Zaaknummer: 12/04351 Mr. Wuisman Parketdatum: 19 december 2012 CONCLUSIE inzake: [Verzoeker], verzoeker tot cassatie, advocaat: mr. W. Römelingh
- Voorgeschiedenis 1.1 Verzoeker tot cassatie is bij vonnis d.d. 22 februari 2011 van de rechtbank Breda in staat van faillissement verklaard. 1.2 Bij verzoekschrift van 1 mei 2012 heeft verzoeker tot cassatie de rechtbank Breda verzocht het faillissement om te zetten in een schuldsaneringsregeling. 1.3 Bij vonnis d.d. 13 juni 2012 heeft de rechtbank het verzoek, na dat verzoek eerst ontvankelijk te hebben verklaard, afgewezen op de gronden dat niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker tot cassatie te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of laten voortbestaan van diens schulden en ook niet dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. 1.4 Verzoeker tot cassatie is van het vonnis van de rechtbank in appel gekomen bij het hof te 's-Hertogenbosch. Dit hof heeft bij arrest d.d. 4 september 2012 primair verzoeker tot cassatie alsnog niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot omzetting van het faillissement in de schuldsaneringsregeling en subsidiair het verzoek afgewezen op dezelfde gronden als door de rechtbank gebezigd. 1.5 Met een op 12 september 2012 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie tijdig cassatieberoep tegen het arrest van het hof ingesteld. Op 21 september 2012 is nog een aanvullend verzoekschrift ontvangen met klachten over het nalaten door het hof om aan verzoeker tot cassatie op zijn verzoek een proces-verbaal ter beschikking te stellen van de op 27 augustus bij het hof gehouden hoorzitting. Van de aan verzoeker tot cassatie geboden gelegenheid om nog nadere klachten aan te voeren na het voor hem door toedoen van de griffie van de Hoge Raad beschikbaar komen van het proces-verbaal van de zitting van 27 augustus 2012 bij het hof is geen gebruik gemaakt.
- Bespreking van de cassatieklachten 2.1 In het verzoekschrift van 8 september 2012 bestrijdt verzoeker tot cassatie in de eerste plaats de beslissing van het hof inzake de ontvankelijkheid van zijn verzoek tot omzetting van het faillissement in een schuldsaneringsregeling. Daarna bestrijdt hij ook het arrest van het hof, voor zover het hof daarin subsidiair komt tot bekrachtiging van de afwijzing door de rechtbank van het verzoek. 2.2 De klachten tegen de bekrachtiging door het hof van de afwijzing van het verzoek door de rechtbank voldoen niet aan de aan cassatieklachten te stellen eisen. In onvoldoende mate wordt uiteengezet waarom de afwijzing geen stand kan houden. De klachten kunnen derhalve geen doel treffen. Dit betekent dat verzoeker tot cassatie geen belang heeft bij de klachten gericht tegen het niet-ontvankelijkheidsoordeel van het hof. Immers ook al zou dat oordeel geen standhouden dan blijft gelden dat zijn verzoek om inhoudelijke redenen niet voor toewijzing in aanmerking komt. 2.3 Bij de klachten inzake het niet beschikbaar stellen door het hof van het proces-verbaal van de bij het hof plaatsgevonden hebbende hoorzitting is het belang komen te ontbreken, omdat het proces-verbaal alsnog door de griffie van de Hoge Raad aan verzoeker tot cassatie is toegezonden en hij de gelegenheid heeft gehad om desgewenst zijn klachten in cassatie aan te vullen.
- Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden