Nr. 11/03145 Mr. Vellinga Zitting: 23 oktober 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
(3)alsmede gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, van dien aard waren dat deze een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk opleverden op de levenssfeer van [slachtoffer]. Verdachte verklaart zelf dat het hinderlijk gedrag is om elke dag wanneer [slachtoffer] zijn auto parkeerde op zijn invalidenparkeerplaats, te staan bij de auto van zijn vriendin die achter die invalidenparkeerplaats stond. Verdachte liep regelmatig het erf van [slachtoffer] op, ook nadat hem duidelijk was gemaakt dat [slachtoffer] dat niet toestond, en verdachte probeerde regelmatig de aandacht van [slachtoffer] te trekken door bewegingen te maken, door welk een en ander [slachtoffer] en zijn vrouw een zenuwinzinking nabij waren. Daarbij heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat [slachtoffer] als bezitter van een invalidenparkeerplaats kennelijk in zijn bewegingsvrijheid beperkt was en daardoor, naar ook aan verdachte bekend moet zijn geweest, extra kwetsbaar was voor inbreuken op zijn persoonlijke levenssfeer in de vorm van de gedragingen van de verdachte waartegen hij zich immers minder goed dan iemand die niet gehandicapt is kon teweer stellen.
- Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld heeft het Hof het voor belaging vereiste oogmerk kunnen afleiden uit de omstandigheid dat verdachte [slachtoffer] niet alleen stond op te wachten wanneer deze met zijn auto thuis kwam, door de verdachte aangemerkt als hinderlijk gedrag, maar ook door op die momenten regelmatig naar hem te zwaaien en door het erf van aangever te betreden terwijl duidelijk was, ook vóór de uitreiking van de 'aanzegging wederrechtelijkheid belaging', dat aangever van dat gedrag niet was gediend. Daar komt bij dat die laatste gedragingen, zoals het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld en anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, naar hun aard niet als oogmerk kunnen hebben gehad in de gaten houden of [slachtoffer] bij het parkeren ook met zijn auto tegen die van verdachtes vriendin aanreed.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Bewijsmiddel
- 2 HR 27 september 2011, LJN BQ6702, rov. 4.2 3 Vgl. o.a. HR 7 februari 2006, LJN AU5787, NJ 2007, 107, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6, HR 29 juni 2010, LJN BL8642, rov. 2.5, waar de Hoge Raad in plaats van "intensiteit" het begrip "indringendheid" bezigt. Daarentegen spreekt de Hoge Raad in HR 22 maart 2011, LJN BP0096, NJ 2011, 228, rov. 3.5 weer van intensiteit.