← Nederland

ECLI:NL:PHR:2013:BZ2867

Zaak 12/00512 Mr. P. Vlas Zitting, 1 maart 2013 Aanvullende conclusie inzake: Transavia Airlines C.V. tegen 1) [Verweerder 1] 2) [Verweerster 2] 3) [Verweerder 3] 4) [Verweerster 4] 1.1 In deze zaak over het recht op compensatie bij langdurige vertraging op grond van Verordening (EG) Nr. 261/2004

(1), wordt nader geconcludeerd nadat de Hoge Raad op 15 juni 2012 (LJN: BW9932; RvdW 2012/855) tot aanhouding van de procedure heeft beslist in afwachting van de beslissing van het HvJEU in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel). 1.2 Voor de relevante feiten en het procesverloop verwijs ik naar mijn conclusie van 11 mei 2012, waarin ik op de aldaar vermelde gronden heb geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing. 1.3 Bij het genoemde tussenarrest van 15 juni 2012 heeft de Hoge Raad gemeend dat de 'bijzondere omstandigheden' van deze zaak rechtvaardigen dat de uitspraak wordt aangehouden totdat het HvJEU uitspraak heeft gedaan in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel); de stukken zijn opnieuw in handen gesteld van de Procureur-Generaal voor het nemen van een aanvullende conclusie nadat het HvJEU uitspraak heeft gedaan. 1.4 Bij prejudiciële beslissing van 23 oktober 2012
(2)heeft het HvJEU in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson) en C-629/10 (TUI Travel) geoordeeld dat, zoals reeds was bepaald in het Sturgeon-arrest
(3), passagiers van een vertraagde vlucht krachtens de Verordening recht op compensatie hebben wanneer zij drie uur of meer tijdverlies lijden, dat wil zeggen wanneer zij drie uur na de door de luchtvervoerder oorspronkelijk geplande aankomsttijd of later hun eindbestemming bereiken, tenzij de luchtvervoerder kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen. 1.5 De advocaat van Transavia heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, afgezien van een nadere schriftelijke toelichting. 1.6 Ik zie geen reden om, naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van 23 oktober 2012, af te wijken van het in mijn conclusie van 11 mei 2012 ingenomen standpunt omtrent het cassatiemiddel van Transavia, met dien verstande dat Transavia gelet op de beslissing van 23 oktober 2012 geen belang meer heeft bij onderdeel 1 waarin het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU of de aanhouding van de zaak in afwachting van de uitkomst van de bij het HvJEU aanhangige procedures aan de orde komt. Onderdeel 2 slaagt op de door mij in mijn eerdere conclusie aangegeven grond. Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Verordening (EG) Nr. 261/2004 inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten, PbEU 2004, L 46/1 (hierna: de Verordening). 2 LJN: BY2173, NJ 2013/4, m.nt. M.R. Mok. 3 HvJEG 19 november 2009, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, Jur. 2009, p. I-10923, NJ 2010/137, m.nt. M.R. Mok.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.