adres van B "d-straat 1 V". De postcode [...] komt niet voor in V, maar hoort bij W). Aan belanghebbende zijn daadwerkelijk goederen geleverd. De goederen zijn afgeleverd bij G te S. Belanghebbende heeft voor de goederen betaald op het op de factuur vermelde bankrekeningnummer en heeft de goederen doorverkocht. 2.7.3 Met betrekking tot (de identiteit en status van) B heeft belanghebbende overgelegd een door de fiscus afgegeven verklaring van hoedanigheid van B, schriftelijke verificaties van het btw-identificatienummer van B, een uittreksel uit het handelsregister van B, alsmede door J afgetekende "purchase-orders". Tevens heeft zij door een logistieke dienstverlener afgegeven bevestigingen van ontvangst van de goederen van J overgelegd en bankafschriften met daarop betalingen aan B naar het op de facturen van B vermelde bankrekeningnummer. 2.7.4 In punt 2.8.6 van zijn uitspraak heeft het Hof feitelijk vastgesteld: "Aan B zijn gedurende een korte periode in 2003 aangiftebiljetten omzetbelasting uitgereikt, waarvan er één - welke geen betrekking had op het onderhavige tijdvak - werd ingediend. B heeft over de in geschil zijnde leveringen geen omzetbelasting op aangifte voldaan. De Inspecteur heeft aan B geen naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd nu deze rechtspersoon niet traceerbaar bleek te zijn." 2.8 Met betrekking tot de op verkoopfacturen vermelde afnemer 'D Ltd' staat het volgende vast. 2.8.1 De goederen zijn in opdracht van belanghebbende door een derde vervoerd naar het Verenigd Koninkrijk, alwaar zij werden opgeslagen door een logistieke dienstverlener (hierna: de dienstverlener). Medewerkers van de dienstverlener tekenden de CMR-vrachtbrieven af voor ontvangst. De CMR-vrachtbrieven bevatten de mededeling dat de goederen 'on hold' blijven opgeslagen in afwachting van nadere instructies, en dat zij eigendom van belanghebbende blijven totdat volledige betaling is geschied. Ook tekenden deze medewerkers zogenoemde "Inspection Forms" - verklaringen dat de goederen zijn geïnspecteerd - af. Belanghebbende informeerde de dienstverlener schriftelijk dat de goederen kunnen worden vrijgegeven (hierna ook: de vrijgave). Medewerkers van de dienstverlener gaven de goederen vervolgens vrij en maakten daarvoor verklaringen op ('declarations of acceptance'). Deze declarations of acceptance bevatten onder meer de datum van vrijgave van de goederen, en een door de (medewerker van de) diensverlener ingevulde naam van degene die de goederen in ontvangst heeft genomen (M). 2.8.2 Belanghebbende beschikt met betrekking tot de in geschil zijnde leveringen aan D, over (kopie)facturen, CMR vrachtbrieven, de vrijgave, een 'declaration of acceptance', en een bankschrift, waarop onder meer de betaling voor de leveringen is vermeld. 2.8.3 Belanghebbende maakte de facturen aan D
(6)zelf op. De betaling betreffende deze leveringen is ontvangen van N. Bij de betalingen ging belanghebbende niet na of geleverd was aan degene die op de facturen als afnemer stond vermeld. 2.8.4 De Britse fiscus heeft (op basis van internationale gegevensuitwisseling) informatie verstrekt waaruit blijkt dat in de periode 21 augustus 2002 tot 7 juli 2003 M directeur was van D en sinds 7 juli 2003 AA. De Britse fiscus geeft aan: "My trader denies any knowledge of the supply. He has received invoices from various EC companies for the supply of phones and ready-made garments but has no knowledge of any goods. No money was ever paid/received for these goods. I believe that the trader's Vat registration number was used without his knowledge i.e. the subject of a highjack". 2.9 Met betrekking tot de op facturen vermelde afnemer 'C Ltd' staat het volgende vast. 2.9.1 De goederen zijn in opdracht van belanghebbende door een derde vervoerd naar Italië met als op de CMR-vrachtbrieven vermeld afleveradres BB S.p.a. (hierna: BB). Een medewerker van BB tekende de CMR-vrachtbrieven af voor ontvangst. De CMR-vrachtbrieven bevatten de mededeling dat de goederen 'on hold' blijven opgeslagen bij BB in afwachting van nadere instructies, en dat zij eigendom van belanghebbende blijven totdat volledige betaling is geschied. Belanghebbende informeerde BB schriftelijk dat de goederen kunnen worden vrijgegeven (hierna ook: de vrijgave). Medewerkers van BB gaven de goederen vervolgens vrij en maakten daarvoor verklaringen op ('declarations of acceptance'). Deze declarations of acceptance bevatten onder meer de datum van vrijgave van de goederen, en een door (de medewerker van) BB ingevulde naam van degene die de goederen in ontvangst heeft genomen. In casu vermeldt de declaration of acceptance de naam CC en zijn daarop een stempelafdruk vermeldende C s.r.l. en een handtekening geplaatst. 2.9.2 Belanghebbende beschikt met betrekking tot de in geschil zijnde leveringen aan C, over (kopie)facturen, CMR-vrachtbrieven, de vrijgave, een declaration of acceptance, verklarende dat de goederen zijn vrijgegeven, en een bankschrift, waarop onder meer de betaling van de leveringen is vermeld. Zij beschikt eveneens over een door haar aan BB gericht schrijven. 2.9.3 De litigieuze ten name van C gestelde verkoopfactuur, met datum 3 juli 2003 en factuurnummer 009, vermeldt een prijs van € 524.035 en een btw percentage van nul. De betaling heeft belanghebbende ontvangen van een ander bedrijf. In punt 2.10.5 van zijn nader te noemen uitspraak stelde het Hof feitelijk vast: "C ontkent leveringen van belanghebbende te hebben ontvangen of betalingen aan belanghebbende te hebben verricht. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende betalingen van C heeft ontvangen." 3. Het geding voor de Rechtbank en het Hof 3.1 Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank). Voor zover in cassatie van belang was voor de Rechtbank en voor Hof 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) hetzelfde in geschil. Het Hof hanteerde de volgende geschilomschrijving: "3.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de volgende vragen. a. Heeft de Inspecteur de op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden? b. Heeft de Inspecteur de aftrek van voorbelasting ter zake van de leveringen door A en B Holding B.V. terecht geweigerd? c. Is de Inspecteur terecht overgegaan tot de correcties met betrekking tot D en C?" 3.2 De Rechtbank achtte aannemelijk dat de Inspecteur aan zijn verplichting op grond van artikel 8:42, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft voldaan, en oordeelde voorts dat belanghebbende de omzetbelasting welke aan haar in rekening werd gebracht door A en B terecht op aangifte in aftrek heeft gebracht, doch dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van het nultarief ter zake van de leveringen aan D en C. Bij uitspraak van 5 juli 2007, nr. AWB 06/9 (niet gepubliceerd), heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en belanghebbende een teruggaaf omzetbelasting over het tijdvak juli 2003 verleend van € 297.050. 3.3 Tegen deze uitspraak hebben belanghebbende én de Inspecteur zowel hoger als incidenteel hoger beroep ingesteld bij het Hof. 3.4 Allereerst heeft het Hof 'vooraf en ambtshalve' geoordeeld over het door belanghebbende aangeboden bewijs: "4.1. Belanghebbende heeft in beide zaken
(7)op verschillende plaatsen nader bewijs aangeboden. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld (nader) bewijs door middel van getuigenbewijs te willen bijbrengen, moet dit bewijsaanbod, doordat belanghebbende heeft toegestemd in het achterwege blijven van een nadere zitting, als ingetrokken worden beschouwd (arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003, nr 38 222, onder meer gepubliceerd in BNB 2003/257). Voor het overige is het Hof van oordeel, dat het bewijsaanbod niet anders kan worden aangemerkt dan als een bewijsaanbod onder de voorwaarde dat het Hof een voorlopig oordeel geeft omtrent de waardering van het door partijen bijgebrachte bewijs. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2004, nr 38 831, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/152, strookt het niet met het stelsel van de Awb een tussenbeslissing omtrent de bewijslastverdeling of de waardering van het tot dan toe bijgebrachte bewijs te geven en is het Hof, nu het proces geen voor belanghebbende onverwachte wending heeft gehad, hiertoe niet gehouden." 3.5 Ten aanzien van de 'op de zaak betrekking hebbende stukken'
(8)overwoog het Hof: "4.
  1. Belanghebbende heeft gesteld dat de Inspecteur niet aan zijn verplichtingen op grond van artikel 8:42, eerste lid van de Awb heeft voldaan. 4.
  2. Ingevolge artikel 8:42, eerste lid van de Awb dient de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Hieruit volgt slechts dat de Inspecteur die stukken moet overleggen, die hij ten grondslag heeft gelegd aan de vaststelling van de beschikking en/of de uitspraak op bezwaar. Uit voornoemd artikel volgt niet, zoals belanghebbende lijkt te bepleiten, dat de Inspecteur stukken, waarover hij niet (heeft) beschikt, in het buitenland moet opvragen of daar nader onderzoek moet laten verrichten (vergelijk in dit kader arrest Hof van Justitie van 27 september 2007, nr. C-184/05, Twoh International B.V., V-N 2007/44.19). Tegenover de betwisting door de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken - derhalve die stukken waarover hij beschikt en reeds beschikte ten tijde van het geven van de beschikking en/of het doen van de uitspraak op bezwaar - heeft overgelegd." 3.6 Ten aanzien van de tweede vraag is het Hof van oordeel dat zowel wat betreft de inkoopfacturen van A als wat betreft de inkoopfacturen van B belanghebbende geen recht op aftrek van de daarop vermelde omzetbelasting heeft. 3.6.1 Aangaande de facturen van A overwoog het Hof: "4.
  3. In hoger beroep heeft de Inspecteur herhaald dat de inkoopfacturen niet de in artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB in samenhang met artikel 35 van die wet vereiste gegevens bevatten. In dat verband heeft hij aangevoerd dat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel een onderneming met de naam A niet is aangetroffen, dat in het handelsregister wel een onderneming met de naam DD BV voorkomt, dat op de facturen met het opschrift A op geen enkele wijze een verwijzing voorkomt naar de naam DD BV en dat de verhuurder van de kantoren aan de a-straat 1 te Q heeft verklaard dat geen kantoorruimte aan A is verhuurd. 4.
  4. Die verhuurder was EE BV te Q. De Inspecteur heeft verwezen naar een verklaring d.d. 25 september 2003 van haar directeur, FF (paragraaf 3.3 van bijlage 8 bij het hoger beroepschrift van de Inspecteur). Die verklaring luidt als volgt. "Bij ons meldde zich telefonisch een mijnheer, vermoedelijk F, met het verzoek om een postbus te huren met een telefonische doorschakeling van het mobiele nr. 06-
  5. F was degene die altijd dit nummer opnam. E.e.a. zou van tijdelijke aard zijn tot het moment dat de beslissing zou vallen waar zij zich zouden vestigen. Na navraag bij de KPN over de kosten van de lijn en doorschakeling hebben wij de prijs opgegeven en na akkoord hebben wij e.e.a. geregeld en de sleutel van de postbus overhandigd. Er is geen navraag gedaan voor het huren van een kantoor; in dat geval vragen wij om een borgstelling en een inschrijving van de KvK. A heeft nooit een kamer gehuurd, zelfs niet voor een bespreking, en verzocht ons per 15 oktober a.s. alles weer op te heffen. Dit hebben wij gedaan. Kopieën van de desbetreffende stukken zijn in uw bezit.". 4.
  6. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van bedoelde verhuurder, een en ander als in 4.5 weergegeven. In verband hiermee is aannemelijk dat A, de naam die op de facturen als onderneming is vermeld, of DD B.V. waarvoor, naar belanghebbende heeft gesteld, A de handelsnaam is, niet op het adres a-straat 1 te Q gevestigd is geweest. 4.
  7. Hiermee is niet voldaan aan het in artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet OB in samenhang met artikel 35 van die wet voor aftrek opgenomen vereiste dat de factuur de naam en het adres vermeldt van de ondernemer die de levering of de dienst verricht. 4.
  8. Die constatering reeds verhindert de door belanghebbende bepleite aftrek van voorbelasting op facturen van "A"." 3.6.2 Met betrekking tot de facturen van B overwoog het Hof: "4.
  9. In zijn pleitnota voor de zitting heeft de Inspecteur zich beroepen op de arresten van het (...) HvJ EG (...) van 6 juli 2006, nrs. C-439/04 en C-440/04 (Axel Kittel en Recolta). De Inspecteur heeft in zijn pleitnota in verband met dat arrest gesteld dat belanghebbende wist of had moeten weten dat belanghebbende wist of had moeten weten dat hier sprake was van BTW-fraude. Het Hof heeft vervolgens de zaak aangehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen op de stellingname van de Inspecteur te reageren. 4.
  10. In voormeld arrest heeft het HvJ EG het volgende voor recht verklaard: "(...) [het] staat aan de nationale rechter het recht op aftrek te weigeren indien aan de hand van objectieve elementen wordt vastgesteld dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door de aankoop deelnam aan een transactie die onderdeel is van BTW-fraude.". 4.
  11. De Inspecteur heeft in zijn pleitnota onder meer herhaald dat op de orderbevestigingen weer een ander adres staat als op de facturen en dat de betreffende postcode niet bij V maar bij W hoort. 4.
  12. In de motivering d.d. 7 oktober 2004 van het bezwaarschrift, namens belanghebbende destijds ingediend door GG B.V. te QQ, is dienaangaande het volgende vermeld. "Op de orderbevestiging staat vermeld B Holding B.V. h.o.d.n. K. Als adres staat vermeld d-straat 1 V. Het betreft orderbevestigingen die door X B.V. zijn opgemaakt. Op de d-straat 1 V is zoals u ongetwijfeld al dan niet via het handelsregister weet de Stichting HH gevestigd. Volgens het handelsregister is dit weer de bestuurder van een vermoedelijk aan B Holding B.V. h.o.d.n. K gelieerde vennootschap genaamd K B.V. Raadpleging van het handelsregister leerde voorts dat beide vennootschappen (ook) ingeschreven staan op de b-straat 1 te U. Omdat bij de eerste verificatie beide vennootschappen via de zoekterm 'K' in www.kvk.nl zijn aangetroffen, had men van ook van deze beide vennootschappen een uittreksel bij elkaar bewaard. Men heeft d-straat 1 en [...] overgenomen per abuis van het andere bij www.kvk.nl uitgedraaide uittreksel waarbij per vergissing niet W is opgenomen op de orderbevestiging doch V. V is zoals u weet blijkens het uittreksel de statutaire vestigingsplaats van B Holding B.V.. Omdat e.e.a. per fax is verzonden, heeft men de vergissing niet opgemerkt. Het faxnummer klopte wel.". 4.
  13. Opmerkelijk is dat bedoelde orderbevestigingen klaarblijkelijk zijn opgemaakt door belanghebbende, de afnemer, en niet door B Holding B.V. h.o.d.n. K, de leverancier. 4.
  14. Dienaangaande is in het bezwaarschrift onder meer het volgende aangevoerd: "Ook dit is weer een verwijt met een hoog 'futiliteit' gehalte, waaruit blijkt dat de controlerende ambtenaren eigenlijk niet of nauwelijks niets gevonden hebben. (...) Commercieel gezien is het voor X B.V. handig de orderbevestiging zelf op te maken. In een beginnerscursus 'handeldrijven' wordt al opgemerkt dat het verstandig is om het vastleggen van de afspraken naar jezelf toe te trekken, omdat je dan de formulering van de afspraken ook zelf kunt doen. Dat voorkomt verrassingen; de 'kleine lettertjes' van de wederpartij zijn dan voorshands in ieder geval niet van toepassing.". 4.
  15. Op grond van de omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, - dat op de in 2.8.4 vermelde facturen van B als adres van B "b-straat 1 U" is vermeld en dat de orderbevestigingen van B als adres van B "d-straat 1 V" vermelden, - dat de facturen nummers 004 en 005 als datum van dagtekening 7 juli 2003 respectievelijk 8 juli 2003 vermelden, terwijl de factuur genummerd 006, derhalve met een hogere nummering dan de facturen met nummers 004 en 005, als datum van dagtekening 20 juni 2003 vermeldt, een oudere datum in plaats van een jongere, - dat in U "b-straat" niet voorkomt maar wel "b-straat", - dat de op de orderbevestigingen vermelde postcode niet voorkomt in V maar bij W hoort, en - dat belanghebbende zelf de orderbevestigingen opstelde "omdat je dan de formulering van de afspraken ook zelf kunt doen", naar in het in 4.14 bedoelde bezwaarschrift is geformuleerd, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende willens en wetens betrokken is geweest bij de orchestratie van BTW-fraude en dat bij de uitvoering daarvan niet altijd even nauwkeurig is gewerkt. Het Hof staat de door belanghebbende gevraagde en door de Rechtbank verleende aftrek niet toe." 3.7 Het Hof oordeelde dat de Inspecteur het nultarief bij de gestelde leveringen aan Unique terecht heeft geweigerd. Het overwoog daartoe: "4.
  16. Het (...) HvJ EG (...) heeft in zijn arrest van 27 september 2007 (nr. C-409/04) ondermeer overwogen dat belastingplichtigen niet langer kunnen steunen op door de douaneautoriteiten afgegeven documenten en dat het bewijs van een intracommunautaire levering en verwerving met andere middelen moet worden geleverd. (...) In dit verband zij ook eraan herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 22, lid 8 van de Zesde richtlijn de verplichtingen kunnen voorschrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude (...). Verder zou het volgens rechtspraak van het Hof die naar analogie van toepassing is op het hoofdgeding, niet in strijd zijn met het gemeenschapsrecht te eisen dat de leverancier alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken geraakt bij belastingfraude (...). De omstandigheden dat de leverancier te goeder trouw heeft gehandeld, dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt en dat zijn betrokkenheid bij fraude uitgesloten is, vormen derhalve belangrijke indicatoren om uit te maken of deze leverancier kan worden verplicht tot nabetaling van de btw. Aldus een en ander het HvJ EG. 4.
  17. In overeenstemming met het vorenstaande heeft het HvJ EG ondermeer het volgende voor recht verklaard. "Artikel 28 quater, A, sub a, eerste alinea van de Zesde Richtlijn (77/388), zoals gewijzigd bij richtlijn 2000/65, moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van levering een leverancier die te goeder trouw heeft gehandeld en bewijzen heeft aangeboden waardoor zijn recht op vrijstelling voor een intracommunautaire levering van goederen op het eerste gezicht wordt gestaafd, niet mogen verplichten tot nabetaling van de over deze goederen verschuldigde btw, wanneer die bewijzen vals blijken, zonder dat evenwel is aangetoond dat deze leverancier bij de belastingfraude is betrokken, voor zover hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt om te zorgen dat hij door de intracommunautaire levering die hij verricht niet bij dergelijke fraude betrokken geraakt.". 4.
  18. De Rechtbank heeft, kort samengevat, geoordeeld dat de door belanghebbende zelf opgestelde facturen niet kunnen dienen als bewijs voor intracommunautaire leveringen. De omstandigheid dat de feitelijke betaling voor de onderhavige leveringen in alle gevallen is verricht door een ander dan degene die op de factuur als afnemer was vermeld, wijst er immers eerder op dat sprake was van een andere afnemer dan de in de factuur vermelde afnemer. Temeer nu belanghebbende op geen enkele wijze duidelijk heeft kunnen maken of er een relatie was tussen degene die de betaling heeft verricht en degenen
(9)die op de factuur als afnemer is genoemd. Aldus een en ander de Rechtbank. 4.19. Het Hof volgt de Rechtbank in die overwegingen. De omstandigheid dat, gelet op hetgeen daaromtrent in 2.9.4
(10)is weergegeven, een factuur door een ander was betaald dan door de degene die op de factuur als afnemer was vermeld, had voor belanghebbende, met het oog op de juiste heffing van omzetbelasting, steeds aanleiding moeten zijn zich ervan te vergewissen, hetgeen niet is geschied, dat de betaling op de factuur een betaling vormde door de persoon die op de factuur als afnemer stond vermeld, om zoveel mogelijk de mogelijkheid uit te sluiten dat geleverd was aan een ander dan degene die op de factuur als afnemer stond vermeld, in verband waarmee sprake zou zijn van BTW-fraude. Dit klemt nog meer voor de latere betalingen, toen steeds weer bleek dat was betaald door een ander, te weten N, dan degene die op de factuur als afnemer was vermeld. Onaannemelijk is dat belanghebbende niet heeft kunnen nagaan of geleverd was aan degene die op de factuur als afnemer stond vermeld. Het Hof merkt nog op van oordeel te zijn dat de vervoersbescheiden waarover belanghebbende beschikt en de declarations of acceptance om de door de Rechtbank genoemde redenen geen aanknopingspunt vormen voor de beantwoording van de vraag of de betalingen op de facturen al
(11)niet een betaling vormde
(12)voor degene die op de factuur als afnemer stond vermeld. 4.20. Uit hetgeen daaromtrent in 2.9.4
(13)is vermeld leidt het Hof af dat bij de onderhavige leveringen aan Unique niet één geval was waarin de factuur werd voldaan door degene die op de factuur als afnemer stond vermeld. Dit duidt erop dat de goederen, die in afwachting van nadere instructies van belanghebbende "on hold" bij L bleven opgeslagen, systematisch werden geleverd aan een ander dan degene die op de factuur als afnemer stond vermeld en dat sprake was van BTW-fraude. Gelet op hetgeen daaromtrent in 4.19 is vermeld, kan niet worden gezegd dat belanghebbende alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen haar mogelijkheden lag om te zorgen dat zij niet bij BTW-fraude betrokken raakte. De Inspecteur kon belanghebbende, mede met toepassing van de regelgeving in en krachtens artikel 9, tweede lid Wet OB, verplichten tot nabetaling van omzetbelasting. In het onderhavige geval is dit gebeurd door middel van verrekening met aan belanghebbende op haar verzoek verleende teruggaaf van omzetbelasting. 4.21. Belanghebbende heeft zich beroepen op door de Inspecteur gewekt, in rechte te beschermen vertrouwen. Vast staat evenwel dat belanghebbende de facturen zelf opmaakte en dat zij bij de betalingen niet naging of geleverd was aan degenen
(14)die op de facturen als afnemer stond vermeld, ook niet bij latere betalingen, toen steeds weer bleek dat was betaald door een ander dan degene die op de factuur als afnemer stond vermeld. Dit duidt erop dat belanghebbende een werkzaam aandeel had in BTW-fraude. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. 4.
  1. Gelet op het in 4.20 en 4.21 vermelde heeft de Inspecteur de toepassing van het nultarief bij de gestelde leveringen aan D terecht geweigerd." 3.8 Wat betreft de correctie van het nultarief ten aanzien van de aan C gerichte factuur oordeelde het Hof dat belanghebbende bij haar grieven geen belang heeft: "4.
  2. Belanghebbende heeft om een teruggave verzocht van € 623.841, terwijl, blijkens het daaromtrent in 2.11 vermelde, in totaal € 816.041 is gecorrigeerd. Het overschot van de correctie bedraagt derhalve € 192.
  3. Het Hof heeft de Inspecteur op het punt van de in geding zijnde voorbelasting geheel in het gelijk gesteld alsmede op het punt van het niet van toepassing zijn van het nultarief bij de gestelde leveringen aan D. De correctie inzake C resulteerde in de correctie van een bedrag van € 83.669, minder dan voormeld correctieoverschot ad € 192.
  4. Indien het Hof zou oordelen dat de correctie inzake C ten onrechte is aangebracht, zou dat niet kunnen leiden tot een teruggave van omzetbelasting. Belanghebbende heeft bij de grieven van belanghebbende inzake C derhalve geen belang. Die grieven kunnen onbesproken blijven." 3.9 Het Hof concludeerde: "4.
  5. Gelet op al het vorenstaande is de beschikking, waarin is beslist dat niet aan het verzoek om teruggave werd tegemoetgekomen, juist. 4.
  6. Gelet op die vaststelling is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond, het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Onder vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank moet worden beslist dat het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond is." 3.10 Bij uitspraak van 25 februari 2011, nrs. 07/00410 en 07/00414, LJN BQ4186, NTFR 2011/1113, heeft het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard.
  7. Het geding in cassatie 4.1 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof en daarbij veertien cassatiemiddelen voorgesteld. 4.2.1 De middelen I tot en met III komen op tegen de punten 4.5, 4.6 en 4.7 van 's Hofs uitspraak, waarin het Hof tot de slotsom kwam dat ter zake van de leveringen door A niet is voldaan aan het voor aftrek van voorbelasting geldende vereiste dat de factuur de naam en het adres vermeldt van de ondernemer die de levering verricht, een en ander als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 35 van de Wet. 4.2.1.1 In middel I stelt belanghebbende dat de oordelen in de punten 4.5, 4.6 en 4.7 in strijd zijn met het recht, terwijl bovendien sprake is van een fataal vormverzuim. 4.2.1.2 In middel II klaagt belanghebbende over strijd van 's Hofs oordelen met de artikelen 17, 18 en 22 van de Zesde richtlijn, alsmede over fataal vormverzuim. 4.2.1.3 Middel III bevat de klacht dat het Hof in zijn uitspraak bij beantwoording van de vraag of belanghebbende de door A in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek mocht brengen niet is ingegaan op belanghebbendes beroep (via het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel) op de resolutie van 23 april 1986, V-N 1986, blz. 1125
(15)(hierna: de resolutie van 23 april 1986) en op het besluit van 24 april 1991, V-N 1991, blz. 1294
(16)(hierna: het besluit van 24 april 1991). 4.2.2 De middelen IV, V en VI komen op tegen de punten 4.13, 4.14 en 4.15 van 's Hofs uitspraak, waarin het Hof tot de slotsom kwam dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de haar door B in rekening gebrachte omzetbelasting. 4.2.2.1 Middel IV is vrijwel gelijk aan middel III en bevat de klacht dat het Hof in zijn uitspraak bij beantwoording van de vraag of belanghebbende de door B in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek mocht brengen niet is ingegaan op belanghebbendes beroep (via het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel) op de resolutie van 23 april 1986 en op het besluit van 24 april 1991. 4.2.2.2 In middel V klaagt belanghebbende over 's Hofs conclusie dat belanghebbende 'willens en wetens betrokken is geweest bij de orchestratie van btw-fraude en dat bij de uitvoering daarvan niet altijd even nauwkeurig is gewerkt'. Belanghebbende stelt dat het Hof een pro forma factuur ten onrechte heeft aangezien voor een definitieve factuur, als gevolg waarvan het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de factuurnummering niet klopte. 's Hofs conclusie is onbegrijpelijk, aangezien die niet kan worden gebaseerd op een verschrijving in het adres van B en een foutje in de orderbevestiging. 4.2.2.3 In middel VI betoogt belanghebbende dat het Hof heeft verzuimd in te gaan op haar verweren dat het door de Inspecteur in hoger beroep innemen van het standpunt dat belanghebbende te kwader trouw was, in strijd is met het vertrouwensbeginsel en met de beginselen van een behoorlijke procesorde. 4.2.3 Belanghebbende stelt in middel VII dat het Hof in de punten 4.2 en 4.3 van zijn uitspraak in strijd met artikel 8:42 van de Awb en met een redelijke bewijslastverdeling heeft geoordeeld dat de Inspecteur wat betreft A aan zijn verplichtingen uit artikel 8:42, lid 1, van de Awb heeft voldaan. Daarnaast heeft het Hof zich ten onrechte niet uitgelaten over de vraag of de Inspecteur voor wat betreft B aan deze verplichtingen heeft voldaan. Het Hof heeft ten onrechte door de fiscus niet onderbouwde stellingen, die door belanghebbende zijn betwist in punt 2.7.6 en 2.8.6 van zijn uitspraak als vaststaande feiten aangemerkt. 4.2.4 Belanghebbende komt in de middelen VIII, IX en X op tegen de punten 4.18, 4.19 en 4.20 van 's Hofs uitspraak, waarin het Hof tot de conclusie kwam dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van het nultarief ter zake van de in geschil zijnde leveringen aan D, en de Inspecteur belanghebbende kon verplichten tot nabetaling van omzetbelasting. In deze middelen wordt strijd gesteld met artikel 9, lid 2, van de Wet in verbinding met post a.6 van de bij de Wet behorende tabel II, alsmede fataal verzuim van vormen. 4.2.4.1 In middel VIII stelt belanghebbende dat als de goederen niet zijn afgenomen door D, dit nog niet betekent dat het nultarief niet van toepassing is, nu de werkelijke afnemer(s) in het kader van de ontvangst van de goederen in het Verenigd Koninkrijk omzetbelasting terzake van intracommunautaire verwervingen verschuldigd zijn. 's Hofs uitspraak is in strijd met HR 15 april 2011, nr. 09/00552, LJN BM9147, BNB 2011/159 m.nt. Bijl. Bovendien is de uitspraak onbegrijpelijk en/of niet naar behoren gemotiveerd. In haar schriftelijke toelichting voert belanghebbende nog aan dat 's Hofs oordeel over btw-fraude uit de lucht komt vallen en niet is gebaseerd op onderliggende stukken. 4.2.4.2 Middel IX bevat verschillen klachten. Zij komen erop neer dat het Hof een aantal in de procedure ingebrachte relevante boeken en bescheiden
(17)(die niet zijn genoemd in punt 2.9.1 van zijn uitspraak) niet heeft meegewogen bij zijn beoordeling, dat het Hof een aantal zaken niet feitelijk heeft vastgesteld,
(18)dat het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd op een incompleet dossier nu niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 8:42, lid 1, van de Awb) door de fiscus zijn ingebracht, en dat 's Hofs oordeel onbegrijpelijk is. Belanghebbende meent voorts dat 's Hofs oordeel in strijd is met artikel 6:30 van het Burgerlijk Wetboek, welk artikel bepaalt dat betaling door een derde niet mag worden geweigerd. 4.2.4.3 In middel X komt belanghebbende meer specifiek op tegen 's Hofs oordeel in punt 4.20 van zijn uitspraak dat niet kan worden gezegd dat belanghebbende alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen haar mogelijkheden lag om te zorgen dat zij niet bij btw-fraude betrokken raakte, en dat de Inspecteur belanghebbende daarom kon verplichten tot nabetaling van omzetbelasting. Belanghebbende meent dat zij voldoende zorgvuldig heeft gehandeld en dat het Hof zonder wettelijke grondslag (vgl. artikel 104 van de Grondwet) niet mag eisen dat belanghebbende 'redelijkerwijs alles moet doen'. Het Hof gaat volgens belanghebbende uit van een verkeerde lezing van het in de punten 4.3.1 en 4.3.2 van zijn uitspraak
(19)genoemde arrest van het HvJ
(20)van 27 september 2007, Teleos e.a., C-409/04, BNB 2008/11 m.nt. Bijl (hierna: arrest Teleos). Voorts stelt belanghebbende dat de verplichting tot nabetaling moet worden gezien als een strafmaatregel en dat artikel 16 van de Grondwet en artikel 7 van het EVRM zich daartegen verzetten. 4.2.5 Middel XI komt op tegen 's Hofs oordeel (in punt 4.21) dat belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, nu belanghebbende een werkzaam aandeel had in btw-fraude. Belanghebbende stelt dat zij voor het Hof twee verschillende 'vertrouwensbeginselberoepen' heeft gedaan, dat het Hof kennelijk één van die beroepen over het hoofd heeft gezien, en dat niet duidelijk is welke. 's Hofs oordeel is reeds daarom ondeugdelijk gemotiveerd, aldus belanghebbende. Daarnaast deugt 's Hofs stelling niet dat degene die niet nagaat wat de relatie is tussen de betaler van de factuur en de afnemer zoals vermeld op de factuur een 'werkzaam aandeel heeft in een btw-fraude', aldus nog steeds belanghebbende. 4.2.6 In middel XII stelt belanghebbende dat het Hof in strijd met het recht en met fataal vormverzuim het bewijsaanbod van belanghebbende heeft gepasseerd. 4.2.7 In middel XIII stelt belanghebbende dat het oordeel van het Hof in punt 4.23 van zijn uitspraak - dat belanghebbende bij haar grieven inzake C geen belang heeft - geen stand kan houden, aangezien dat oordeel is gebaseerd op eerdere onjuiste rechtsoverwegingen. Daarnaast acht belanghebbende 's Hofs feitenvaststelling in de punten 2.10.4 en 2.10.5 van zijn uitspraak onbegrijpelijk dan wel in strijd met de gedingstukken. 4.2.8 In middel XIV stelt belanghebbende dat de punten 4.8,
(21)4.24,
(22)4.25,
(23)4.26,
(24)4.27
(25)en 4.28
(26)van 's Hofs uitspraak geen stand kunnen houden. Omdat eerdere overwegingen onjuist zijn, komt de motivering aan deze punten te ontvallen en is 's Hofs uitspraak onvoldoende gemotiveerd, althans onjuist. 4.3 De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. 4.4 Belanghebbende heeft de zaak (schriftelijk) doen toelichten door BBB, advocaat te TT. De Staatssecretaris heeft zijn verweer niet schriftelijk toegelicht
(27)en heeft evenmin gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid te reageren op de schriftelijke toelichting van belanghebbende.
(28)
  1. De behandeling van de middelen Ik bespreek in het navolgende de door belanghebbende voorgestelde middelen zoveel mogelijk 'groepsgewijs'. Onderdeel 6 is gewijd aan de factuureisen en het recht op aftrek van voorbelasting (middelen I en II). In onderdeel 7 zoom ik in op het recht op aftrek in combinatie met kwade trouw en betrokkenheid bij btw-fraude (middel V en VI). De klachten van belanghebbende over 's Hofs toepassing van artikel 8:42, lid 1, van de Awb (op de zaak betrekking hebbende stukken) en over de bewijslastverdeling (middel VII) komen aan de orde in onderdeel
  2. Belanghebbendes beroep op de resolutie van 23 april 1986 en het besluit van 24 april 1991 (middelen III en IV) wordt besproken in onderdeel
  3. Onderdeel 10 is gewijd aan de klachten met betrekking tot toepassing van het nultarief (middelen VIII, IX en X). De klacht over het vertrouwensbeginselberoep (middel XI) komt aan de orde in onderdeel
  4. Belanghebbendes klacht dat het Hof haar bewijsaanboden ten onrechte als ingetrokken heeft beschouwd (middel XII) behandel ik in onderdeel
  5. De klachten over de feitenvaststelling inzake C en het oordeel dat belanghebbende geen belang heeft bij haar grieven komen aan de orde in onderdeel
  6. In onderdeel 14, ten slotte wordt ingegaan op middel XIV.
  7. Factuurvereisten (middel I en II) 6.1 In de bijlage ga ik uitgebreid in op de voor aftrek van voorbelasting gestelde eis dat de naam en het adres van de presterende ondernemer op de factuur moeten worden vermeld. Kort samengevat kom ik in de bijlage tot de volgende conclusies. 6.1.1 Het doel van de eis dat de factuur is voorzien van de naam en het adres van de presterende ondernemer is dat de presterende ondernemer door zowel zijn afnemer als de fiscus kan worden geïdentificeerd (punt 2.3.10 van de bijlage). In beginsel bestaat alleen recht op aftrek indien op de factuur de naam en het adres van de presterende ondernemer correct zijn weergegeven (zie punt 2.2.6 van de bijlage).
(29)6.1.2 Aan het 'adresvereiste' is voldaan indien de presterende ondernemer ter zake van zijn activiteiten als ondernemer op het in de factuur vermelde adres kan worden aangetroffen (bijlage, punt 2.3.10). Het gaat dan om de plek waar de presterende ondernemer zich normaliter/met enige duurzaamheid (als ondernemer) ophoudt. Daarbij is mijns inziens denkbaar dat één ondernemer onder omstandigheden meer adressen heeft (punt 2.3.10 van de bijlage). 6.1.3 Een afnemer die beschikt over een gebrekkige factuur heeft in principe geen recht op aftrek omdat de factuur niet 'op de voorgeschreven wijze' is opgemaakt; ingevolge artikel 15, lid 1, van de Wet is aftrek immers slechts mogelijk indien de ondernemer beschikt over een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. 6.1.4 Een foutieve factuur kan formeel gebrekkig zijn en/of materieel gebrekkig. Als formeel gebrekkig duid ik de factuur aan waarop een van de vereiste vermeldingen ontbreekt of onvolledig is. Wat betreft het adresvereiste kan gedacht worden aan een factuur zonder adresvermelding of met alleen een postbusnummer. Van een materieel gebrekkige factuur is sprake indien de factuur 'op het oog' alle vermeldingen bevat, maar één (of meer) van die vermeldingen onjuist is. Te denken valt aan een factuur met daarop een straatadres waar zich slechts de postbus van de leverancier bevindt (en waar de leverancier derhalve niet kan worden aangetroffen in vorenbedoelde zin). De afnemer die een formeel gebrekkige factuur ontvangt, heeft in beginsel geen recht op aftrek van op die factuur vermelde voorbelasting, omdat hij weet of zou moeten weten dat de factuur niet op de voorgeschreven wijze is opgemaakt. De afnemer die een materieel gebrekkige factuur ontvangt mag, indien hij te goeder trouw is, ervan uitgaan dat hij een 'recht-op-aftrek-gevende' factuur heeft. Het is dan aan de fiscus het tegendeel te stellen en te bewijzen (zie de bijlage, punt 2.3.14). 6.2 Het Hof heeft in onderhavige zaak als feit vastgesteld (punt 2.6.5 van deze conclusie) dat A niet feitelijk op het adres a-straat 1 te Q was gevestigd, doch slechts gebruik maakte van een postbus en een vaste telefoonaansluiting welke was doorgeschakeld naar een mobiel nummer. Het Hof heeft in punt 4.6 van zijn uitspraak op basis van een verklaring van de verhuurder van de kantoren aan de a-straat 1 te Q (opgenomen in punt 4.5 van de hofuitspraak) aannemelijk geacht dat A niet feitelijk op dat adres gevestigd is geweest. Voor zover belanghebbende stelt dat dit oordeel van het Hof onvoldoende is gemotiveerd, gezien de 'in het geding gebrachte stukken' en de verklaringen van E en zijn zwager
(30), faalt middel I. Ik deel de opvatting van de Staatssecretaris dat in 's Hofs oordeel besloten ligt dat de leverancier op de a-straat 1 in Q niet kon worden aangetroffen. 's Hofs oordeel is in overeenstemming met de conclusies over de betekenis van de term 'adres' als besproken in de bijlage (a-straat 1 in Q is, zo ligt in 's Hofs oordeel besloten, niet de plaats waar A zich normaliter/met enige duurzaamheid als ondernemer ophoudt) en is voorts als van feitelijke aard voorbehouden aan het Hof. Het oordeel is mijns inziens niet onbegrijpelijk. 6.3 In punt 4.7 van zijn uitspraak heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat, nu niet het juiste adres op de facturen was vermeld, niet is voldaan aan het in artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, en artikel 35 van de Wet opgenomen vereiste dat de factuur de naam en het adres vermeldt van de ondernemer die de levering of de dienst verricht. Belanghebbende komt tegen dit oordeel in middel I op met de stelling dat aan het adresvereiste van artikel 35, lid 1, onderdeel b, van de Wet is voldaan, indien het op de factuur vermelde adres correspondeert met het adres dat is vermeld in het handelsregister en het adres vermeld in een recente schriftelijke verklaring van de fiscus. Het Hof heeft dit criterium volgens belanghebbende veronachtzaamd. 6.4 In casu staat vast dat belanghebbende van A materieel gebrekkige facturen (vgl. punt 6.1.4 van deze conclusie) heeft ontvangen: op de facturen staat immers een straatadres, maar dat is niet het 'adres' in de zin van artikel 35, lid 1, onderdeel b, van de Wet. Gezien het gegeven dat de adresvermelding op de factuur 'op zicht' volledig is, mag belanghebbende er mijns inziens (zie punt 6.1.4 hiervoor en punt 2.3.14 van de bijlage) in beginsel van uitgaan dat die facturen op de juiste wijze zijn opgemaakt en haar recht op aftrek geven. Het is in die gevallen aan de fiscus om het tegendeel te stellen en te bewijzen, bijvoorbeeld dat belanghebbende niet te goeder trouw was, of dat belanghebbende betrokken was bij omzetbelastingfraude. De fiscus heeft in de hoger beroepsprocedure dergelijke stellingen aangevoerd, maar uit 's Hofs uitspraak blijkt niet dat het Hof dit in zijn oordeel heeft betrokken. Middel I slaagt daarom, verwijzing moet volgen. 6.5 Overigens merk ik op dat belanghebbendes in punt 6.3 van deze conclusie weergegeven stelling niet kan leiden tot de slotsom dat aan het adresvereiste is voldaan. De door belanghebbende genoemde aspecten kunnen wél een rol spelen bij de beoordeling of de fiscus afdoende heeft gesteld en bewezen dat belanghebbende niet erop mocht vertrouwen dat hij een correcte factuur had ontvangen. 6.6 Ook in middel II komt belanghebbende op tegen de punten 4.5 tot en met 4.7 van 's Hofs uitspraak. Naar belanghebbende meent is 's Hofs oordeel dat niet aan het adresvereiste is voldaan, ondanks voldoende verificatie van dat adres door de afnemer, en er derhalve geen recht bestaat op aftrek van voorbelasting, in strijd met het door het HvJ in zijn arrest van 14 juli 1988, Léa Jeunehomme e.a., gevoegde zaken 123/87 en 330/87 (hierna: arrest Jeunehomme), punt 18, gehanteerde criterium dat aftrek niet overdreven moeilijk mag worden gemaakt. Volgens belanghebbende kan van een afnemer niet worden geëist dat deze steeds afreist naar het vestigingsadres van de leverancier. In dit geval had de leverancier in ieder geval een contract met Bouwcentrum Expo BV dat zij op het adres post mocht ontvangen via een 'domicilieregeling' en de overige op de factuur vermelde gegevens maakten het zonder meer mogelijk om de desbetreffende leverancier te identificeren en te achterhalen, aldus belanghebbende. 6.7 De Hoge Raad heeft in BNB 1991/235 (zie punt 2.2.4 van de bijlage) onder verwijzing naar het arrest Jeunehomme, geoordeeld dat de in artikel 35, lid 1, letter b, van de Wet gestelde eisen niet zo talrijk en technisch zijn dat zij de uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk maken. Ik zie geen reden om hierover, bij de door mij gehanteerde uitlegging van het adresvereiste - waarbij ik overigens niet van een afnemer verlang dat deze steeds afreist naar het vestigingsadres van de leverancier -, in een geschil over het tijdvak augustus 2003 anders te oordelen. Ik zie in deze uitlegging ook geen strijd met de artikelen 17, 18 en 22 van de Zesde Richtlijn. Middel II faalt. 7. Aftrek, kwade trouw en btw-fraude (middel V en VI) 7.1 In de bijlage (punt 4.2.8) concludeer ik dat een te goeder trouw zijnde ondernemer die heeft gehandeld met de zorgvuldigheid van een oplettend koopman, niet hoeft te vrezen voor zijn aftrek. Hij wordt beschermd, ook al is zijn leverancier een btw-fraudeur. Indien die ondernemer evenwel wist of had moeten weten dat de aan hem verrichte transactie deel uitmaakte van btw-fraude of indien hij zelf fraudeerde, dan heeft hij geen recht op aftrek (onderdeel 4.4 van de bijlage). 7.2 Het 'hadden-moeten-weten' wordt aan de hand van objectieve elementen vastgesteld (punt 4.3.3 van de bijlage). De objectieve elementen verschillen van geval tot geval. Ik schrijf (punt 4.3.6 van de bijlage) dat bij de beoordeling onder meer een rol kan spelen de soort handel, de bekendheid met de leveranciers en het soort goederen. Het is algemeen bekend dat de handel in mobieltjes fraudegevoelig is, zodat mijns inziens bij de handel in deze goederen extra alertheid mag worden verwacht. Dat betekent niet dat indien in een keten van transacties in mobieltjes ergens frauduleus gehandeld wordt, daarmee automatisch alle schakels in die keten geacht moeten worden van die fraude te hebben moeten weten (alleen) omdat het om mobieltjes gaat. 7.3 In middel VI klaagt belanghebbende dat het Hof heeft verzuimd te reageren op haar stelling (geuit tijdens de mondelinge behandeling van de zaak voor het Hof
(31)en in haar tot de stukken van het geding behorende schriftelijke reactie ná de schorsing van het onderzoek ter zitting) dat de Inspecteur te laat in de procedure - in strijd met het vertrouwensbeginsel en de beginselen van een behoorlijke procesorde - heeft gesteld dat belanghebbende te kwader trouw is. Belanghebbende geeft aan dat de Inspecteur pas in zijn pleitnota voor de zitting van het Hof van 18 juni 2009 heeft gesteld dat belanghebbende kwade trouw moet worden verweten, terwijl de Inspecteur dit volgens belanghebbende - gezien het arrest van het HvJ van 18 december 2008, Sopropé, C-349/07 - al in zijn controlerapport had moeten constateren. 7.4 Feitelijk is het Hof ingegaan op de stelling van de Inspecteur. Uit zijn oordelen dat belanghebbende willens en wetens betrokken is geweest bij de orchestratie van btw-fraude volgt mijns inziens dat het Hof kennelijk meent dat de Inspecteur zijn stelling niet te laat in de procedure heeft ingenomen. De voor cassatie relevante vraag is dan of dat impliciete oordeel standhoudt. Ik meen van wel. 7.5 In het controlerapport - waaraan belanghebbende in het middel refereert - staat op blz. 7 onder het kopje '2.3 Voorbelasting' en het subkopje 'B Holding B.V.' onder meer: "Conclusie 2 Er is sprake van onzorgvuldig handelen door de identiteit van de presterende ondernemer en/of diens vertegenwoordiger niet nader te onderzoeken. Belastingplichtige moet daarom op de hoogte geweest zijn dat met een opzettelijk oogmerk als naam van de presterende ondernemer de naam is vermeld van een ander dan degene die de prestaties in werkelijkheid heeft verricht. Min of meer bewust is hierdoor het risico gelopen dat de in rekening gebrachte omzetbelasting niet aftrekbaar is omdat de identiteit van de presterende leverancier onvoldoende vaststaat." 7.6 Hoewel in het controlerapport niet letterlijk staat dat belanghebbende te kwader trouw is, had belanghebbende uit de geciteerde passage mijns inziens moeten begrijpen dat de Inspecteur haar dit in het controlerapport wel al verweet. Onjuist is dan de stelling van belanghebbende dat de Inspecteur voor het eerst in zijn pleitnota voor het Hof heeft aangegeven dat belanghebbende kwade trouw moet worden verweten. Niet is gesteld of gebleken dat de Inspecteur zijn verwijt ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. 's Hofs impliciete oordeel dat de Inspecteur zijn stelling niet te laat in de procedure heeft ingebracht is mijns inziens dan ook niet onbegrijpelijk. 7.7 Nu middel VI faalt, kom ik toe aan de behandeling van middel V. 7.8 Middel V bestrijdt 's Hofs oordeel in punt 4.15 van zijn uitspraak dat het aannemelijk acht dat belanghebbende 'willens en wetens betrokken is geweest bij de orchestratie van btw-fraude en dat bij de uitvoering daarvan niet altijd even nauwkeurig is gewerkt'. Belanghebbende stelt dat het slechts om drie facturen van B gaat. Het Hof heeft volgens belanghebbende ten onrechte geoordeeld dat B een doornummeringsfout heeft gemaakt, omdat het een pro forma factuur heeft aangezien voor een definitieve factuur. Het oordeel kan niet alleen worden gebaseerd op een verschrijving in het adres van B en een foutje in de orderbevestiging, aldus belanghebbende. 7.9 Vooropgesteld dient te worden dat het gaat om een beslissing van het Hof van feitelijke aard, namelijk om de keuze en waardering van bewijsmiddelen door het Hof. Een dergelijk oordeel is slechts onbegrijpelijk als het Hof niet had kunnen komen tot de gegeven beslissing.
