12/00480 mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 1 maart 2013 Conclusie inzake 1. [Eiseres 1] 2. [Eiser 2] tegen [Verweerster] Inleiding 1. Deze zaak betreft de nalatenschap van de in september 2004 overleden erflater [betrokkene 1]. De erflater heeft verweerster in cassatie [verweerster] bij testament van juli 2004 als enig erfgenaam en executeur aangewezen. [Verweerster] is ook begunstigde bij de door de erflater gesloten sommenverzekering. De verzekeraar heeft aan [verweerster] in maart 2005 een uitkering op de polis gedaan. [Verweerster] heeft de nalatenschap nadien beneficiair aanvaard. In de procedure die de twee kinderen van erflater, eisers tot cassatie [eiser] c.s., tegen [verweerster] pro se en in haar hoedanigheid van executeur hebben aangespannen, is bij vonnis van 8 augustus 2007 verklaard voor recht dat de kinderen een vordering hebben op de nalatenschap uit hoofde van geldlening. [Verweerster] is niet tot betaling van de vordering overgegaan, stellende dat de nalatenschap negatief is. In het onderhavige geding vorderen de kinderen (bij eisvermeerdering in appel) te verklaren voor recht dat ten aanzien van de uitkering door de verzekeraar sprake is van een begunstiging in de zin van art. 4:126 lid 2 onder b BW (een vordering die het hof heeft toegewezen) en voorts dat [verweerster] gehouden is tot vergoeding van de waarde aan de nalatenschap op grond van genoemde bepaling en art. 4:127 BW (vermindering van giften), een vordering die het hof heeft afgewezen op de grond dat de vervaltermijn van art. 4:127 BW reeds aan vermindering in de weg staat. De kinderen vorderen voorts te verklaren voor recht dat [verweerster] haar taak als executeur onbehoorlijk heeft vervuld omdat zij als erfgename en executeur de vermindering tegen zichzelf had kunnen en moeten inroepen. Het hof heeft deze vordering afgewezen op de grond dat vermindering van quasi-legaten als de onderhavige begunstiging niet tot de taak van [verweerster] als executeur behoort. De kinderen hebben cassatieberoep aangetekend. 2. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten (zie voor een volledig overzicht van de vaststaande feiten rov. 2.1-2.4 van het vonnis van de rechtbank Utrecht van 23 december 2009 en rov. 3.1-3.9 van het in zoverre in cassatie niet bestreden eindarrest van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem van 27 september 2011):
(2006)6655, p. 147-150 en Kolkman, Schulden der nalatenschap, diss. Groningen, 2006, p. 324. Zie voorts recent Van Es, Vermindering van (quasi-)legaten; een terrein vol voetangels en klemmen, TE 2012/4. Van Es heeft in zijn hiervoor genoemd WPNR-artikel verslag gedaan van zijn zoektocht in de parlementaire geschiedenis naar de motivering van de wetgever om voor de vermindering van legaten in art. 4:120 lid 4 de tussenkomst van de erfgenamen voor te schrijven terwijl in de eerste ontwerpen van dit artikel de vermindering van rechtswege werkte. Hij komt tot de slotsom dat een bevredigende motivering ontbreekt. 13. In het onderhavige geding is aan de orde de door het hof ontkennend beantwoorde vraag of vermindering van een begunstiging bij een sommenverzekering die als een gift geldt en waarvoor het vierde lid van art. 4:120 BW de tussenkomst van de erfgenamen voorschrijft, behoort tot de in de wet omschreven taak van een executeur. Art. 4:144 lid 1 BW bepaalt dat een executeur (onverminderd de testamentaire lasten die de erflater de executeur mocht hebben opgelegd) tot taak heeft, voor zover de erflater niet anders heeft beschikt, het beheren van de goederen van de nalatenschap en het voldoen van de schulden van de nalatenschap die tijdens het beheer uit die goederen behoren te worden voldaan. Zie ook Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 2057: "De taak van de executeur is de nalatenschap in zoverre af te wikkelen dat de schulden daarvan worden betaald, voor zoverre deze althans tijdens de executele opeisbaar zijn. Met het oog daarop heeft de executeur tijdens de executele het beheer over de goederen van de nalatenschap en kan hij ter betaling van de schulden, met inachtneming van de gestelde voorwaarden, goederen van de nalatenschap te gelde maken". Om te bepalen wat is begrepen onder 'beheer' als bedoeld in art. 4:144 lid 1 BW moet aansluiting worden gezocht bij art. 3:170 lid 2 BW. Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 516 en de daar genoemde auteurs en het daar genoemde arrest van uw Raad van 21 november 2008, NJ 2009, 116, m.nt. S. Perrick (waarin het overigens ging om de bevoegdheden en taken van een executeur naar het tot 1 januari 2003 geldende erfrecht). De executeur is derhalve bevoegd tot handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een goed van de nalatenschap en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden alsmede handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn alsook tot het aannemen van aan de nalatenschap verschuldigde prestaties. In verband met zijn taak tot voldoening van schulden van de nalatenschap is de executeur bevoegd tot het te gelde maken van de door hem beheerde goederen (art. 4:147 lid 1 BW). De executeur moet met bekwame spoed een boedelbeschrijving met inbegrip van een voorlopige staat van schulden der nalatenschap opmaken en de hem bekende schuldeisers oproepen tot indiening van hun vorderingen bij de boedelnotaris (die kan worden aangewezen door de executeur die met het beheer van de nalatenschap is belast), of indien deze ontbreekt, bij een der executeurs (art. 4:146 lid 2 BW). Gedurende zijn beheer vertegenwoordigt de executeur bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte, aldus art. 4:145 lid 2 BW. Zie daarover Asser-Perrick, 4 * 2009, nr. 520. 14. Asser/Perrick 4* 2009, nr. 444, stelt dat de executeur die tot taak heeft de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, bevoegd is de legaten te verminderen op grond van art. 4:145 lid 2 BW. In dezelfde zin Van Es in zijn hiervoor genoemde bijdrage in TE 2012/4, waarin hij het thans in cassatie bestreden arrest bespreekt. Hij betoogt dat een executeur die tot taak heeft de schulden van de nalatenschap te voldoen, bevoegd en verplicht is tot vermindering van legaten. Dat vormt, aldus Van Es, een wezenlijk onderdeel van het voldoen van de schulden van de nalatenschap en de executeur is in dezen op grond van art. 4:145 lid 2 BW bevoegd de erfgenamen te vertegenwoordigen. Zie in deze zin ook Kalkman in zijn annotatie onder het thans in cassatie bestreden arrest, PJ 2012/131. Kalkman betoogt dat verdedigbaar is dat de vordering tot vermindering binnen de taakomschrijving van de executeur valt omdat die vordering een noodzakelijk instrument kan zijn om hoger gerangschikte schuldenaren te kunnen voldoen indien de goederen van de nalatenschap daarvoor ontoereikend zijn. Hij wijst voorts erop dat de executeur bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen vertegenwoordigt bij de uitoefening van deze bevoegdheid en dat deze vertegenwoordigingsbevoegdheid privatief is. De vermindering kan en moet dan ook door de executeur geschieden, aldus Kalkman onder verwijzing naar art. 4:145 lid 2 BW. Kalkman verwijst ook naar Waaijer, Handboek Erfrecht, 2011, p. 384. Vgl. ook de MvT Bezemwet bij art. 4:87 (art. 4.3.3.12), Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 1952, waar met betrekking tot het nieuw voorgestelde vierde lid, luidende dat inkorting van een legaat geschiedt door verklaring van de erfgenamen aan de legataris, wordt opgemerkt dat aansluiting is gezocht bij het bepaalde in art. 4.4.2.4 (art. 4:120) - in welke bepaling in de Bezemwet in lid 4 de woorden "een verklaring aan de legataris" is vervangen door "een verklaring aan de legataris door de met het legaat belaste erfgenamen" - en voorts dat de inkortingsverklaring ook namens de erflater kan geschieden door de executeur of door de vereffenaar. 15. Het is de vraag welke gevolgen een beneficiaire aanvaarding heeft voor de positie van de executeur. Art. 4:202 BW bepaalt dat een nalatenschap, behoudens het in art. 4:221 bepaalde, overeenkomstig het in afdeling 4.6.3 (Vereffening van de nalatenschap) bepaalde wordt vereffend (
