NO 10-37 Voordracht en vordering tot het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 14a (oud) van de Wet op de rechterlijke organisatie
(1). 6.5 Uitlatingen achteraf van de rechter over een door hem berechte zaak kunnen niet alleen twijfel doen ontstaan over zijn onpartijdigheid of de wijze waarop hij de zaak heeft behandeld, zoals aan de orde kwam in de hierboven genoemde zaken, zij staan ook op gespannen voet met het procesrechtelijk kader waarbinnen de rechter zijn taak verricht. In zijn uitspraak geeft de rechter een beslissing over een aan hem voorgelegd rechtsgeschil. Die beslissing is bindend voor partijen en - behoudens de mogelijkheid van beroep - onherroepelijk en maakt een einde aan het rechtsgeding. Daarmee is niet te rijmen dat de rechter op enigerlei wijze terugkomt op zijn beslissing of nadere overwegingen of uitleg geeft. Als het rechtsgeding tot een einde is gekomen, heeft de rechter zijn taak vervuld. Het procesrecht kent hem geen rol meer toe, maar biedt partijen ter zake van de beslissing voorzieningen bij andere instanties, zoals de appelrechter en de voorzieningenrechter. 6.6 Dit is slechts anders in het geval de rechterlijke uitspraak een voor eenieder kenbare, eenvoudig te herstellen fout bevat. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat een regeling voor verbetering en aanvulling van rechterlijke uitspraken door de rechter die de uitspraak heeft gedaan. Artikel 31 bepaalt dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, verbetert. Artikel 32 houdt in dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aanvult indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. De regeling van artikel 31 "is bedoeld voor zeer duidelijke verschrijvingen of (reken)fouten waarvan buiten twijfel is wat de rechter tot uitdrukking wilde brengen en die zich ook voor eenvoudig herstel lenen". De artikelen 31 en 32 behelzen "een lichte en eenvoudige regeling voor gevallen waarin het evident is dat en welk "steekje" de rechter heeft laten vallen" (TK 1999-2000, 26 855, nr. 5, p. 32 respectievelijk p. 33). Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een eventuele verbetering of aanvulling. Indien partijen niet in de gelegenheid worden gesteld zich over de verzochte of voorgenomen verbetering of aanvulling uit te laten kan het recht op een eerlijk proces zijn geschonden. Zie bijv. HR 14 december 2007, LJN: BC0165, NJ 2008,
- De verbetering of aanvulling wordt in het openbaar uitgesproken door de rechter en wordt aangetekend op de minuut van het vonnis, het arrest of de beschikking. Dit laatste zodat "geen misverstand kan ontstaan over de vraag hoe de desbetreffende rechterlijke beslissing luidt" (TK 1999-2000, 26 855, nr. 5, p. 33/34). De verbetering of aanvulling heeft tot gevolg dat een eerder verstrekte grosse, die de fout bevat, haar kracht verliest. Een reeds aangevangen executie kan worden voortgezet met inachtneming van de verbetering of aanvulling. Uit de nieuwe grosse "is voor een ieder op elk moment in de executie te reconstrueren wat het gebrek was en wat daaraan is hersteld" (EK 2001-2002, 26 855, nr. 16, p. 26/27). 6.7 Voor bestuursrechtelijke en strafrechtelijke uitspraken kent de wet geen regeling voor het herstel van misslagen. In bestuurszaken worden misslagen hersteld waarbij een procedure wordt gevolgd die vergelijkbaar is met het bepaalde in de artikelen 31 en 32 Rv. De rechter geeft partijen de gelegenheid zich uit te laten over een voorgenomen verbetering om vervolgens te beslissen. Ik verwijs hiervoor naar het commentaar van Borman in T&C Algemene wet bestuursrecht, aant. 2 op art. 8:70 en Hof 's-Hertogenbosch, 26 maart 2010, LJN: BM4407, Centrale Raad van Beroep, 7 april 2011, LJN: BQ
- Het kader voor herstel van kennelijke fouten in strafzaken is door de Hoge Raad uiteengezet in zijn arrest van 12 juni 2012, LJN: BW1478, NJ 2012,
- Ook hier geldt dat het moet gaan om een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. 6.8 Het moge duidelijk zijn dat de regeling van herstel van misslagen in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering en de rechtspraak in bestuurszaken en strafzaken de rechter geen grondslag bieden om een nadere uitleg te geven van zijn uitspraak. Het procesrecht voorziet niet in andere bemoeienis van de rechter met een door hem gegeven beslissing dan de hiervoor genoemde mogelijkheid van verbetering en aanvulling. Bij het codificeren van die mogelijkheid in civiele zaken heeft de wetgever onderkend dat een verbetering of aanvulling van een rechterlijke uitspraak kan leiden tot complicaties in de executiefase. De artikelen 31 en 32 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering bevatten daarom ook regels over de tenuitvoerlegging van de verbeterde of aangevulde uitspraak. Een nadere uitleg van een rechterlijke uitspraak ligt dicht aan tegen een verbetering of wijziging van die uitspraak en zal dat in sommige gevallen ook daadwerkelijk zijn. Wat daarvan de rechtsgevolgen zijn, is niet duidelijk en ook daarom dient de rechter zich te onthouden van nadere uitlatingen. Het is bijvoorbeeld niet waarschijnlijk dat zonder uitdrukkelijke bepaling kan worden aangenomen dat - naar analogie van de artikelen 31 en 32 - de reeds verstrekte grosse van een door uitlegging verbeterde of aangevulde uitspraak haar kracht zou verliezen. 