← Nederland

ECLI:NL:PHR:2013:BZ0513

12/05537 Mr. L. Timmerman Parket: 11 januari 2013 Conclusie inzake: [Verzoeker] verzoeker tot cassatie 1. Bij vonnis van 20 december 2010 is ten aanzien van [verzoeker] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 8 oktober 2012 heeft de rechtbank Breda het verzoek van de bewindvoerder d.d. 13 juli 2012 tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling toegewezen op de grond dat [verzoeker] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert en tracht zijn schuldeisers te benadelen. Op het hiertegen ingestelde beroep heeft het hof 's-Hertogenbosch bij arrest van 28 november 2012 het vonnis bekrachtigd. Het hof komt kort gezegd en voor zover in cassatie van belang tot het oordeel dat

(1)[verzoeker] in weerwil van zijn spontane informatieplicht tegenover de bewindvoerder heeft verzwegen dat hij zowel vóór als tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling over een lange periode heeft samengewoond met een partner die over een eigen inkomen beschikte, en dat
(2)[verzoeker] in hoger beroep niet weersproken heeft dat hij zonder toestemming van de bewindvoerder gedurende een periode permanent in België heeft gewoond (rov. 3.4.2). Deze schendingen van de informatieverplichting vormen volgens het hof voldoende grond om de schuldsaneringsregeling te beëindigen (rov. 3.4.3). Daarbij komt evenwel dat
(3)[verzoeker] gedurende langere tijd bepaalde werkzaamheden in een parenclub heeft verricht zonder dit aan de bewindvoerder te melden, hetgeen eveneens een grond vormt om de schuldsaneringsregeling wegens schending van de informatieplicht te beëindigen. [Verzoeker] diende hiervan melding te maken, zelfs al zouden de werkzaamheden een vriendendienst in de privésfeer hebben betroffen, teneinde de bewindvoerder en de rechter-commissaris in staat te stellen om in het licht van de op [verzoeker] in het kader van de schuldsaneringsregeling rustende verplichtingen (waaronder in het algemeen ook de arbeidsplicht) zelfstandig te beoordelen, wat het karakter en de omvang van deze werkzaamheden is en of deze werkzaamheden zich met de aard van de schuldsaneringsregeling verdragen. Overigens overweegt het hof dat ook al zou [verzoeker] slechts werkzaamheden hebben verricht om de entree van de parenclub te kunnen betalen zodat het slechts om fictieve inkomsten zou gaan, het daarmee feitelijk nog wel steeds om werkzaamheden en inkomsten gaat. Dat die inkomsten vervolgens zouden zijn besteed aan een bepaald doel, maakt nog niet dat het daarmee geen inkomen is. Inherent aan het hebben van inkomen is nu juist dat het aan bepaalde doelen kan worden besteed. [Verzoeker] had met het oog op de belangen van zijn schuldeisers er voor kunnen en moeten kiezen om door middel van werk daadwerkelijk inkomen te genereren. Daarmee zou hij blijk hebben gegeven van een saneringsgezinde houding. 2. Van dit arrest is [verzoeker] tijdig
(1)in cassatie gekomen. Het eerste cassatiemiddel komt op tegen 's hofs oordeel dat het niet melden van het samenwonen met zijn partner en van de "inkomsten" uit werkzaamheden in de parenclub, schendingen vormen van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht. Het middel, dat betoogt dat dit oordeel in strijd komt met verschillende grondrechten, kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Inherent aan de schuldsaneringsregeling is immers dat degene die toelating verzoekt, zich tot op zekere hoogte een inbreuk op zijn privéleven moet laten welgevallen. Aangezien de beëindiging van de schuldsaneringsregeling zelfstandig wordt gedragen door de schending van de informatieplicht terzake van de voornoemde werkzaamheden en de tegen dat oordeel gerichte klacht geen doel treft, heeft [verzoeker] geen belang meer bij bespreking van de overige klachten. Conclusie 3. Deze conclusie strekt tot het niet ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op grond van art. 80a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Het cassatieverzoekschrift is op 4 december 2012, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen, ter griffie van de Hoge Raad per fax ingekomen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.