(32)De vraag is, met andere woorden, of de door het Hof in 4.15 genoemde omstandigheden tezamen van voldoende gewicht zijn om de conclusie te kunnen dragen dat belanghebbende willens en wetens betrokken was bij de orchestratie van btw-fraude. 7.10 Ik meen van niet. 7.11 Het Hof baseert zijn oordeel in wezen op drie omstandigheden: de verschrijving in het adres van B op diens facturen,
(33)de andersluidende adressering van de (door belanghebbende opgemaakte) orderbevestigingen, waarop bovendien een verkeerde postcode is vermeld en de omstandigheid dat de nummering van de facturen van B niet doorlopend lijken. 7.7.1 De verschrijving door B op haar facturen getuigen mijns inziens weliswaar van (op zijn minst) slordigheid aan de zijde van B, maar ik zie daarin niet een willens en wetens betrokkenheid bij een orchestratie van btw-fraude door belanghebbende. 7.7.2 Wat betreft de nummering van de facturen meen ik dat het Hof de omstandigheid dat de factuur met de vroegste datum (20 juni 2003) het hoogste nummer
(006)had, wel mocht meewegen. Belanghebbende heeft in haar verweerschrift van 20 september 2007 voor het Hof aangevoerd dat deze factuur een pro forma factuur was. Dat neemt niet weg dat de 'factuur van B met nummer 006 en dagtekening 20 juni 2003' - waaruit op generlei wijze valt af te leiden dat het een pro forma factuur was - onder meer een datum en een factuurnummer en een btw-bedrag vermeldt. Niet gesteld of gebleken is dat deze (mogelijk pro forma) 'factuur', is ingetrokken omdat deze onjuist bleek te zijn. Naar mijn mening kan niet worden geconcludeerd dat het Hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat B een doornummeringsfout heeft gemaakt, omdat hij een pro forma factuur zou hebben aangezien voor een definitieve factuur. Kennelijk is het Hof van oordeel dat de factuur met dagtekening 20 juni 2003 en factuurnummer 006 dan wel de facturen van 7 en 8 juli 2003 met een lager factuurnummer bij belanghebbende alarmbellen hadden moeten laten rinkelen. Wat daar ook van zij, de enkele omstandigheid dat belanghebbende één factuur heeft ontvangen die verbazing zou hebben moeten wekken, lijkt mij onvoldoende grond voor de conclusie dat belanghebbende willens en wetens btw-fraude heeft georchestreerd. 7.7.3 Ten slotte de orderbevestigingen. Hoewel de door belanghebbende opgestelde orderbevestigingen ongetwijfeld onjuistheden bevatten, zie ik niet hoe deze in het onderhavige geval van waarde zijn voor het oordeel dat belanghebbende bij de orchestratie van btw-fraude is betrokken, nu in cassatie feitelijk vaststaat dat daadwerkelijk goederen aan belanghebbende zijn geleverd en het slechts gaat om een verschrijving waarbij de plaatsnaam verkeerd is genoemd. De onweersproken verklaring van belanghebbende dat de orderbevestiging per fax is verzonden kan mijns inziens overigens een verklaring zijn waarom de fout in de orderbevestiging wellicht niet is opgevallen. 7.7.4 Al met al meen ik dat de door het Hof genoemde omstandigheden (ook indien tezamen beoordeeld) niet de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende willens en wetens btw-fraude heeft georchestreerd. 's Hofs oordeel is onvoldoende gemotiveerd, verwijzing moet volgen. 8. Artikel 8:42 Awb; op de zaak betrekking hebbende stukken en redelijke bewijslastverdeling; feitenvaststelling (middel VII) 8.1 Middel VII heeft betrekking op de punten 2.7.6, 2.8.6, 4.2 en 4.3 van de uitspraak van het Hof. Punten 4.2 en 4.3 van die uitspraak heb ik weergegeven in punt 3.5 van deze conclusie. De in middel VII bestreden punten 2.7.6 en 2.8.6 heb ik in punt 2.6.6 en punt 2.7.4 van deze conclusie al weergegeven, doch volledigheidshalve en omwille van de leesbaarheid herhaal ik ze hier: "2.7.6. A heeft slechts één, niet op het onderhavige tijdvak betrekking hebbende, aangifte omzetbelasting ingediend en gedurende haar gehele bestaan geen omzetbelasting op aangifte voldaan. (...)." "2.8.6. Aan B zijn gedurende een korte periode in 2003 aangiftebiljetten omzetbelasting uitgereikt, waarvan er één - welke geen betrekking had op het onderhavige tijdvak - werd ingediend. B heeft over de in geschil zijnde leveringen geen omzetbelasting op aangifte voldaan. De Inspecteur heeft aan B geen naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd nu deze rechtspersoon niet traceerbaar bleek te zijn." 8.2 Het door het Hof in punt 2.7.6, eerste volzin, van zijn uitspraak vastgestelde feit - dat bijna identiek is aan de feitenvaststelling in punt 2.6.6, eerste volzin, van de uitspraak van de Rechtbank - is door belanghebbende in de procedure voor het Hof betwist
(34)en volgens belanghebbende door geen enkel onderliggend stuk van de Belastingdienst onderbouwd. Uit de stukken van het geding en het proces-verbaal van de zitting volgt niet dat belanghebbende haar betwisting nadien heeft ingetrokken. Daarvan uitgaande is het mijns inziens onbegrijpelijk dat het Hof de geciteerde zin als feit heeft vastgesteld. 8.3 Het door het Hof in punt 2.8.6, eerste volzin, van zijn uitspraak vastgestelde feit - dat bijna identiek is aan de feitenvaststelling in punt 2.7.6, eerste volzin, van de uitspraak van de Rechtbank - is door belanghebbende in de hofprocedure betwist
(35)en volgens belanghebbende door geen enkel onderliggend stuk van de Belastingdienst onderbouwd. Uit de stukken van het geding en het proces-verbaal van de zitting volgt niet dat belanghebbende haar betwisting nadien heeft ingetrokken. Daarvan uitgaande is het mijns inziens onbegrijpelijk dat het Hof punt 2.8.6 als feit heeft vastgesteld. 8.4 Met belanghebbende meen ik dat het Hof punt 2.7.6, eerste volzin, en punt 2.8.6 van zijn uitspraak onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd (feitelijk) heeft vastgesteld. Aangezien het Hof zijn oordeel in de zaak niet op deze vaststellingen heeft gebaseerd,
(36)kan het middel in zoverre echter niet tot cassatie leiden. 8.5 Het belang van de stelling van belanghebbende - dat de fiscus een groot aantal relevante stukken met betrekking tot de leveranciers A en B niet in het geding heeft gebracht - is gelegen in haar opvatting dat een correctie van aftrek van voorbelasting bij haar afstuit op de betaling op aangifte of naheffingsaanslag van de betreffende omzetbelasting door A en B. De oordelen van het Hof in de punten 4.2 en 4.3 ten aanzien van B van zijn uitspraak zijn volgens belanghebbende daarom in strijd met artikel 8:42, lid 1, van de Awb. 8.6 Voor zover middel VII opkomt tegen punt 4.2 van 's Hofs uitspraak (zie 3.5) faalt het, reeds omdat uit de motivering van het cassatieberoep en de schriftelijke toelichting niet volgt, wat daarmee mis zou zijn en welk belang belanghebbende zou hebben bij het bestrijden van dit oordeel. 8.7 De in 8.5 opgenomen stelling van belanghebbende kan in zijn algemeenheid niet als juist worden aanvaard, met name niet indien sprake is van fraude (zie onderdeel 4 van de bijlage). De betaling van de omzetbelasting door de presterende ondernemer kan wel van belang zijn voor belanghebbendes beroep op het besluit van 24 april 1991 (zie onderdeel 9 hierna en onderdeel 2.4.8 van de bijlage). Ik ga daarom nader op het middel in. 8.8 Artikel 8:42, lid 1, van de Awb luidt (en luidde): "Binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en dient het een verweerschrift in." 8.9 In zijn arrest van 25 april 2008, nr. 43 448, LJN BA3823, BNB 2008/161 m.nt. Albert, heeft de Hoge Raad zich uitgebreid uitgelaten over de reikwijdte van de verplichting van de fiscus uit hoofde van artikel 8:42, lid 1, van de Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden: "3.5.2. Uit de door de Advocaat-Generaal aangehaalde passages uit de totstandkomings-geschiedenis van de artikelen 8:29 en 8:42 Awb volgt dat alle stukken die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hebben gespeeld aan de belanghebbende en aan de rechter dienen te worden overgelegd, voor zover te dien aanzien niet, althans niet met succes, een beroep wordt gedaan op gewichtige redenen die zich tegen zodanige overlegging verzetten (artikel 8:29 Awb). Indien een belanghebbende zich op het standpunt stelt dat een bepaald aan de inspecteur ter beschikking staand stuk dient te worden overgelegd omdat het op de zaak betrekking heeft, kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan de betwisting van dat laatste door de inspecteur. Die betwisting - evenals haar eventuele onderbouwing - berust immers mede op feitelijke gegevens (de inhoud van dat stuk) die aan de belanghebbende en de rechter niet bekend zijn, zodat zij door de belanghebbende niet kunnen worden weerlegd, en door de rechter niet op juistheid kunnen worden getoetst. Daarbij komt dat indien de inspecteur meent dat gewichtige redenen zich tegen overlegging van het stuk verzetten, hij zich kan beroepen op artikel 8:29 Awb. In het licht van dit een en ander dient artikel 8:42 Awb aldus te worden uitgelegd dat, behoudens gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht, tegemoet dient te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak." 8.10 Het valt op dat belanghebbende niet klaagt over 's Hofs oordeel dat op de zaak betrekking hebbende stukken slechts zijn "die stukken waarover hij beschikt en reeds beschikte ten tijde van het geven van de beschikking en/of het doen van die uitspraak op bezwaar". Met de Staatssecretaris
(37)ben ik van mening dat het Hof met dit oordeel, gezien vorengenoemd arrest - dat geen beperking bevat voor het stadium waarin de procedure verkeert - een te beperkte uitlegging geeft van het begrip 'op de zaak betrekking hebbende stukken'. Het verwijzingshof zal daarom moeten beoordelen of de Inspecteur op de zaak betrekking hebbende stukken aangaande A (met de juiste uitlegging van dat begrip) niet heeft overgelegd. In die beoordeling dient te worden meegewogen of belanghebbende voor het Hof voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de stukken aangaande A van enig belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming van de Inspecteur in haar zaak. 8.11 Voor zover in middel VII wordt geklaagd dat het Hof geen oordeel heeft gegeven over de vraag of de Inspecteur wat betreft B heeft voldaan aan de op grond van artikel 8:42, lid 1, van de Awb rustende verplichting, slaagt het middel. Nu niet blijkt dat belanghebbende haar stelling voor het Hof heeft prijsgegeven, had het Hof die stelling moeten behandelen. Na verwijzing zal dit alsnog dienen te geschieden. 8.12 Kortom: middel VII slaagt, verwijzing moet volgen. 9. Beroep op de resolutie van 23 april 1986 en het besluit van 24 april 1991 (middel III en IV) 9.1 Middel III komt op tegen punten 4.5 tot en met 4.7 van 's Hofs uitspraak. Het vrijwel gelijkluidende middel IV komt op tegen de punten 4.13 tot en met 4.15 van die uitspraak. Belanghebbende stelt in beide middelen dat zij voor het Hof via het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel een beroep heeft gedaan op de resolutie van 23 april 1986
(38)en het besluit van 24 april 1991
(39), en dat het Hof op deze beroepen in zijn uitspraak ten onrechte niet is ingegaan. 9.2 Uit 's Hofs uitspraak, noch uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, noch uit de overige stukken van het geding, blijkt dat belanghebbende haar stelling dat zij op grond van de resolutie van 23 april 1986 en het besluit van 24 april 1991 erop mocht vertrouwen dat zij recht heeft op aftrek van voorbelasting, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Nadat het Hof had geoordeeld dat belanghebbende geen recht had op aftrek van voorbelasting, had hij belanghebbendes hier bedoelde stelling daarom moeten behandelen. Het Hof heeft in zijn uitspraak die stelling evenwel onbesproken gelaten. 's Hofs uitspraak is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed (vgl. HR 20 april 2007, nr. 41 794, LJN BA3309, BNB 2007/229 m.nt. Van Leijenhorst). 9.3 De middelen III en IV slagen. 9.4 Voor zover belanghebbende zich heeft beroepen op de resolutie van 23 april 1986 kan het middel echter niet tot cassatie leiden. Die resolutie ziet (slechts) op situaties dat de leverancier op een factuur ten onrechte omzetbelasting in rekening heeft gebracht. Nu belanghebbende niet heeft gesteld dat A en/of B haar ten onrechte omzetbelasting in rekening zijn/is gebracht, kan haar beroep op de resolutie van 23 april 1986 niet slagen (vgl. punt 2.4.10 van de bijlage). 9.5 Voor zover belanghebbende zich heeft beroepen op het besluit van 24 april 1991, dient verwijzing te volgen. Ik wijs in dit verband op onderdeel 2.4 van de bijlage. 10. Het nultarief en BTW-fraude (middelen VIII, IX, X) 10.1. In onderdeel 3.4 van de bijlage - en in eerdere conclusies, waarnaar ik in de bijlage verwijs - betoog ik dat een (intracommunautaire) levering aan het nultarief is onderworpen indien vaststaat dat de goederen zijn geleverd aan een afnemer die behoort tot de categorie 'intracommunautaire verwervers' (een ondernemer of daarmee gelijkgestelde
(40)) en in verband met die levering worden vervoerd naar een andere lidstaat (en de lidstaat van levering hebben verlaten, zie punt 42 van het arrest Teleos). Dat is alleen anders, zo leid ik uit de rechtspraak van het HvJ af (zie punten 4.4.23 en 4.4.24 van de bijlage) indien de belanghebbende zelf actief betrokken is bij belastingfraude door bewust de voor de toepassing van het nultarief in de nationale regelgeving gestelde voorwaarden niet te vervullen. Het is daarbij mijns inziens aan de inspecteur te stellen en te bewijzen dat dit het geval is. 10.2. De bewijslast voor toepassing van het nultarief rust op belanghebbende (zie punten 3.6 en 3.7 van de bijlage). Het Hof heeft in onderhavige casus feitelijk vastgesteld dat de mobiele telefoons voor D zijn vervoerd naar het Verenigd Koninkrijk: "2.9.2. De goederen bestemd voor Unique zijn alle in opdracht van belanghebbende door een derde vervoer naar het VK vervoerd. (...)". Daarmee staat vast dat in casu er van moet worden uitgegaan dat voldaan is aan de voor de toepassing van het nultarief geldende voorwaarde dat de goederen de lidstaat van levering hebben verlaten en naar een andere lidstaat zijn vervoerd. 10.3. Het nultarief is dan op de litigieuze leveringen aan D (zie voetnoot 6 van deze conclusie voor de bijbehorende facturen) van toepassing indien: - belanghebbende slaagt in de op haar rustende last te bewijzen dat de mobiele telefoons zijn geleverd aan afnemers die behoren tot de categorie 'intracommunautaire verwervers' in de zin van artikel 2, lid 1, onder b, sub
  1. i)van de btw-richtlijn; en - de Inspecteur niet erin slaagt te bewijzen dat belanghebbende zelf actief betrokken is bij belastingfraude door bewust de voor de toepassing van het nultarief in de nationale regelgeving gestelde voorwaarden niet te vervullen. 10.4. Ik deel dan ook niet de opvatting van het Hof waar het in punt 4.16 van zijn uitspraak uit rechtspraak van het HvJ afleidt dat voor de vraag of de leverancier kan worden verplicht tot nabetaling van btw belangrijke indicatoren zijn dat de leverancier te goeder trouw heeft gehandeld, dat hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt en dat zijn betrokkenheid bij fraude uitgesloten is. Deze indicatoren zijn mijns inziens slechts van belang, indien een leverancier niet aan zijn bewijslast ten aanzien van de toepassing van het nultarief kan voldoen, omdat hij geheel buiten zijn schuld te maken heeft met vervalste documenten en met btw-fraude in de handelsketen (vgl. punt 4.2.8 van de bijlage). 10.5. 'Intracommunautaire verwervers' 10.5.1 Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs dat geleverd is aan een afnemer die de status heeft van 'intracommunautaire verwerver' in de zin van artikel 2, lid 1, onder b, sub
  2. i)van de btw-richtlijn
(41)voldoende is dat de hoedanigheid van de afnemer vaststaat, de identiteit van de afnemer hoeft niet per se vast te staan. Ik wijs hier op het in punt 3.9 van de bijlage vermelde arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011, nr. 09/00552, LJN BM9147, BNB 2011/159 m.nt. Bijl. 10.5.2 Het Hof heeft in punt 4.18 van zijn uitspraak geoordeeld dat het de Rechtbank volgt in haar overwegingen dat de door belanghebbende opgestelde facturen niet kunnen dienen als bewijs voor intracommunautaire leveringen, omdat de feitelijke betaling voor de onderhavige leveringen in alle gevallen is verricht door een ander dan degene die op de factuur als afnemer is vermeld, en dit er eerder op wijst dat sprake was van een andere afnemer dan de in de factuur vermelde afnemer. In punt 4.20 oordeelt het Hof dat een en ander erop duidt dat de goederen systematisch werden geleverd aan een ander dan degene die op de factuur als afnemer stond vermeld en dat sprake was van btw-fraude. 10.5.3 Het Hof heeft alleen vastgesteld dat de afnemers op de facturen vermoedelijk niet de feitelijke afnemers waren. Het Hof heeft niets vastgesteld over de hoedanigheid van de feitelijke afnemers. Die constatering kan slechts tot cassatie leiden (zie 10.3 hiervoor), indien in cassatie geen actieve betrokkenheid van belanghebbende bij belastingfraude kan worden aangenomen. 10.6. Belastingfraude 10.6.1 Naar volgt uit het voorgaande (en uit de bijlage) is voor de toepasbaarheid van het nultarief van belang of in cassatie actieve betrokkenheid van belanghebbende bij belastingfraude kan worden aangenomen. In punt 4.20 van zijn uitspraak (met betrekking tot Unique) overwoog het Hof dat 'een en ander' (doelende op het gegeven dat een ander dan de op de factuur vermelde afnemer betaalde) erop duidt dat systematisch werd geleverd aan een ander dan de op de factuur vermelde afnemer en dat sprake was van btw-fraude. In punt 4.21 van zijn uitspraak overwoog het Hof dat de omstandigheid dat belanghebbende zelf de facturen opmaakte en niet naging of geleverd was aan degenen die op de facturen als afnemer waren vermeld, ook niet toen bleek dat anderen dan de gefactureerden betaalden, erop duidde dat belanghebbende een werkzaam aandeel had in btw-fraude. 10.6.2 Mij valt op dat het Hof in zijn overwegingen niet duidelijk aangeeft waaruit de (vermeende) btw-fraude zou bestaan. Daarnaast vind ik opmerkelijk dat de Inspecteur, die in dit kader de stelplicht en de bewijslast heeft (zie 10.1), in de hoger beroepsprocedure niet heeft gesteld dat belanghebbende (wat betreft de leveringen aan Unique) actief betrokken was bij btw-fraude. Nu de Inspecteur deze stelling niet heeft ingenomen, is het Hof met zijn oordeel dat belanghebbende een werkzaam aandeel had in btw-fraude mijns inziens buiten de rechtsstrijd getreden. Ik wijs in dit verband op R.J. Koopman, die zijn bijdrage Een blik over de grenzen van de rechtsstrijd, in TFB 2005/07 - na een analyse van de rechtspraak van de Hoge Raad - besluit met: "In de rechtspraak van de Hoge Raad in belastingzaken waarin de grenzen van de rechtsstrijd aan de orde komen, lijkt de bescherming van partijen tegen ongewenst en onaangekondigd activisme van de rechter centraal te staan. De belastingrechter mag wel ambtshalve een onderzoek naar niet gestelde of weersproken feiten instellen, maar moet eerst aan partijen vragen of zij zich op die feiten wensen te beroepen. Doen partijen dat niet, dan moet de rechter afzien van verder onderzoek naar die feiten. (...)" 10.6.3 Ook overigens ben ik van oordeel dat het nultarief niet kan worden geweigerd. In punt 4.4.24 van de bijlage geef ik aan dat de constatering dat fraude plaatsvindt, op zichzelf nog geen reden is om het nultarief te weigeren. Het is aan de lidstaten om voorwaarden te stellen aan toepassing van het nultarief. 10.6.4 In de onderhavige tijdvakken had Nederland geen (bijzondere) voorwaarden gesteld aan de toepasbaarheid van het nultarief
(42). Het enkele feit dat belanghebbende niet heeft gecontroleerd of de betalingen van de litigieuze facturen wel afkomstig waren van de op de factuur vermelde afnemers, is mijns inziens onvoldoende om tot de conclusie te komen dat belanghebbende actief betrokken was bij btw-fraude. Niet relevant is dat belanghebbende niet duidelijk heeft kunnen maken of er een relatie was tussen degene die de betaling heeft verricht en degenen die op de factuur als afnemer zijn genoemd. Ook het enkele feit dat belanghebbende de facturen zelf heeft opgemaakt kan mijns inziens niet tot de conclusie leiden dat zij actief betrokken was bij btw-fraude. Het opmaken van facturen door een leverancier van goederen is niet ongebruikelijk en duidt niet onmiddellijk op fraude. 10.
  1. Bespreking van de middelen VIII, IX en X 10.7.1 Ik meen dat belanghebbendes stellingen in de schriftelijke toelichting aangaande middel VIII over het 'uit de lucht komen vallen' en het niet gebaseerd zijn op onderliggende stukken van btw-fraude en over haar onmogelijkheid om hierop te reageren moeten worden opgevat als de stelling dat het Hof met zijn oordeel dat belanghebbende een werkzaam aandeel had in btw-fraude buiten de rechtsstrijd is getreden. Het middel slaagt in zoverre (vgl. 10.6.2 hiervoor). 10.7.2 Dat betekent dat in cassatie niet vast staat dat belanghebbende met betrekking tot de litigieuze transacties met D actief betrokken was bij btw-fraude. De toepassing van het nultarief kan dus niet aan belanghebbende worden geweigerd, tenzij belanghebbende niet afdoende heeft bewezen dat de mobiele telefoons aan 'intracommunautaire verwervers' zijn geleverd. Mijns inziens moet in casu wel sprake zijn van levering aan 'intracommunautaire verwervers'. Gelet op het aantal telefoons per levering en de factuurbedragen is het hoogst onwaarschijnlijk dat we met een niet-ondernemer of een niet met een ondernemer gelijkgestelde te maken hebben. Middel VIII slaagt in zoverre. Aan de voorwaarden voor toepassing van het nultarief is mijns inziens voldaan. 10.7.3 De Hoge Raad kan de zaak op dit punt afdoen. De middelen VIII, IX en X behoeven voor het overige geen behandeling.
  2. Vertrouwensbeginsel en het nultarief (middel XI) 11.
  3. Belanghebbende stelt dat zij voor het Hof via het vertrouwensbeginsel een beroep heeft gedaan op een aantal resoluties
(43)en zich daarnaast heeft beroepen op vertrouwen dat zij had ontleend aan vooroverleg met de fiscus en eerdere controleonderzoeken. In middel XI klaagt belanghebbende dat het Hof kennelijk één 'vertrouwensbeginselberoep' over het hoofd heeft gezien, dat niet duidelijk is welke en dat 's Hofs oordeel reeds om die reden ondeugdelijk is gemotiveerd. 11.
  1. Met belanghebbende meen ik dat het Hof kennelijk slechts één vertrouwensbeginselberoep heeft behandeld. Nu het Hof spreekt van belanghebbendes beroep op 'door de Inspecteur gewekt, in rechte te beschermen vertrouwen', kan mijns inziens geen misverstand bestaan over welk beroep het Hof niet heeft behandeld: haar beroep op de resoluties. 11.
  2. Deze constatering leidt niet per definitie tot cassatie. Immers, 's Hofs oordeel dat belanghebbende een werkzaam aandeel had in btw-fraude, indien juist, rechtvaardigt de conclusie dat belanghebbende zich in dit kader sowieso niet met succes op gerechtvaardigd vertrouwen kan beroepen. 11.
  3. Ik betoogde eerder (punt 10.6.2) al dat het Hof met zijn oordeel dat belanghebbende een werkzaam aandeel had in btw-fraude buiten de rechtsstrijd is getreden. Dit brengt met zich dat ook het in punt 4.21 van de uitspraak gegeven oordeel geen stand houdt. Het verwijzingshof dient belanghebbendes stellingen over het vertrouwensbeginsel beroep te (her)beoordelen.
