← Nederland

ECLI:NL:PHR:2013:BZ1383

Nr. 12/02353 Mr. Vellinga Zitting: 18 december 2012 Conclusie inzake: [verdachte]

  1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Arnhem waarbij verdachte wegens
  2. "Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Voorts heeft de Rechtbank ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen de teruggave aan verdachte bevolen dan wel deze voorwerpen verbeurd verklaard, een en ander zoals in het vonnis vermeld.
  3. Namens verdachte heeft mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.
  4. Het middel houdt in dat het Hof niet heeft beslist op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat verdachte onrechtmatig was aangehouden en derhalve diende te worden vrijgesproken.
  5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in: "Er is sprake van een onrechtmatige aanhouding nu er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld jegens mijn cliënt. Er bestond immers geen enkele aanleiding om aan te nemen dat een donker groene Peugeot 106 met kenteken [AA-00-BB] betrokken zou zijn bij de inbraak in Winssen. In ieder geval kan uit de enkele omstandigheid dat dit voertuig later, bijna een half uur na de inbraak, op nota bene een afstand van bijna 10 kilometer van de plek van de inbraak wordt aangetroffen, die betrokkenheid niet worden afgeleid. Dat kan meer in het bijzonder niet nu blijkens de plattegrond in het dossier de daarop aangegeven route in slechts 14 minuten kan worden afgelegd. Het staat dan ook zelfs niet eens vast dat mijn cliënt met zijn auto überhaupt in Winssen is geweest. De onrechtmatige aanhouding dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de schoensporen en ook het vergelijkend spoor van de schroevendraaier die in de auto is aangetroffen. Mijn cliënt zou dan vrijgesproken moeten worden."
  6. Het middel klaagt dat 's Hofs motivering niet voldoet aan het in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv gegeven motiveringsvoorschrift ten aanzien van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Als zodanig stuit het af op de omstandigheid dat het hier een verweer betreft als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv (HR 17 januari 2012, LJN BT2052, NJ 2012, 253, rov. 2.5).
  7. Toch meen ik dat het middel niet op deze grond dient te worden afgedaan. In de kern van de zaak klaagt het middel over het niet dan wel ontoereikend gemotiveerd beslissen op een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs. De rechter kent het recht en kan daarbij de zijns inziens toepasselijke bepaling vinden: art. 359a Sv. Daarbij teken ik aan dat de hiervoor aangehaalde uitspraak bepaald niet vanzelf spreekt. Art. 359a Sv rept immers niet van een verweer of van het passeren van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, art. 359 lid 2 Sv van dat laatste wel. De keuze van de Hoge Raad spreekt te minder voor zich omdat de Hoge Raad de - kennelijk - aan het algemene motiveringsvoorschrift van art. 359 lid 2 Sv ontleende verplichting tot reageren op zgn. Meer en Vaart- en Dakdekkersverweren wel rekent tot de nadien geschapen verplichting te motiveren waarom een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv wordt gepasseerd

(1), de aanvankelijk aan art. 359 lid 2 Sv
(2), later (mede) aan art. 359a lid 3 Sv
(3)ontleende verplichting een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs gemotiveerd te verwerpen niet. Toch gaat het ook daar om een aan een algemene motiveringsverplichting ontleende verplichting tot gemotiveerde verwerping van een verweer, niet om een wettelijke verplichting een verweer, in casu een beroep op onrechtmatig verkregen bewijs, gemotiveerd te verwerpen.
(4)Dat is wel weer het geval bij verwerping van een beroep op een strafuitsluitingsgrond c.a. (art. 358 lid 3 jo 359 lid 2 Sv), een beroep dat daarom inderdaad niet geldt als een beroep op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv.
(5)7. Het voorgaande klemt temeer nu de Hoge Raad voor de eisen waaraan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv dient te voldoen uitdrukkelijk verwijst naar de eisen die aan een gemotiveerd te verwerpen beroep op onrechtmatig verkregen bewijs worden gesteld en daarmee een gemotiveerd te weerleggen beroep op onrechtmatig verkregen bewijs in wezen gelijk stelt met een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv.
(6)Het middel laboreert dus in wezen uitsluitend aan een verwijzing naar een verkeerde wetsbepaling, een misslag die indien deze door de feitenrechter zou zijn begaan, naar mijn inschatting zou worden gezien als een gebrek dat eenvoudig kan worden hersteld. Het afdoen van het middel op een wijze als hiervoor onder 5 weergegeven zou ik dan ook zien als 'unduly formalistic'.
  1. Het middel slaagt.
  2. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
  3. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 HR 13 maart 2007, LJN AZ4714, NJ 2007,
  4. 2 Zie Kamerstukken II, 2003-2004, 29255, nr. 3, p. 5, alsmede HR 18 april 1978, NJ 1978,
  5. 3 Vgl. HR 22 september 1998, NJ 1999, 104, rov. 4.4 en HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, m.nt. Buruma, rov. 3.
  6. 4 In deze zin ook P.A.M. Mevis, noot bij HR 17 januari 2012, LJN BT2052, NJ 2012,
  7. 5 HR 29 april 2008, LJN BB8977, NJ 2009, 130, rov. 6.3, HR 27 september 2011, LJN BS1708, NJ 2011, 518, m.nt. J.M. Reijntjes. 6 HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.1.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.