← Nederland

ECLI:NL:PHR:2013:BZ2862

Zaak 12/00187 Mr. P. Vlas Zitting, 1 maart 2013 Aanvullende conclusie inzake: Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V. tegen 1) [Verweerder 1] 2) [Verweerder 2] 1.1 In deze zaak over het recht op compensatie bij langdurige vertraging op grond van Verordening (EG) Nr. 261/2004

(1)wordt nader geconcludeerd nadat de Hoge Raad op 15 juni 2012 (LJN: BW5515, NJ 2012/395) tot aanhouding van de procedure heeft beslist in afwachting van de beslissing van het HvJEU in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel). 1.2 Voor de relevante feiten en het procesverloop verwijs ik naar mijn conclusie van 11 mei 2012, waarin ik op de aldaar vermelde gronden heb geconcludeerd tot verwerping van het ingestelde cassatieberoep. 1.3 Bij het genoemde tussenarrest van 15 juni 2012 heeft de Hoge Raad gemeend dat de 'bijzondere omstandigheden' van deze zaak rechtvaardigen dat de uitspraak wordt aangehouden totdat het HvJEU uitspraak heeft gedaan in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel); de stukken zijn opnieuw in handen gesteld van de Procureur-Generaal voor het nemen van een aanvullende conclusie nadat het HvJEU uitspraak heeft gedaan. 1.4 Bij prejudiciële beslissing van 23 oktober 2012
(2)heeft het HvJEU in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel) geoordeeld dat, zoals reeds was bepaald in het Sturgeon-arrest
(3), passagiers van een vertraagde vlucht krachtens de Verordening recht op compensatie hebben wanneer zij drie uur of meer tijdverlies lijden, dat wil zeggen wanneer zij drie uur na de door de luchtvervoerder oorspronkelijk geplande aankomsttijd of later hun eindbestemming bereiken, tenzij de luchtvervoerder kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen. 1.5 Bij brief van 15 november 2012 hebben de advocaten van KLM zich uitgelaten over de prejudiciële beslissing van het HvJEU en hebben zij de Hoge Raad in overweging gegeven de zaak wederom aan te houden totdat het HvJEU uitspraak heeft gedaan in de aanhangige zaak C-11/11 (Air France/Folkerts), waarin de vraag aan de orde komt of een door een passagier geboekte vlucht die bestaat uit meerdere onderdelen met een tussentijdse overstap op een andere vlucht, voor het berekenen van de duur van de vertraging in verband met het recht op compensatie als één vlucht dan wel als afzonderlijke vluchten beschouwd moet worden. 1.6 Het HvJEU heeft op 26 februari 2013 in zaak C-11/11 uitspraak gedaan en beslist dat art. 7 van de Verordening aldus moet worden uitgelegd dat op basis van dit artikel compensatie is verschuldigd aan de passagier van een vlucht met rechtstreekse aansluitingen die bij vertrek een vertraging heeft opgelopen die de in art. 6 van de Verordening neergelegde drempels niet overschrijdt, maar zijn eindbestemming heeft bereikt met een vertraging van drie uur of meer ten opzichte van de geplande aankomsttijd, aangezien deze compensatie niet afhankelijk is van het bestaan van een vertraging bij het vertrek en dus evenmin van de vraag of de voorwaarden van voornoemd art. 6 van de Verordening vervuld zijn. 1.7 Gelet op het arrest van het HvJEU in zaak C-11/11 heeft KLM thans geen belang meer bij de in het middel aangevoerde motiveringsklacht en evenmin bij het gedane verzoek om een aanhoudingsinstructie. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Verordening (EG) Nr. 261/2004 inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten, PbEU 2004, L 46/1 (hierna: de Verordening). 2 LJN: BY2173, NJ 2013/4, m.nt. M.R. Mok. 3 HvJEG 19 november 2009, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, Jur. 2009, p. I-10923, NJ 2010/137, m.nt. M.R. Mok.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.