  4. Het bewijsaanbod (middel XII) 12.1 In het twaalfde middel betoogt belanghebbende dat punt 4.1 van 's Hofs uitspraak (geciteerd in punt 3.4 van deze conclusie) in strijd is met het recht, althans dat sprake is van een fataal vormverzuim dat moet leiden tot cassatie, omdat het Hof heeft geoordeeld dat (i) het achterwege blijven van een nadere zitting tot gevolg heeft dat de bewijsaanboden zijn ingetrokken; (ii) het niet hoeft in te gaan op bewijsaanbod dat is gedaan onder de voorwaarde dat het Hof een voorlopige oordeel geeft omtrent de waardering van het door partijen bijeengebrachte bewijs. 12.2 Het Hof heeft in punt 4.1 van zijn uitspraak het bewijsaanbod in de vorm van getuigenbewijs als ingetrokken beschouwd in verband met de toestemming van belanghebbende in het achterwege blijven van een nadere zitting.
(44)Voor zover belanghebbende klaagt dat het Hof (ook) andere bewijsaanboden als ingetrokken heeft beschouwd, berust die klacht op een verkeerde lezing van 's Hofs uitspraak en kan middel XII niet tot cassatie leiden. 12.3 Bij brief van 12 maart 2009 heeft het Hof belanghebbende uitgenodigd voor een (eerste) mondelinge behandeling op 18 juni 2009. In die brief staat onder meer: "U kunt getuigen en deskundigen meebrengen (...), mits u daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan het gerechtshof en aan de andere partij(en) mededeling hebt gedaan, met vermelding van hun namen en woonplaatsen. (...) Tot tien dagen voor de zitting kunt u nadere stukken (in 3-voud) indienen bij het gerechtshof, onder vermelding van kenmerknummer en datum van de zitting." 12.4 Bij brief van 5 juni 2009, fax van 8 juni 2009 en fax van 16 juni 2009 heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de haar in de brief van 12 maart 2009 door het Hof geboden mogelijkheid om nadere stukken in te dienen. In deze stukken, in de door belanghebbende ter zitting overgelegde pleitnota, noch in het proces-verbaal van de zitting voor het Hof lees ik een getuigenaanbod door belanghebbende. 12.5 In het proces-verbaal van de zitting op 18 juni 2009 staat onder meer: "Het Hof schorst het onderzoek ter zitting en bepaalt daarbij dat het vooronderzoek wordt hervat om belanghebbende in de gelegenheid te stellen te reageren op de door de Inspecteur in zijn pleitnota ingenomen stelling
(45)zoals hiervoor besproken. De termijn hiervoor is vier weken." Belanghebbende heeft op bedoelde stelling van de Inspecteur gereageerd bij brief van 2 juli 2009. Ook in deze brief heb ik geen getuigenaanbod ontdekt. 12.6 Ik leid hieruit (12.4 en 12.5) af dat alle bewijsaanboden in de vorm van getuigenbewijs door belanghebbende zijn gedaan, voordat zij de in 12.3 geciteerde brief van 12 maart 2009 ontving. 12.7 Bij brief van 20 oktober 2009
(46)heeft (de griffier van) het Hof belanghebbende als volgt geïnformeerd: "Bijgaand zend ik u ter kennisneming afschriften van de brieven van de wederpartij. Alleen tijdens een nadere zitting kunt u hierop inhoudelijk reageren. Indien u dit niet noodzakelijk vindt, wilt u dan bijgesloten formulier ondertekenen en vóór 17 november 2009 aan mij toezenden?" 12.8 Met dagtekening 12 november 2009 heeft belanghebbende de volgende verklaring ondertekend en verzonden naar het Hof: "Ondergetekende verleent het gerechtshof toestemming om zonder nadere zitting op het beroep te beslissen." 12.9 Het Hof heeft zich bij zijn in cassatie bestreden beslissing omtrent het bewijsaanbod laten leiden door het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003, nr. 38 222, LJN AF8485, BNB 2003/
  1. De belanghebbende in die zaak had het hof verzocht de zitting uit te stellen, omdat zij op de door het hof voorgestelde datum verhinderd was en zij een getuige wenste op te roepen. Het hof stond uitstel toe en stuurde de belanghebbende (bij aangetekende brief, die voor ontvangst werd getekend) een nieuwe uitnodiging voor de mondelinge behandeling. Nadien werd van de belanghebbende niets vernomen. Zij verscheen ook niet ter zitting. Het hof liet de mondelinge behandeling doorgaan. De Hoge Raad overwoog: "3.1.
  2. Het Hof heeft overwogen dat het geen aanleiding heeft gezien om de mondelinge behandeling geen doorgang te laten vinden en dat het ervan is uitgegaan dat belanghebbende ervan heeft afgezien een getuige op te roepen, omdat na het verzenden van de uitnodiging voor de zitting van 23 november 2001 niets meer van belanghebbende is vernomen. 3.1.
  3. Voorzover de klachten van belanghebbende zijn gericht tegen voormeld oordeel van het Hof, falen zij. In de uitnodiging voor de zitting van 23 november 2001 is belanghebbende te kennen gegeven dat zij getuigen kon meebrengen of oproepen, mits zij daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan het gerechtshof en aan de andere partij(en) mededeling zou doen, met vermelding van hun namen en woonplaatsen. Gelet hierop en op de omstandigheid dat belanghebbende zonder nader bericht niet ter zitting is verschenen, heeft het Hof zonder schending van enig beginsel van behoorlijke procesvoering kunnen aannemen dat belanghebbende ervan heeft afgezien een getuige op te roepen." 12.10 Belanghebbende is van mening dat het vorenaangehaalde arrest BNB 2003/257 in haar geval niet tot de conclusie kan leiden dat het Hof zonder schending van enig beginsel van behoorlijke procesvoering heeft kunnen aannemen dat belanghebbende ervan heeft afgezien een getuige op te roepen. De feiten in haar zaak liggen anders. Zij is immers niet zonder bericht niet verschenen, aldus belanghebbende. 12.11 Van 's Hofs uitnodiging, in zijn brief van 12 maart 2009 (zie punt 12.3) om getuigen mee te nemen naar de mondelinge behandeling, heeft belanghebbende blijkens de processtukken geen gebruik gemaakt. Nadien heeft belanghebbende geen getuigenbewijs aangeboden. Belanghebbende, die werd bijgestaan door een professionele gemachtigde, had mijns inziens moeten begrijpen dat zij door het verlenen van toestemming aan het Hof om zonder nadere zitting op het beroep te beslissen niet meer in de gelegenheid zou zijn om door haar aangeboden getuigenbewijs te leveren. Evenzeer had de door een professioneel gemachtigde bijgestane belanghebbende moeten begrijpen dat tijdens de (aangeboden) nadere zitting niet uitsluitend een reactie op de in de brief vermelde 'stukken van de wederpartij' kon worden gegeven. De brief van het Hof geeft voor die conclusie geen aanleiding. Ik meen dat het Hof uit die toestemming heeft mogen afleiden dat belanghebbende kennelijk niet langer de behoefte voelde om getuigenbewijs te leveren, en dat het Hof - zonder schending van enig beginsel van behoorlijke procesvoering - heeft kunnen aannemen dat het getuigenbewijs als ingetrokken moet worden beschouwd, doordat belanghebbende heeft toegestemd in het achterwege blijven van een nadere zitting. Middel XII faalt ook in zoverre. 12.12 Voorts richt middel XII zich tegen 's Hofs oordeel dat 'het bewijsaanbod niet anders kan worden aangemerkt dan als een bewijsaanbod onder de voorwaarde dat het Hof een voorlopig oordeel geeft omtrent de waardering van het door partijen bijgebrachte bewijs'. Belanghebbende stelt in dit kader dat 's Hofs oordeel onbegrijpelijk is, nu niet aan al haar bewijsaanboden voorwaarden zijn gehecht. Zij wijst op onderdeel 4.5 van de motivering van haar hoger beroepschrift d.d. 20 september 2007
(47)en stelt
(48)(zonder nadere specificatie) dat dit aspect ook bij andere bewijsaanboden speelt. 's Hofs oordeel, dat het bewijsaanbod - in andere vorm dan getuigenbewijs - steeds een voorwaardelijk bewijsaanbod inhield, is daarmee naar mijn mening onbegrijpelijk. 12.13 Deze constatering leidt echter niet per definitie tot cassatie. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2004, nr. 38 831, LJN AR7741, BNB 2005/152 m.nt. Aardema, volgt dat essentieel is of het Hof belanghebbende de gelegenheid heeft geboden tot uitvoering van het bewijsaanbod. Immers, zo volgt uit dit arrest, indien de gelegenheid is geboden en belanghebbende maakt daar geen gebruik van, kan zij in cassatie niet met vrucht klagen dat haar bewijsaanbod gepasseerd is. 12.14 Bij brief van 12 maart 2009 (zie 12.3 hiervoor) heeft het Hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen. Voor bewijsaanbod gedaan vóór 12 maart 2009 heeft het Hof belanghebbende in de gelegenheid gesteld bewijs aan te bieden. Voor zover belanghebbende hiervan geen gebruik heeft gemaakt, kan zij daarover in cassatie niet met vrucht klagen. In middel XII klaagt belanghebbende mijns inziens niet over een foutief oordeel van het Hof aangaande na 12 maart 2009 aangeboden bewijs. Ook in zoverre leidt middel XII niet tot cassatie.
  1. Klachten ter zake van C (middel XIII) 13.1 Dit middel ziet op 's Hofs feitenvaststelling aangaande C (punt 2.10.4 en 2.10.5 van de hofuitspraak) en het oordeel (in punt 4.23) dat belanghebbende geen belang heeft bij haar grieven inzake C. 13.2 In punt 4.23 oordeelde het Hof dat belanghebbende geen belang had bij haar grieven, omdat zelfs indien het Hof zou oordelen dat de correctie inzake C ad € 83.669 (zie 2.4 hierboven) ten onrechte is aangebracht, dit niet tot een teruggave van omzetbelasting zou kunnen leiden. Of belanghebbende geen belang heeft bij haar grieven inzake C is mede afhankelijk van de oordelen van het verwijzingshof. In cassatie kan niet worden getoetst of het 's Hofs conclusie in punt 4.23 juist is. Daarom zal het verwijzingshof dit in zijn beoordeling moeten meenemen en zo nodig belanghebbendes grieven alsnog behandelen. 13.3 De in middel XIII bestreden punten 2.10.4 en 2.10.5 van de hofuitspraak luiden: "2.10.
  2. Van de in geschil zijnde leveringen aan C is de betaling ontvangen van een ander bedrijf dan waaraan was gefactureerd. (...) 2.10.5 C ontkent leveringen van belanghebbende te hebben ontvangen of betalingen aan belanghebbende te hebben verricht. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende betalingen van C heeft ontvangen." Het door het Hof vastgestelde feit dat de betaling is ontvangen van een ander bedrijf is door belanghebbende in de procedure voor het Hof betwist.
(49)Zij geeft dat zij wel heeft gesteld
(50)dat zij betaling van C heeft ontvangen. Uit de stukken van het geding en het proces-verbaal van de zitting volgt niet dat belanghebbende haar betwisting c.q. stelling nadien heeft ingetrokken. Daarvan uitgaande is het mijns inziens onbegrijpelijk dat het Hof de geciteerde zinnen als feiten heeft vastgesteld. 13.4 Met belanghebbende meen ik dat het Hof punt 2.10.4, eerste volzin, en punt 2.10.5 van zijn uitspraak onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd (feitelijk) heeft vastgesteld. Aangezien het Hof zijn oordeel ter zake van C niet op deze vaststellingen heeft gebaseerd,
(51)kan het middel in zoverre echter niet tot cassatie leiden
(52).
  1. Ten slotte (en middel XIV) 14.1 Uit het vorenstaande en op de daar vermelde gronden volgt dat ik van mening ben dat de middelen I, III, IV, V, VII, en VIII slagen en tot cassatie dienen te leiden. 14.2 Nu die middelen slagen, slaagt ook middel XIV.
  2. Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en dat verwijzing dient te volgen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal 1 De andere zaken zijn die met rolnummers 11/01551, 11/01594, 11/01653 en 11/
  3. 2 De Inspecteur van Belastingdienst P. 3 MvH: € 489.250 = € 185.060 (als aftrekbare omzetbelasting aangegeven ten aanzien van levering van goederen door B Holding B.V.) + € 304.190 (als aftrekbare omzetbelasting aangegeven ten aanzien van de levering van goederen door DD BV). 4 MvH: de correctie betrof leveringen ten bedrage van € 2.401.744 ( x 19/119 = € 383.471). Blijkens de motivering van de uitspraak op bezwaar heeft van het correctie bedrag van € 383.471 betrekking op D Ltd. € 243.121, op C Ltd. € 83.669 en op AAA Ltd. € 56.
  4. 5 Met dien verstande dat op die facturen 'b-straat' (met een 'e' te veel) is vermeld. 6 Het gaat om twee facturen: - factuur met datum 3 juli 2003 en factuurnummer 007, met btw percentage
  5. - factuur met datum 8 juli 2003 en factuurnummer 008, met btw percentage
  6. 7 MvH: bedoeld is het hoger beroep van de Inspecteur en het hoger beroep van belanghebbende, welke beroepen bij het Hof onder verschillende zaaknummers geregistreerd zijn. 8 Vóór 4.2 heeft het Hof de kop 'met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag, voor wat betreft A' geplaatst. B wordt in de kop niet vermeld. 9 MvH: Ik neem aan dat het Hof hier bedoelt te zeggen: "degenen die op de facturen als afnemer zijn genoemd" dan wel "degene die op de factuur als afnemer is genoemd". 10 MvH: Zie punt 2.8.3 van deze conclusie. 11 MvH: Ik vermoed dat het woordje 'dan' hier is weggevallen. 12 MvH: Bedoeld zal zijn 'vormden'. 13 MvH: Zie punt 2.8.3 van deze conclusie: van de in geschil zijnde leveringen is de betaling ontvangen van anderen dan degenen die als afnemer op de facturen zijn genoemd. 14 MvH: Naar ik aanneem bedoelt het Hof hier 'degene' (dan wel moet 'stond' verderop in de zin gelezen worden als 'stonden'). 15 Zie punt 2.4.9 van de bijlage. 16 Zie punt 2.4.2 van de bijlage. 17 Belanghebbende noemt onder meer door de Engelse fiscus aan de op de facturen vermelde afnemer rechtstreeks afgegeven certificate of registration for VAT, stukken met betrekking tot de btw-verificatie van de afnemer ten tijde van de transactie, 'release notes' ter zake van de afgifte van de dienstverlener aan D, en de door de Engelse Kamer van Koophandel rechtstreeks aan drie 'afnemers' afgegeven bewijs van oprichting. 18 Belanghebbende stelt dat deugdelijke btw-verificaties hebben plaatsgevonden en dat dit door de Inspecteur niet is betwist. 19 's Hofs uitspraak bevat geen punten 4.3.1 en 4.3.