- a)wanneer zij door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen der nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden der nalatenschap te voldoen en (
- b)wanneer de rechtbank een vereffenaar heeft benoemd. In de onder (
- a)bedoelde uitzonderingssituatie treedt geen formele vereffenaar op en blijft de executeur belast met zijn taak. Zie Asser/Perrick 4* 2009, nr. 456, die betoogt dat de uitzondering op de regel dat de nalatenschap overeenkomstig de regeling van afdeling 4.6.3 wordt vereffend, van rechtswege werkt nu voorts is bepaald dat geschillen dienaangaande door de kantonrechter worden beslist. Kolkman (T&C art. 4:202 aant 4) merkt op dat uitkeringen uit een sommenverzekering van invloed zijn op het saldo van de nalatenschap voor zover zij als quasi-legaat kunnen worden aangemerkt. Volledigheidshalve merk ik op dat het door art. 4:202 genoemde art. 4:221 BW bepaalt dat de verplichtingen als omschreven in art. 214 eerste en vijfde lid BW (de openlijke oproeping van schuldeisers en de neerlegging van een lijst van vorderingen en aanspraken op voorrang) en in art. 4:218 BW (neerlegging rekening en verantwoording en uitdelingslijst) slechts rusten op de erfgenamen die uit hoofde van aanvaarding onder voorwaarde van boedelbeschrijving vereffenaar zijn, indien de kantonrechter dit bepaalt. Indien de nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair wordt aanvaard en uit dien hoofde overeenkomstig afdeling 4.6.3 moet worden vereffend, zijn de gezamenlijke erfgenamen vereffenaar (art. 4:195 lid 1 BW). Wanneer de nalatenschap overeenkomstig afdeling 4.6.3 moet worden vereffend, eindigt de taak van de executeur (art. 4:149 lid 1 onder d BW). Een gewezen executeur blijft verplicht te doen wat niet zonder nadeel voor de afwikkeling van de nalatenschap kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de nalatenschap bevoegd is, dit heeft aanvaard (art. 4:149 lid 3 BW). Een vereffenaar heeft tot taak het beheren en vereffenen van de nalatenschap als een goed vereffenaar (art. 4:211 lid 1 BW). Zie Asser/Perrick 4* 2009, nrs. 466 e.v. De vereffenaar vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte (art. 4:211 lid 2 BW). De vereffenaar is bevoegd overeenkomstig art. 4:120 lid 4 BW de met het legaat belaste erfgenamen onderscheidenlijk de langstlevende legaten te verminderen. Zie ook Perrick (a.w., nr. 466). Perrick voegt daaraan toe te willen aannemen dat een vereffenaar niet alleen bevoegd maar ook verplicht is om namens de gezamenlijke erfgenamen op een begunstiging bij een sommenverzekering in te korten. 16. Na deze vooropstelling kom ik thans toe aan de bespreking van de cassatiemiddelen. Middel I 17. Het eerste middel komt, als gezegd, op tegen de hiervoor samengevat weergegeven rov. 4.17 en 4.18, waar het hof afwees de door [eiser] c.s. gevorderde verklaring voor recht dat [verweerster] op het punt van de begunstiging bij de onderhavige sommenverzekering haar taak als executeur onbehoorlijk heeft vervuld met veroordeling van [verweerster] tot vergoeding van de hierdoor geleden schade. In rov. 4.17 oordeelde het hof daartoe dat de vermindering van quasi-legaten als de begunstiging van [verweerster] bij de onderhavige sommenverzekering waarvan de uitkering als een gift geldt, niet tot de taak van [verweerster] als executeur behoort gelet op de taakomschrijving van de executeur in art. 4:144 lid 1 BW en in het testament waarin de taak van de executeur op dezelfde wijze is omschreven. In rov. 4.18 overwoog het hof dat [eiser] c.s. aan hun vordering kennelijk mede ten grondslag leggen de bepaling van art. 4:184 lid 2 BW doch dat zelfs indien zich één of meer van de daar beschreven situaties zou(den) voordoen en daardoor ondanks de beneficiaire aanvaarding verhaal op het eigen vermogen van [verweerster] mogelijk zou zijn, zulks niet kan leiden tot toewijzing van enig deel van het gevorderde nu [eiser] c.s. in deze procedure niet vorderen de betaling van hun vordering op de nalatenschap door [verweerster] als erfgenaam. 