6.9, Uitgangspunt is dus dat de rechter nadat hij zijn beslissing en de bijbehorende motivering heeft gegeven, zich niet uitlaat over de inhoud en de uitleg van zijn uitspraak. Daarmee is niet gezegd dat de rechter nimmer enige toelichting zou mogen geven. In welke gevallen dat de rechter zou zijn toegestaan, is echter niet in een algemene regel te vervatten. Dat zal per geval moeten worden beoordeeld. 5.2 In het onderhavige geval is in het proces-verbaal de vaststellingsovereenkomst tussen [klaagster] en [betrokkene 1] neergelegd. Tevens is daarin vastgelegd dat de raadsheer-commissaris de zaak doorhaalt. Ik meen dat deze situatie niet zozeer verschilt van de situatie dat door de beslissing van de rechter over het geschil een einde komt aan het geding, dat hier niet zou behoren te gelden dat de rechter zich niet nader uitlaat over hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen en over de inhoud en de uitleg van het proces-verbaal. Ik ben bovendien van mening dat dit niet anders zou moeten zijn als beide partijen de rechter vragen om een nadere uitleg. Het procesrecht voorziet niet in "nazorg" door de rechter behalve de genoemde mogelijkheid van verbetering en aanvulling. In de zaak NO 11-45 heb ik erop gewezen dat nadere uitleg dicht aanligt tegen verbetering of wijziging en dat in sommige gevallen ook daadwerkelijk zal zijn, dat niet duidelijk is wat daarvan de rechtsgevolgen zijn, en dat daarom de rechter zich dient te onthouden van nadere uitlatingen. Als voorbeeld noemde ik de kwestie van de grosse van een door uitlegging verbeterde of aangevulde uitspraak. Met betrekking tot een grosse van een proces-verbaal van een schikking (artikel 87 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) is evenmin waarschijnlijk dat zonder uitdrukkelijke bepaling kan worden aangenomen dat - naar analogie van de artikelen 31 en 32 - de reeds verstrekte grosse haar kracht zou verliezen. Daarbij teken ik aan dat dit eens temeer geldt nu de regeling voor verbetering en aanvulling enkel van toepassing is op vonnissen, arresten en beschikkingen en niet op processen-verbaal. 5.3 Mr. Everts heeft mij gevraagd aandacht te besteden aan de gevolgen van de gedraging van [de raadsheer]. Het gaat hem daarbij in het bijzonder om de omstandigheid dat de brief van [de raadsheer] is betrokken in de beoordeling in de latere procedures tussen [klaagster] en [betrokkene 1]. Die gevolgen zijn voor [klaagster] het punt waar het haar om gaat; dat is alleszins begrijpelijk. In mijn brief van 11 juli jl. aan mr. Everts heb ik echter erop moeten wijzen dat de beslissing van de Hoge Raad op een klacht geen gevolgen heeft voor (lopende) rechtszaken en dat dit betekent dat de (uitkomst van de) onderhavige klachtprocedure geen gevolgen heeft voor het geschil tussen [klaagster] en [betrokkene 1] en geen wijziging brengt in de rechterlijke uitspraken die daarover zijn gedaan. Of de verklaring van [de raadsheer] in nog lopende of eventuele nieuwe procedures in aanmerking mag worden genomen, staat thans niet ter beoordeling. Het is uitsluitend aan de rechter in de desbetreffende procedure(s) tussen [klaagster] en [betrokkene 1] om te beoordelen wat de vaststellingsovereenkomst inhoudt en te bepalen of de verklaring van [de raadsheer] dienaangaande tot bewijs kan dienen. In de klachtprocedure gaat het om de vraag of de gedraging van [de raadsheer] de behoorlijkheidstoets kan doorstaan. De beoordeling van de klacht kan leiden tot de vaststelling door de Hoge Raad van een rechterlijke gedragsnorm. Het dient de rechtspleging en het vertrouwen in de rechtspraak wanneer een richtlijn zou worden geformuleerd voor het handelen van de rechter in een situatie als de onderhavige. 5.4 Het feit dat de brief van [de raadsheer] - waarin hij een voorlopig standpunt formuleerde - een eigen leven is gaan leiden, illustreert het belang ervan dat de rechter zich zeer terughoudend opstelt wanneer het voor hem gevoerde geding is geëindigd. In de procedure heeft de rechter de regie, daarna niet meer. Voor hem is dan in beginsel geen rol meer weggelegd, ook niet vanuit de intentie beide partijen ter wille te zijn. Anders dan in de zaak NO 11-45 waren de omstandigheden van het geval niet zodanig dat het toelaatbaar was dat [de raadsheer] een uitzondering maakte op de regel dat de rechter zich niet nader uitlaat over hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen en over de inhoud en de uitleg van het proces-verbaal. Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de klacht dat [de raadsheer] niet had behoren in te gaan op het verzoek van [betrokkene 1] en zich niet had moeten uitlaten over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst, gegrond is. 's-Gravenhage, 7 december 2012 De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 In cassatie (HR 12 oktober 2010, LJN: BN0526, NJ 2011, 537) kwam de vraag in hoeverre uitlatingen van een rechter tegenover derden over een door hem behandelde zaak toelaatbaar zijn, niet aan de orde.