  7. Waarschijnlijk doelt belanghebbende op de punten 4.16 en 4.17 van de Hofuitspraak, die identiek zijn aan de punten 4.3.1 en 4.3.2 van de hofuitspraak in de zaak die in cassatie aanhangig is onder nummer 11/01653 en waarin ik vandaag eveneens concludeer. 20 Thans op grond van artikel 19 VEU het van het Hof van Justitie van de Europese Unie deel uitmakende Hof van Justitie. De afkorting 'HvJ' wordt in deze conclusie gehanteerd voor zowel arresten (respectievelijk beschikkingen) die zijn gewezen toen het Hof van Justitie nog 'van de Europese Gemeenschappen' was, als voor arresten en beschikkingen die het HvJ als onderdeel van het HvJ EU heeft gewezen. 21 "4.
  8. Die constatering reeds verhindert de door belanghebbende bepleite aftrek van voorbelasting op facturen van "A"." 22 "4.
  9. Gelet op al het vorenstaande is de beschikking, waarin is beslist dat niet aan het verzoek om teruggave werd tegemoetgekomen, juist." 23 "4.
  10. Gelet op die vaststelling is het hoger beroep van de Inspecteur gegrond, het hoger beroep van belanghebbende ongegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Onder vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank moet worden beslist dat het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond is." 24 "4.
  11. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt, nu de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank uitsluitend voortvloeit uit de omstandigheid dat het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep ten onrechte gegrond is verklaard." 25 "4.
  12. Belanghebbende heeft verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Nu het bij de Rechtbank ingediende beroep ongegrond zal worden verklaard acht het Hof hiervoor geen termen aanwezig." 26 "4.
  13. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb." 27 Bij brief van 28 juli 2011 heeft de Staatssecretaris medegedeeld dat zijnerzijds geen schriftelijke toelichting zal worden ingediend. 28 Zie zijn brief van 31 augustus
  14. 29 En er aan de overige factuurvereisten is voldaan. 30 Zie punt 2.12 van (de motivering van) het beroepschrift in cassatie. 31 Zie blz. 3, bovenaan, van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof op 18 juni
  15. 32 Vgl. A.O. Lubbers, Belastingarresten lezen en analyseren, Sdu, Amersfoort, 2007, blz.
  16. 33 B vermeldde op haar facturen 'b-straat' in plaats van 'b-straat'. 34 Zie onderdeel 3.27 (blz. 14 - 15) van belanghebbendes verweerschrift in de procedure voor het Hof: "3.
  17. In nr. 2.6.6 stelt de Rechtbank Breda vast dat A slechts één, niet op onderhavige tijdvak betrekking hebbende, aangifte omzetbelasting heeft ingediend en gedurende haar gehele bestaan geen omzetbelasting op aangiften heeft voldaan. Dat wordt echter betwist. Daaromtrent is geen enkel onderliggend bewijsstuk naar voren gebracht door de Belastingdienst. Om die reden mag de rechter niet van deze feiten uitgaan. Het grote probleem is nu juist in deze procedure dat de Belastingdienst in strijd met art. 8:42 Awb geen enkel relevant stuk met betrekking tot de fiscale positie van DD B.V. in het geding heeft gebracht, geen kopieën van naheffingsaanslagen, geen kopieën van controlerapporten, geen kopieën van aangiften, enzovoorts. Een en ander wordt dan ook uitdrukkelijk betwist. In beginsel dient de Belastingdienst voorts deze stelling te bewijzen. Indien er daadwerkelijk geen aangiftes zijn ingediend en ook niet is betaald, mag verwacht worden dat er naheffingsaanslagen zijn opgelegd. In ieder geval mag verwacht worden dat onder die omstandigheden er controlerapporten zijn c.q. processen-verbaal van onderzoek door de Belastingdienst/FIOD. Die zijn niet in het geding gebracht. Hetgeen in de eerste volzin van r.o. 2.6.6 door de rechtbank is vastgesteld is dan ook betwist." 35 Zie onderdeel 4.36 (blz. 27 - 28) van belanghebbendes verweerschrift in de procedure voor het Hof: "4.
  18. In r.o. 2.7.6 in de uitspraak met betrekking tot X B.V. stelt de rechtbank vast dat aan B gedurende een korte periode in 2003 aangiftebiljetten omzetbelasting zijn uitgereikt, waarvan er één (welke geen betrekking zou hebben op het onderhavige tijdvak) zou zijn ingediend. Voorts stelt de rechtbank vast dat B geen omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de Inspecteur aan B geen naheffingsaanslag omzetbelasting heeft opgelegd, nu deze rechtspersoon niet traceerbaar bleek te zijn. Al deze feitenvaststellingen in r.o. 2.7.6 van de Rechtbank Breda worden betwist. Het bewijs van deze stellingen van de Belastingdienst Eindhoven ontbreekt namelijk volledig. Aldus mag de rechter geen (betwiste) feiten vaststellen. Met betrekking tot B zijn er niet of nauwelijks relevante stukken in het geding gebracht. Controlerapporten ontbreken, eventuele processen-verbaal van bevindingen van de Belastingdienst / FIOD ontbreken, kopieën aangiftes ontbreken, kopieën van naheffingsaanslagen ontbreken. Ook ontbreekt bijvoorbeeld een bewijs dat er gezocht is naar B en men deze vennootschap op enig moment niet kon vinden. Ook ontbreekt bewijs dat er gezocht is naar J en men hem niet kon vinden. Kortom: r.o. 2.7.6 steunt niet op onderliggende gedingstukken en wordt betwist. Het ligt voorts op de weg van de Belastingdienst om een en ander te bewijzen, zulks terwijl dergelijke onderliggende stukken gelet op art. 8:42 Awb toch al in het geding hadden moeten worden gebracht." 36 Het Hof legde immers aan zijn oordeel voor A ten grondslag - geparafraseerd - dat A niet is gevestigd op de a-straat, dat de a-straat als adres op de factuur is vermeld en dat dus de factuur niet voldoet aan de daaraan op grond van artikel 35 van de Wet gestelde eisen en daarmee niet een op de voorgeschreven wijze in de zin van artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet is opgemaakt, hetgeen leidt tot niet-aftrekbaarheid van de op de factuur vermelde omzetbelasting. Voor wat betreft B legde het Hof aan zijn oordeel ten grondslag dat belanghebbende willens en wetens betrokken was bij de orchestratie van btw-fraude. 37 Zie blz. 6, tweede tekstblok, van het verweerschrift in cassatie. 38 Het beroep op de resolutie van 23 april 1986 staat voor wat betreft de facturen van A op bladzijde 10 van belanghebbendes verweerschrift in hoger beroep en voor wat betreft de facturen van B op bladzijde
  19. 39 Het beroep op het besluit van 24 april 1991 staat voor wat betreft de facturen van A op bladzijde 11 van belanghebbendes verweerschrift in hoger beroep en voor wat betreft de facturen van B op bladzijde
  20. 40 Zie artikel 2, lid 1, onder b, sub i) gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, onder b en lid 2 en lid 3, van de btw-richtlijn. 41 Gelezen in verbinding met artikel 3 van de btw-richtlijn. 42 Pas met ingang van 1 januari 2006 werd voor de toepassing van het nultarief vereist dat de leverancier beschikt over het correcte btw-identicatienummer van zijn afnemer. Zie voetnoot 45 in de bijlage. 43 Resolutie van 1 oktober 2002, V-N 2002/50.20, mededeling 38 van de staatssecretaris van Financiën, gepubliceerd in V-N 1995, blz. 2324 e.v. en aanvulling op het besluit van 20 juni 1995 van de staatssecretaris van Financiën, gepubliceerd in V-N 1995, blz.
  21. 44 Ingevolge artikel 8:64, lid 5, van de Awb in verbinding met artikel 27j, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan na een schorsing van het onderzoek ter zitting worden bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. Vgl. Hoge Raad 6 april 2012, nr. 11/04688, LJN BW0937, NTFR 2012/854 m. nt. Van Amersfoort, punt 3.
  22. 45 MvH: De Inspecteur had in zijn pleitnota voor het eerst een beroep gedaan op het arrest van het HvJ van 6 juli 2006, Kittel en Recolta, gevoegde zaken C-439/04 en C-440/04, V-N 2006/42.
  23. 46 Welke brief volgens belanghebbende tot de gedingstukken behoort, maar die ik niet in het procesdossier heb aangetroffen. Het hierna volgende citaat is overgenomen uit de schriftelijke toelichting van belanghebbende. Uit eigen wetenschap is de verzending van brieven met een dergelijke tekst mij bekend. Ik heb geen reden te twijfelen aan de ontvangst van deze brief door belanghebbende. 47 "4.
  24. Aangeboden wordt om van iedere door de desbetreffende X-vennootschappen verrichte transactie, die thans gecorrigeerd wordt, alle relevante stukken in deze procedure in het geding te brengen. We hebben het dan o.a. over de hierboven genoemde stukken. Voor de zekerheid zij wel opgemerkt dat dat dan vermoedelijk enige dozen aan stukken zullen zijn, omdat van iedere transactie in verband met het bewijs van het 0%-tarief een enorme hoeveelheid stukken beschikbaar is. Die stukken zijn ook door de Belastingdienst beoordeeld. De enige opmerking die de Belastingdienst daarna nog kon maken was dat men betwistte dat de afnemer ook de daadwerkelijke afnemer zou zijn geweest. Niet wordt betwist door de Belastingdienst en derhalve staat vast dat de goederen daadwerkelijk in het buitenland zijn beland in het kader van de levering en aldaar via L zijn vrijgegeven en afgegeven aan een buitenlandse afnemer." 48 Op blz. 51 van de motivering van haar beroepschrift in cassatie. 49 Zie onderdeel 8.37 (blz. 47) van belanghebbendes beroepschrift in de procedure voor het Hof: "Tot slot heeft men bij C SRL vergeten bij de beoordeling te betrekken dat C SRL toch echt rechtstreeks betaald heeft blijkens bijlage 70 bij de motivering van het beroepschrift in eerste aanleg. C SRL was de Italiaanse afnemer van X B.V." 50 Vgl. de voorgaande voetnoot en bijlage 70 bij de motivering van het beroepschrift bij de Rechtbank. 51 Het Hof heeft immers belanghebbendes grieven inzake C onbesproken gelaten, omdat zij bij die grieven geen belang zou hebben aangezien een correctie op dit punt niet zou kunnen leiden tot een teruggave van omzetbelasting. 52 Belanghebbendes overige klachten over de punten 2.10.4 en 2.10.5 behandel ik in deze conclusie niet, omdat zij op dezelfde grond - het Hof heeft zijn oordeel niet op de punten 2.10.4 en 2.10.5 gebaseerd - niet tot cassatie kunnen leiden. PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN MR. M.E. VAN HILTEN ADVOCAAT-GENERAAL Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 19 april 2012 inzake: nrs. 11/01551, 11/01594, 11/01624, 11/01653 en 11/02825 Derde Kamer A
  25. Inleiding Deze bijlage vormt onderdeel van vijf conclusies in zaken die met elkaar gemeen hebben dat zij alle betrekking hebben op handelstransacties met een intracommunautaire tint waarbij onregelmatigheden zijn geconstateerd. In elk van de vijf zaken speelt één of meer van de volgende vragen. Ten eerste die of aan de aftrek van voorbelasting de eis kan worden gesteld dat de leverancier - de opsteller van de factuur - feitelijk is gevestigd op het op de factuur vermelde adres. In de tweede plaats speelt de vraag of voor de toepassing van het nultarief ter zake van een intracommunautaire levering de afnemer geïdentificeerd dient te zijn. Ten slotte wordt in (enkele van) de vijf zaken de vraag opgeworpen of toepassing van het nultarief - dan wel teruggaaf van omzetbelasting - geweigerd kan worden op de enkele grond dat sprake is van betrokkenheid bij (carrousel)fraude. Op de voor de beantwoording van deze vragen relevante aspecten ga ik achtereenvolgens in de onderdelen 2, 3 en 4 van deze bijlage in.
  26. De voor aftrek van voorbelasting vereiste identificatie van de leverancier 2.
  27. Relevantie van facturen voor de aftrek van voorbelasting 2.1.1 De factuur vervult een essentiële rol in de omzetbelasting. Niet voor niets wordt wel gezegd dat de factuur in zekere zin een waardepapier vormt
(1): aftrekbaar is slechts de voorbelasting die is vermeld op een 'op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur'.
(2)De factuur vormt als het ware het bewijsstuk, het basisdocument op grond waarvan het recht op aftrek kan worden uitgeoefend.
(3)Daarom is de factuur met name voor de afnemer van de prestatie van belang: hij heeft immers de bewijslast van het recht op aftrek, en aangezien het recht op aftrek een correcte factuur vereist, is (vooral) de afnemer erbij gebaat zich van de juistheid van de factuur te vergewissen. Daarnaast heeft de factuur (voor de fiscus) een controlefunctie: aan de hand van de facturen kan immers achteraf worden nagegaan of de in rekening gebrachte omzetbelasting - onder toepassing van het juiste tarief - door de presterende ondernemer is voldaan. 2.1.2 Het mag dan ook geen verwondering wekken dat aan de factuur, aan de hand waarvan het recht op aftrek geldend wordt gemaakt, strakke voorwaarden zijn gesteld. Ik citeer uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet): "Aangezien de aftrek van voorbelasting voor de desbetreffende ondernemer bepalend is voor de door hem af te dragen belasting, is, mede in verband met een doeltreffende controle, de binding van deze aftrek aan strenge formele vereisten op haar plaats."
(4)2.2 Factuureisen 2.2.1 Anders dan men wellicht op basis van het voorgaande zou verwachten, stelde de Zesde richtlijn
(5)aanvankelijk helemaal niet zoveel eisen aan de factuur. Kennelijk - zie de toelichting op het voorstel voor een Zesde richtlijn, onder meer gepubliceerd in V-N 1973/18A - 'bleek het niet nodig in dit opzicht de talrijke nationale voorschriften betreffende de wijze van facturering uniform te maken.'
(6)Oorspronkelijk hoefde een factuur, op grond van artikel 22, lid 3, van de Zesde richtlijn, niet méér te vermelden dan de prijs exclusief belasting, de belasting volgens elk afzonderlijk tarief alsook, in voorkomende gevallen, de vrijstelling.
