Nr. 11/03674 Zitting: 18 december 2012 Mr. Vellinga Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis. 2. Namens verdachte heeft mr. W. Anker, advocaat te Breda, twee middelen van cassatie voorgesteld. 3. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat in het feit dat in de door medeverdachte [medeverdachte] bestuurde personenauto een hennepgeur hing de aanmerkelijke kans besloten lag dat in die personenauto hennep werd vervoerd, dat verdachte gezien zijn herhaaldelijk vragen naar de bron van die geur zich van die aanmerkelijke kans bewust was en dat verdachte deze kans door bij [medeverdachte] in de auto te stappen en daarin te blijven zitten voor lief heeft genomen. 4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op 05 februari 2009 te Oosterhout tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van ongeveer 17,85 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II." 5. Het Hof heeft het bewijs van het bewezenverklaarde opzet als volgt gemotiveerd: "Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat van (voorwaardelijk) opzet op het vervoeren van hennep geen sprake is, aangezien verdachte niet op de hoogte was van het feit dat zich in de kofferbak van de personenauto waarin hij zat hennep bevond. Het hof overweegt als volgt. A. Op 5 februari 2009 troffen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in de kofferbak van de personenauto, waarin verdachte en medeverdachte [medeverdachte] reden, ongeveer 17,85 kilogram hennep aan. B. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij zich op 5 februari 2009 in Oosterhout bij medeverdachte [medeverdachte] in de personenauto bevond, die door [medeverdachte] werd bestuurd. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij, toen hij in de personenauto zat, de geur van hennep waarnam en medeverdachte [medeverdachte] had gevraagd waardoor deze geur werd veroorzaakt. Medeverdachte [medeverdachte] antwoordde aan verdachte dat dit werd veroorzaakt door het feit dat hij een joint had gerookt. Verdachte heeft medeverdachte [medeverdachte] daarna nog meermalen gevraagd waardoor de geur van hennep in de auto werd veroorzaakt. Medeverdachte [medeverdachte] heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte hem die vraag nog wel tien keer heeft gesteld. C. Uit het voorgaande trekt het hof het volgende gevolg. In het feit dat in de door medeverdachte [medeverdachte] bestuurde personenauto een hennepgeur hing lag de aanmerkelijke kans besloten dat in die personenauto hennep werd vervoerd. Blijkens zijn aanhoudende vragen naar de bron daarvan, en het geen genoegen nemen met het antwoord van [medeverdachte] dat hij een joint had gerookt, was de verdachte zich van die aanmerkelijke kans bewust. Ten slotte heeft hij die kans voor lief genomen door bij medeverdachte [medeverdachte] in de auto te blijven zitten tot op het moment dat zij door de politie werden aangehouden. D. Op grond van het bovenoverwogene acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte's opzet (voorwaardelijk) was gericht op het vervoeren van een hoeveelheid hennep. Het verwerpt dan ook het verweer." 6. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd heeft het Hof kunnen oordelen dat de door de verbalisanten gesignaleerde sterke hennepgeur de aanmerkelijke kans meebrengt dat ter plaatse hennep aanwezig is. Voorts heeft het Hof kunnen oordelen dat verdachte gezien zijn herhaaldelijk vragen naar de bron van die geur zich van die aanmerkelijke kans bewust was. Juist uit het herhaaldelijk vragen heeft het Hof de bewustheid van het aanmerkelijke van die kans kunnen afleiden, omdat het herhaaldelijk vragen door verdachte wijst op twijfel aan het antwoord van [medeverdachte] dat hij een joint had gerookt. 7. Het middel faalt. Bij de bespreking van het tweede middel komt de door het eerste middel niet aangeroerde vraag aan de orde of hiermee ook bewezen is dat verdachtes opzet was gericht op het vervoeren van de aangetroffen hennep. 8. Het tweede middel richt zich tegen het bewijs van het medeplegen. 9. De gebezigde bewijsmiddelen houden in "1. Een ambtsedig proces-verbaal van politie Midden en West Brabant, District Oosterhout, Team Oosterhout, dossiernummer PL203D/09-001707, d.d. 5 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], aspirant van politie, en [verbalisant 2], brigadier van politie (pag. 34-35, proces-verbaalnummer PL203D/09-031605), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - het relaas van eigen waarneming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.