18. Betoogd wordt in onderdeel 1.5 dat het tot de taak van de executeur behoort de vermindering van een quasi-legaat zoals de begunstiging bij de onderhavige sommenverzekering op de voet van art. 4:127 BW in te roepen indien blijkt (zoals hier) dat de schuldeisers van de nalatenschap zijn of worden benadeeld en de schuldeisers hun aanspraken bij de executeur hebben gemeld. Voorts wordt betoogd dat [verweerster] niet alleen tot erfgenaam is benoemd maar tevens tot executeur in een situatie dat zij vervolgens beneficiair heeft aanvaard en dat [verweerster] als vereffenaar heeft te gelden en aldus gehouden is de nalatenschap te vereffenen, welke positie dan met zich brengt dat [verweerster] als vereffenaar (tijdig) de vermindering van de begunstiging bij de onderhavige sommenverzekering moet inroepen. Middelonderdeel 1.6 klaagt dat de vereffenaar door dit niet te doen, handelt in strijd met art. 4:184 lid 2 onder d BW dat inhoudt dat een erfgenaam (die beneficiair heeft aanvaard) niet is verplicht zijn schuld ten laste van zijn overig vermogen te voldoen tenzij hij vereffenaar is en de vervulling van zijn verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekortschiet en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Vervolgens wordt - in onderdeel 1.7 - de klacht geformuleerd dat het hof dan ook blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de verplichtingen van een executeur die tevens krachtens beneficiaire aanvaarding de persoon is die wettelijk verplicht is tot vereffening over te gaan, en op wie aldus voormelde rechtsplichten rusten. De vermindering moet - zo wordt betoogd - volgens de wet geschieden door de erfgenamen, de executeur (namens de erfgenamen) of de vereffenaar. 19. De klacht berust kennelijk op het uitgangspunt dat het hof zich in de bestreden rechtsoverwegingen heeft uitgesproken over de taak van [verweerster] in haar hoedanigheid van vereffenaar en over het eventuele tekortschieten van [verweerster] in de vervulling van die taak. In zoverre faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers - in cassatie onbestreden - vastgesteld in rov. 4.17 en 4.18 dat [eiser] c.s. zich in het petitum hebben beperkt tot het functioneren van [verweerster] als executeur. Het hof heeft daaraan expliciet toegevoegd dat [eiser] c.s. niet hebben gevorderd te verklaren voor recht dat [verweerster] als erfgename of als begunstigde onrechtmatig heeft gehandeld. Het hof heeft gelet op de beperkte formulering van het petitum ook buiten beschouwing gelaten of [verweerster] is tekortgeschoten in de vervulling van haar taak als vereffenaar, of in de vervulling van de taak die op haar rustte nu zij zowel erfgenaam als begunstigde als executeur was en vervolgens beneficiair had aanvaard. 20. Voor zover in de middelonderdelen 1.5-1.7 de klacht kan worden gelezen dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de taak van [verweerster] als executeur, moet tegen de achtergrond van het hiervoor vooropgestelde naar het mij voorkomt de slotsom zijn dat deze klacht slaagt. Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat gelet op de taakomschrijving van de executeur in art. 4:144 lid 1 BW waarbij de erflater in het testament heeft aangesloten, vermindering van quasi-legaten als de onderhavige begunstiging niet tot de taak van [verweerster] als executeur behoort. Met de hiervoor onder 14 genoemde auteurs ben ik van mening dat vermindering van legaten valt binnen de in art. 4:144 lid 1 BW opgenomen taakomschrijving die inhoudt dat de executeur tot taak heeft de schulden van de nalatenschap te voldoen. Dit, omdat de vermindering van legaten een wezenlijk onderdeel vormt van het voldoen van de schulden van de nalatenschap en een noodzakelijk instrument kan zijn om hoger gerangschikte schuldenaren te kunnen voldoen indien de goederen van de nalatenschap daarvoor ontoereikend zijn, en omdat de executeur in dezen op grond van art. 4:145 lid 2 BW bevoegd is de erfgenamen te vertegenwoordigen. Is de executeur bevoegd tot vermindering van legaten, dan is hij ook bevoegd tot vermindering van een quasi-legaat zoals de onderhavige begunstiging