NO 11-45 Voordracht en vordering als bedoeld in Hoofdstuk 2, afdeling 1a (Klachtbehandeling door de Hoge Raad) van de Wet op de rechterlijke organisatie
(1). 6.5 Uitlatingen achteraf van de rechter over een door hem berechte zaak kunnen niet alleen twijfel doen ontstaan over zijn onpartijdigheid of de wijze waarop hij de zaak heeft behandeld, zoals aan de orde kwam in de hierboven genoemde zaken, zij staan ook op gespannen voet met het procesrechtelijk kader waarbinnen de rechter zijn taak verricht. In zijn uitspraak geeft de rechter een beslissing over een aan hem voorgelegd rechtsgeschil. Die beslissing is bindend voor partijen en - behoudens de mogelijkheid van beroep - onherroepelijk en maakt een einde aan het rechtsgeding. Daarmee is niet te rijmen dat de rechter op enigerlei wijze terugkomt op zijn beslissing of nadere overwegingen of uitleg geeft. Als het rechtsgeding tot een einde is gekomen, heeft de rechter zijn taak vervuld. Het procesrecht kent hem geen rol meer toe, maar biedt partijen ter zake van de beslissing voorzieningen bij andere instanties, zoals de appelrechter en de voorzieningenrechter. 6.6 Dit is slechts anders in het geval de rechterlijke uitspraak een voor eenieder kenbare, eenvoudig te herstellen fout bevat. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat een regeling voor verbetering en aanvulling van rechterlijke uitspraken door de rechter die de uitspraak heeft gedaan. Artikel 31 bepaalt dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, verbetert. Artikel 32 houdt in dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aanvult indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. De regeling van artikel 31 "is bedoeld voor zeer duidelijke verschrijvingen of (reken)fouten waarvan buiten twijfel is wat de rechter tot uitdrukking wilde brengen en die zich ook voor eenvoudig herstel lenen". De artikelen 31 en 32 behelzen "een lichte en eenvoudige regeling voor gevallen waarin het evident is dat en welk "steekje" de rechter heeft laten vallen" (TK 1999-2000, 26 855, nr. 5, p. 32 respectievelijk p. 33). Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een eventuele verbetering of aanvulling. Indien partijen niet in de gelegenheid worden gesteld zich over de verzochte of voorgenomen verbetering of aanvulling uit te laten kan het recht op een eerlijk proces zijn geschonden. Zie bijv. HR 14 december 2007, LJN: BC0165, NJ 2008,
- De verbetering of aanvulling wordt in het openbaar uitgesproken door de rechter en wordt aangetekend op de minuut van het vonnis, het arrest of de beschikking. Dit laatste zodat "geen misverstand kan ontstaan over de vraag hoe de desbetreffende rechterlijke beslissing luidt" (TK 1999-2000, 26 855, nr. 5, p. 33/34). De verbetering of aanvulling heeft tot gevolg dat een eerder verstrekte grosse, die de fout bevat, haar kracht verliest. Een reeds aangevangen executie kan worden voortgezet met inachtneming van de verbetering of aanvulling. Uit de nieuwe grosse "is voor een ieder op elk moment in de executie te reconstrueren wat het gebrek was en wat daaraan is hersteld" (EK 2001-2002, 26 855, nr. 16, p. 26/27). 6.7 Voor bestuursrechtelijke en strafrechtelijke uitspraken kent de wet geen regeling voor het herstel van misslagen. In bestuurszaken worden misslagen hersteld waarbij een procedure wordt gevolgd die vergelijkbaar is met het bepaalde in de artikelen 31 en 32 Rv. De rechter geeft partijen de gelegenheid zich uit te laten over een voorgenomen verbetering om vervolgens te beslissen. Ik verwijs hiervoor naar het commentaar van Borman in T&C Algemene wet bestuursrecht, aant. 2 op artikel 8:70 en Hof 's-Hertogenbosch, 26 maart 2010, LJN: BM4407, Centrale Raad van Beroep, 7 april 2011, LJN: BQ
- Het kader voor herstel van kennelijke fouten in strafzaken is door de Hoge Raad uiteengezet in zijn arrest van 12 juni 2012, LJN: BW1478, NJ 2012,