(7)Dat nam overigens niet weg dat het - op basis van artikel 22, lid 8, van de Zesde richtlijn - de lidstaten was toegestaan om: "(...) onder voorbehoud van gelijke behandeling van door belastingplichtigen verrichte binnenlandse handelingen en handelingen tussen de Lid-Staten, andere verplichtingen voor [te, MvH] schrijven die zij noodzakelijk achten ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude (...)"
(8)2.2.2 Anders dan ten tijde van de totstandkoming van de Zesde richtlijn (zie punt 2.2.1 van deze bijlage) werd de vaststelling van een geharmoniseerde lijst van verplichte vermeldingen op de factuur aan het begin van deze eeuw (toch) noodzakelijk geacht voor een goede werking van de interne markt.
(9)Daartoe werd bij richtlijn 2001/115/EG van de Raad van 20 december 2001, PB L 15, blz. 24,
(10)artikel 22 van de Zesde richtlijn in die zin gewijzigd dat in lid 3, onderdeel b, van die bepaling een opsomming werd opgenomen van vermeldingen die een factuur moet bevatten. Deze (nieuwe) opsomming is veel uitgebreider dan in het oorspronkelijke artikel 22, lid 3, van de Zesde richtlijn. Tot de vermeldingen die sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 2001/115/EG zijn vereist, behoort - in de zaken waarbij ik deze bijlage schrijf, staat alleen deze (factuur)eis ter discussie - de vermelding van: "- de volledige naam en het volledige adres van de belastingplichtige en zijn afnemer;" 2.2.3 In Nederland is de verplichting om op de factuur de naam en het adres van de presterende ondernemer op te nemen al sinds haar inwerkingtreding op 1 januari 1969
(11)in de Wet opgenomen, aanvankelijk in artikel 35, lid 1, en sinds 1 januari 2004
(12)in artikel 35a, lid 1. In artikel 35, lid 1, van de Wet
(13)was het vereiste als volgt geformuleerd: "
  1. De ondernemer is verplicht ter zake van zijn leveringen en diensten aan een andere ondernemer of aan een rechtspersoon, andere dan ondernemer, een genummerde en gedagtekende factuur uit te reiken, waarin op duidelijke en overzichtelijke wijze zijn vermeld: a. (...); b. naam en adres van de ondernemer die de levering of de dienst verricht; (...)" 2.2.4 Aangenomen moet worden dat deze voorwaarde - die op grond van de eerdervermelde richtlijn 2001/115/EG pas vanaf 1 januari 2004 op grond van de communautaire regelgeving verplicht werd - vóór 1 januari 2004 gebaseerd was op het bepaalde in artikel 22, lid 8, van de Zesde richtlijn (aangehaald in punt 2.2.1). In zijn arrest van 19 december 1990, nr. 26904, BNB 1991/235 m.nt. Ploeger (hierna kortweg aangeduid als: BNB 1991/235), heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld dat de op grond van de Nederlandse wetgeving verplichte vermelding op de factuur van de naam en het adres van de presterende ondernemer niet in strijd is met het bepaalde in de Zesde richtlijn: "4.1.
  2. (...) Weliswaar heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 14 juli 1988 in de gevoegde zaken 123/87 en 330/87
(14)geoordeeld dat de door de nationale wetgever vereiste vermeldingen in de factuur niet zo talrijk en technisch mogen zijn, dat zij de uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk maken, doch dit kan niet worden gezegd van de eisen gesteld in artikel 35, lid 1, letter b, van de Wet." 2.2.5 Ik onderschrijf dit oordeel; de eisen van artikel 35, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet - waaronder de eis naam en adres te vermelden - lijken mij niet overdreven 'talrijk of technisch'. In BNB 1991/235 stond centraal de tekst van artikel 35, lid 1, aanhef en onderdeel b, zoals deze in 1983 luidde. In de jaren waarin de feiten van de onderhavige zaken zich afspelen (1999-2003) was de tekst van artikel 35, lid 1, aanhef en onderdeel b, niet anders dan in 1983. Nu geen jurisprudentie voorhanden is - van het Hof van Justitie (hierna: HvJ)
(15)noch van de Hoge Raad - waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat een duidelijke vermelding in de factuur van naam en adres van de presterende ondernemer in strijd zou zijn met het communautaire recht, heb ik geen enkele reden om aan te nemen dat het vereiste van vermelding van deze naam en dit adres niet in overeenstemming zou zijn met het communautaire recht. 2.2.6 Mijns inziens moet er derhalve van uit worden gegaan dat de ook vóór 2004 in de Nederlandse wetgeving gestelde eis dat op de factuur 'op duidelijke en overzichtelijke wijze' de naam en het adres van de ondernemer die de levering of dienst verricht (hierna ook kortweg: de leverancier) moeten zijn vermeld, door de communautaire beugel kan. Voor de aftrek van voorbelasting betekent dit, dat de afnemer - de ontvanger van de factuur - de op de factuur vermelde belasting alleen dan in aftrek mag brengen indien op deze factuur de naam en het adres van de leverancier correct zijn weergegeven. Artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet eist voor aftrek immers een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur.
(16)2.2.7 Het is dus van belang vast te stellen wat moet worden verstaan onder het 'adres' van de leverancier. 2.3 Het adres van de ondernemer die de levering of dienst verricht 2.3.1 Europese jurisprudentie over de invulling van het begrip 'adres' - sinds de inwerkingtreding van richtlijn 2001/115/EG (zie punt 2.2.2) een communautair begrip - is (nog) niet voorhanden. Dat neemt niet weg dat een tweetal arresten van het HvJ opmerking verdient. 2.3.2 In de eerste plaats is dat het arrest van 22 december 2010, Dankowski, C-438/09, V-N 2011/6.
  1. Het ging daarin om de vraag of een lidstaat een belastingplichtige aftrek kan weigeren, indien de factuur op basis waarvan hij aftrek heeft geclaimd alle in artikel 22, lid 3, onder b, van de Zesde richtlijn (zoals deze na de wijziging door Richtlijn 2001/115/EG luidde) vereiste vermeldingen bevat, doch waarbij de leverancier (in het arrest Dankowski overigens een dienstverrichter) zich niet - zoals voorgeschreven in artikel 22, lid 1, van de Zesde richtlijn - als ondernemer heeft laten registreren. Het HvJ verklaarde in deze context voor recht (met mijn cursivering): "De artikelen 18, lid 1, sub a, en 22, lid 3, sub b, van de Zesde richtlijn (...) moeten aldus worden uitgelegd dat een belastingplichtige recht heeft op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde die hij heeft voldaan over diensten verricht door een andere belastingplichtige die niet voor de belasting over de toegevoegde waarde is geregistreerd, wanneer de desbetreffende facturen alle door dit artikel 22, lid 3, sub b, vereiste gegevens bevatten, in het bijzonder die welke nodig zijn voor de identificatie van de marktdeelnemer die deze facturen heeft opgemaakt, en van de aard van de verrichte diensten. (...)" Uit deze gecursiveerde passage leid ik af dat de factuurvereisten van artikel 22, lid 3, van de Zesde richtlijn kennelijk met name ook ertoe dienen dat de presterende ondernemer aan de hand van de factuurvermeldingen kan worden geïdentificeerd. 2.3.3 In de tweede plaats vermeld ik het arrest van 28 juni 2007, Planzer Luxembourg, C-73/06, V-N 2007/36.
  2. Het ging daarin niet om facturering of adressering, maar om de vraag of een 'brievenbusmaatschappij' - de betrokken vennootschap had op het gegeven adres geen telefoonaansluiting en op hetzelfde adres hadden ook 13 andere vennootschappen hun zetel - voor de toepassing van de Dertiende richtlijn
(17)als zetel van de bedrijfsuitoefening van de ondernemer kon worden aangemerkt. Die vraag beantwoordde het HvJ ontkennend (met mijn cursivering): "
  1. Met zijn tweede vraag verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging van de in artikel 1, punt 1, van de Dertiende richtlijn gebruikte term "zetel van zijn bedrijfsuitoefening". (...)
  2. Wanneer het, zoals in het hoofdgeding, gaat om een vennootschap, dan heeft het begrip zetel van de bedrijfsuitoefening in de zin van artikel 1, punt 1, van de Dertiende richtlijn betrekking op de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van deze vennootschap worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend.
  3. Bij het bepalen van de plaats van de zetel van de bedrijfsuitoefening van een vennootschap dient rekening te worden gehouden met tal van factoren, waarvan de belangrijkste zijn de statutaire zetel, de plaats van het centrale bestuur, de plaats waar de bestuurders van de vennootschap vergaderen en de plaats - meestal dezelfde - waar het algemene beleid van deze vennootschap wordt bepaald. Ook andere elementen, zoals de woonplaats van de hoofdbestuurders, de plaats waar de algemene vergaderingen worden gehouden, waar de administratie en de boekhouding zich bevinden en waar de financiële en vooral de bankzaken hoofdzakelijk worden geregeld, kunnen in aanmerking worden genomen.
  4. Bijgevolg kan een fictieve vestiging, zoals die welke kenmerkend is voor een "brievenbusmaatschappij" of een "schijnvennootschap", niet worden aangemerkt als zetel van de bedrijfsuitoefening in de zin van artikel 1, punt 1, van de Dertiende richtlijn (zie naar analogie arrest van 2 mei 2006, Eurofood IFSC, C-341/04, Jurispr. blz. I-3813, punt 35, en arrest Cadbury Schweppes en Cadbury Schweppes Overseas, reeds aangehaald, punt 68
(18))." 2.3.4 Over de vraag of de vermelding op de factuur van het 'brievenbusadres' van de leverancier een voldoende adressering is voor de aftrek van voorbelasting bij de afnemer, heeft het HvJ zich nog nooit uitgelaten. De Nederlandse rechter wel. 2.3.5 In zijn uitspraak van 6 september 1978, nr. 82/78, BNB 1979/260, overwoog Hof Amsterdam dat de enkele vermelding van een Nederlands postbusnummer niet voldoende is om te voldoen aan de voorwaarde van artikel 35, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet (cursivering MvH): "dat zulk een postbusnummer niet kan worden aangemerkt als een adres in de zin van art. 35, lid 1, sub b, van de Wet en dat derhalve deze facturen in dit opzicht niet op de voorgeschreven wijze zijn opgemaakt; dat de strenge formele vereisten, welke gesteld zijn aan de opgemaakte factuur, hun grond vinden in het systeem van de huidige omzetbelasting, waarbij immers de keten van op elkaar aansluitende facturen, door middel waarvan de belasting enerzijds in rekening wordt gebracht en anderzijds wordt afgetrokken, een van de belangrijkste instrumenten van de belastingdienst zijn om toezicht uit te oefenen op de voldoeningen
(19)de aftrek van de belasting; dat de vermelding van het adres van de ondernemer, die de levering heeft verricht, van belang is onder meer om te weten van welke ondernemer, op grond van art. 12, leden 1 en 2, van de Wet, de belasting moet worden geheven en voorts, in verband met de aftrek van voorbelasting, om controle te kunnen uitoefenen op de facturen aan de hand van de administratie van de ondernemer die deze heeft uitgereikt en welke laatste verplicht is van die facturen een dubbel te bewaren;" Vervolgens gaf Hof Amsterdam een definitie van wat naar zijn oordeel dan wel onder 'adres' in de zin van artikel 35, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet moet worden verstaan (met mijn cursivering): "dat dan ook, (...) naar de ratio van de omzetbelasting-bepalingen, onder adres in voormelde zin dient te worden verstaan: de plaats waarde
(20)ondernemer kantoor of winkel houdt en van waaruit hij zijn leveringen en diensten verricht en alwaar de hiermede in verband staande administratie wordt bijgehouden;" 2.3.6 De staatssecretaris van Financiën sloot zich bij deze uitspraak aan en antwoordde op Kamervragen
(21)dienaangaande dat presterende
(22)ondernemers de verplichting hebben op hun facturen het adres te vermelden, zoals dat door Hof Amsterdam was omschreven. 2.3.7 Een tiental jaren na voormelde uitspraak oordeelde Hof 's-Hertogenbosch (uitspraak van 13 januari 1989) in dezelfde zin als Hof Amsterdam. Op het tegen deze uitspraak ingestelde beroep in cassatie oordeelde de Hoge Raad evenwel dat Hof 's-Hertogenbosch - en daarmee, tien jaar eerder, dus ook Hof Amsterdam - te streng was geweest. In het eerder vermelde arrest BNB 1991/235 overwoog de Hoge Raad dienaangaande (met mijn cursivering): "4.1.
  1. (...) Voor wat het adres van de ondernemer betreft, moet worden vooropgesteld dat de in het middel verdedigde opvatting dat de in het Handelsregister voorkomende omschrijving van het adres moet gelden als adres in de zin van artikel 35, lid 1, letter b, van de Wet, niet juist is. Aan genoemd vereiste is voldaan indien de ondernemer ter zake van zijn activiteiten als ondernemer op het in de factuur vermelde adres kan worden aangetroffen. 4.1.
  2. Het middel is gedeeltelijk gegrond. Het Hof heeft een te strenge maatstaf aangelegd door te oordelen dat onder "adres" in de hier bedoelde zin dient te worden verstaan de plaats waar de presterende ondernemer kantoor of winkel houdt en van waaruit hij zijn leveringen en diensten verricht, en alwaar de hiermee in verband staande administratie wordt bijgehouden. (...)." 2.3.8 Mij is geen jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat de visie van de Hoge Raad na BNB 1991/235 is gewijzigd. In BNB 1991/235 noch in latere arresten is overigens een nadere invulling te vinden over het 'ter zake van zijn activiteiten als ondernemer aantreffen op het op de factuur vermelde adres', zij het dat wel duidelijk is - vide de gecasseerde uitspraak van Hof 's-Hertogenbosch en het hiervoor geciteerde punt 4.1.3 uit het arrest BNB 1991/235 - dat daartoe niet kan worden geëist dat de ondernemer op het desbetreffende adres kantoor of winkel houdt én van daaruit prestaties verricht én daar de daarmee verband houdende administratie voert
(23). De lat ligt lager. 2.3.9 Maar, hoeveel lager? 2.3.10 In het achterhoofd dient te worden gehouden dat het doel van de vermelding op de factuur van het adres van de leverancier is, dat de presterende ondernemer - zowel voor zijn afnemer als voor de fiscus - kan worden geïdentificeerd (zie ook het in 2.3.2 aangehaalde arrest Dankowski) en 'gevonden' kan worden (vgl. het in 2.3.3 aangehaalde arrest Planzer Luxembourg). Dit in aanmerking nemende, gaat het - dunkt mij - bij het adres in de zin van de (richtlijn en) Wet om de plek waar de presterende o

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.