gelet op de gelijkstelling in art. 4:126 lid 2 onder b van een zodanig quasi-legaat met een legaat voor wat betreft de vermindering. Hoewel het middel in zoverre zou slagen, kan het evenwel niet tot cassatie leiden. Ik licht dit toe. 21. Het behoort, zoals het cassatiemiddel aanvoert, tot de taak van de executeur de vermindering van een quasi-legaat zoals de begunstiging bij de onderhavige sommenverzekering op de voet van art. 4:127 BW in te roepen indien de schuldeisers hun aanspraken bij de executeur hebben gemeld. Hetzelfde moet gelden ingeval de executeur anderszins met de aanspraken van schuldeisers bekend is geworden. [Eiser] c.s. hebben evenwel bij hun eisvermeerdering nagelaten ter adstructie van hun vordering te stellen (het cassatiemiddel gaat daarop niet
- in)op welk tijdstip [verweerster] bekend was met hun vordering op de erflater of op welk tijdstip zij hun vordering bij [verweerster] hebben aangemeld, en in het bijzonder of zulks het geval was voordat [verweerster] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard of nadat [verweerster] was overgegaan tot beneficiaire aanvaarding die tot gevolg had dat [verweerster] in de hoedanigheid van vereffenaar verantwoordelijk werd voor de afwikkeling van de nalatenschap, zoals ook het middel tot uitgangspunt neemt. Tussen partijen staat vast dat [verweerster] de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard; de volmacht tot beneficiaire aanvaarding d.d. 21 juli 2005 is door [eiser] c.s. als productie 4 bij hun inleidende dagvaarding overgelegd. Uit het als productie 5 bij de inleidende dagvaarding overgelegde vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 augustus 2007 waarnaar het hof in de feitenvaststelling verwees en waarbij is verklaard voor recht dat [eiser] c.s. een vordering uit geldlening op de nalatenschap van de erflater hebben van f 79.010,18 (te vermeerderen met de overeengekomen enkelvoudige rente van 10% per jaar vanaf 1 oktober 1980), blijkt niet op welke datum de inleidende dagvaarding is uitgebracht en evenmin op welk tijdstip de vordering uit de geldlening anderszins bij [verweerster] is aangemeld. In middel II wordt betoogd dat de vordering is aangemeld bij brief van 14 december 2007. Bij deze stand van zaken, is de gevorderde verklaring voor recht dat [verweerster] in haar taak als executeur is tekortgeschoten, naar mijn oordeel niet voor toewijzing vatbaar. Ik kom dan ook tot de slotsom dat het middel moet falen bij gebrek aan belang. In het midden kan verder blijven of een executeur reeds tot vermindering van een quasi-legaat als de onderhavige begunstiging bij een sommenverzekering moet overgaan ingeval hij de bij hem aangemelde vordering betwist (meent te moeten betwisten), zoals [verweerster] in casu heeft gedaan, en wat op dat punt van de executeur mag worden verlangd met het oog op de vervaltermijn van drie jaar waarbinnen de vermindering moet plaatsvinden en onder welke omstandigheden een beroep op deze vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is ingeval de termijn verstrijkt voordat voldoende duidelijkheid is verkregen inzake de gegrondheid van de vordering. In dit verband verdient vermelding dat het hof expliciet heeft overwogen dat in casu geen beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid is gedaan. 22. De middelonderdelen 1.8 en 1.9 klagen dat het in de middelonderdelen 1.5-1.7 betoogde ook rov. 4.18 regardeert. Onderdeel 1.8 betoogt dat [verweerster] door de nalatenschap beneficiair te aanvaarden heeft bewerkstelligd dat zij zelf vereffenaar werd en in die hoedanigheid onder meer de verplichting tot vermindering had, welke verplichting zij tegen zichzelf (als begunstigde) had moeten laten gelden. Dit geldt temeer - aldus het onderdeel - nu [verweerster] (feitelijk en juridisch) een tegenstrijdig belang heeft, zodat een strikte wetstoepassing - met het oog op de bescherming van de schuldeisers van de nalatenschap - noodzakelijk is. Onderdeel 1.9 concludeert dat het hof derhalve in rov. 4.18 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 23. De middelonderdelen