- Ook hier geldt dat het moet gaan om een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. 6.8 Het moge duidelijk zijn dat de regeling van herstel van misslagen in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering en de rechtspraak in bestuurszaken en strafzaken de rechter geen grondslag bieden om een nadere uitleg te geven van zijn uitspraak. Het procesrecht voorziet niet in andere bemoeienis van de rechter met een door hem gegeven beslissing dan de hiervoor genoemde mogelijkheid van verbetering en aanvulling. Bij het codificeren van die mogelijkheid in civiele zaken heeft de wetgever onderkend dat een verbetering of aanvulling van een rechterlijke uitspraak kan leiden tot complicaties in de executiefase. De artikelen 31 en 32 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering bevatten daarom ook regels over de tenuitvoerlegging van de verbeterde of aangevulde uitspraak. Een nadere uitleg van een rechterlijke uitspraak ligt dicht aan tegen een verbetering of wijziging van die uitspraak en zal dat in sommige gevallen ook daadwerkelijk zijn. Wat daarvan de rechtsgevolgen zijn, is niet duidelijk en ook daarom dient de rechter zich te onthouden van nadere uitlatingen. Het is bijvoorbeeld niet waarschijnlijk dat zonder uitdrukkelijke bepaling kan worden aangenomen dat - naar analogie van de artikelen 31 en 32 - de reeds verstrekte grosse van een door uitlegging verbeterde of aangevulde uitspraak haar kracht zou verliezen. 6.9 Uitgangspunt is dus dat de rechter nadat hij zijn beslissing en de bijbehorende motivering heeft gegeven, zich niet uitlaat over de inhoud en de uitleg van zijn uitspraak. Daarmee is niet gezegd dat de rechter nimmer enige toelichting zou mogen geven. In welke gevallen dat de rechter zou zijn toegestaan, is echter niet in een algemene regel te vervatten. Dat zal per geval moeten worden beoordeeld. 6.10 In het thans te beoordelen geval liep de instantie nog en ging het om een bij tussenbeschikking gedaan verzoek van de rechter aan de Raad voor de Kinderbescherming - een publieke instelling met specifieke (wettelijke) taken en bevoegdheden en een eigen rol in familiezaken (artikel 810 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering) - om onderzoek te doen teneinde de rechter in staat te stellen een beslissing te geven over de verzochte omgang. Deze tussenbeschikking is niet appellabel, dus de nadere uitleg heeft niet tot gevolg dat de partij die het met de nadere uitleg niet eens is daardoor de facto de mogelijkheid om tegen de aldus uitgelegde beslissing op te komen wordt ontnomen. De Raad voor de Kinderbescherming voert het onderzoek uit op basis van het verzoek van de rechter. Als daarbij vragen rijzen over de strekking van het verzoek, zal de Raad voor de Kinderbescherming het verzoek moeten uitleggen, zoals in dit geval. Of die uitleg nu wel of niet wordt voorgelegd aan de rechter, de Raad voor de Kinderbescherming moet uiteindelijk het onderzoek uitvoeren binnen een door hem geformuleerde opzet. Geen van de betrokkenen is er bij gebaat dat de Raad voor de Kinderbescherming - bij gebreke aan duidelijkheid over de bedoeling van het verzoek van de rechter - het onderzoek uitvoert aan de hand van vragen die niet stroken met hetgeen de rechter voor ogen stond toen hij zijn verzoek deed. Dit zal er allicht toe leiden dat de rechter zich onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing te kunnen nemen over de verzochte omgang, waarop een nieuw onderzoek zal moeten worden gevraagd en uitgevoerd; een vertraging in de rechtsgang die - zeker in zaken betreffende omgang met een minderjarige - onwenselijk is. 6.11 [De rechter] heeft de Raad voor de Kinderbescherming kennelijk niet naar huis willen sturen met de mededeling "u moet het maar doen met mijn beschikking". Hoewel de desbetreffende zinsnede in de beschikking voor meer dan een uitleg vatbaar is, komt het mij niet onbegrijpelijk voor dat [de rechter] van mening was dat de door de Raad voor de Kinderbescherming geformuleerde onderzoeksvraag in overeenstemming was met de strekking van haar beschikking. Vervolgens heeft zij ervoor gekozen haar mening kenbaar te maken aan de Raad voor de Kinderbescherming door diens interpretatie van de beschikking te laten bevestigen. Hierdoor handelde zij mijns inziens in het belang van een doelmatige en voortvarende rechtspleging in de door haar te beslissen zaak. In de omstandigheden van het geval kon [de rechter] dit belang laten prevaleren en was het gerechtvaardigd dat zij zich nader uitliet over haar beschikking. 6.12 Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat [de rechter] door het laten bevestigen van een nadere uitleg van de inhoud en de strekking van de beschikking van 2 maart 2011 zich in overeenstemming met de behoorlijkheid heeft gedragen en dat de klacht niet gegrond is. 's-Gravenhage, 17 december 2012 De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 In cassatie (HR 12 oktober 2010, LJN: BN0526, NJ 2011, 537) kwam de vraag in hoeverre uitlatingen van een rechter tegenover derden over een door hem behandelde zaak toelaatbaar zijn, niet aan de orde.