falen omdat zij miskennen dat het hof in rov. 4.18 slechts heeft beoordeeld of de vordering van [eiser] c.s. als door het hof omschreven in rov. 4.5 onder b (te weten de vordering te verklaren voor recht dat [verweerster] haar taak als executeur onbehoorlijk heeft vervuld met veroordeling van [verweerster] tot vergoeding aan [eiser] c.s. van de hierdoor geleden schade bestaande uit het gemiste bedrag, althans een door het hof vast te stellen bedrag) toewijsbaar is op grond van het bepaalde in art. 4:184 lid 2 onder b, c en d. Het hof heeft geoordeeld dat zulks niet het geval is omdat zelfs indien [verweerster] op grond van genoemde bepaling mogelijk verplicht zou zijn de schuld aan [eiser] c.s. ten laste van haar eigen vermogen te voldoen, zulks niet ertoe kan leiden dat [verweerster] wegens onbehoorlijke vervulling van haar taak als executeur verplicht is tot vergoeding aan [eiser] c.s. van de schade die zij daardoor stellen te hebben geleden en [eiser] c.s. in deze procedure niet betaling vorderen van [verweerster] in haar hoedanigheid van erfgenaam van de vordering van [eiser] c.s. op de nalatenschap. 24. De overige middelonderdelen bevatten geen (zelfstandige) klachten. Middel II 25. Middel II komt op tegen rov. 4.15, waar het hof - na in rov. 4.14 de vordering tot verklaring voor recht dat ten aanzien van de uitkering door Zwitserleven sprake is van een begunstiging in de zin van art. 4:126 lid 2 onder b BW te hebben toegewezen - de verklaring voor recht dat [verweerster] gehouden is tot vergoeding van de waarde daarvan aan de nalatenschap, wat daarvan verder ook zij, heeft afgewezen op de grond dat de vervaltermijn van art. 4:127 BW daaraan in de weg staat, nu vaststaat dat [verweerster] de uitkering in maart 2005 heeft ontvangen en vermindering slechts binnen drie jaar daarna had kunnen geschieden, hetgeen niet is gebeurd. In dat verband heeft het hof ter zake van de stelling van [eiser] c.s. dat zij bij brief van 14 december 2007 een beroep op deze vermindering zou hebben gedaan, geoordeeld dat zodanig beroep in die brief niet te lezen valt, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat, wat daarvan verder ook zij. Het hof heeft voorts overwogen geen aanleiding te zien het beroep op de vervaltermijn in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten nu [eiser] c.s. daarop geen beroep hebben gedaan. Het hof heeft voorts nog overwogen dat een andere grond waarop [verweerster] zou zijn gehouden tot vergoeding van de waarde van de uitkering van Zwitserleven aan de nalatenschap is gesteld noch gebleken. 26. Middelonderdeel 2.2 (middelonderdeel 2.1 bevat een inleiding) klaagt dat het hof ten onrechte de vervaltermijn van art. 4:127 BW heeft tegengeworpen aan [eiser] c.s. nu die vervaltermijn enkel geschreven is voor de rechtsverhouding tussen "verminderingsbevoegden" en "verminderingsverplichten" (bedoeld zal zijn: begunstigden) en is geschreven voor die rechtsverhouding en aldus geheel staat buiten de rechten van de schuldeisers van de nalatenschap en a fortiori buiten de rechten van de schuldeisers van de erfgename/executeur/gewezen vereffenaar/[verweerster] persoonlijk krachtens die vordering tot nakoming. Middelonderdeel 2.3 voegt daaraan toe dat immers de vervaltermijn van art. 4:127 BW overeenstemt met "de inkorting op de erfgenamen in art. 4:81 lid 1 BW en op begiftigden in art. 4:90 lid 3 BW", zodat eerst vereffeningshandelingen noodzakelijk zijn hetgeen impliceert dat de termijn van art. 4:127 BW niet is gaan lopen omdat [verweerster] nog geen enkele vereffeningshandeling heeft gepleegd. Middelonderdeel 2.4 klaagt dat het hof dan ook blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Middelonderdeel 2.5 geeft aan dat in dat kader dan ook van belang is dat [eiser] c.s. in hun brief van 14 december 2007 hebben aangegeven dat zij gezamenlijk een vordering op de nalatenschap hebben en feitelijke uitbetaling aan hen verlangen. Middelonderdeel 2.6 betoogt dat [eiser] c.s. immers hun vordering hebben ingediend en daarvan betaling hebben gevorderd zodat [verweerster] niet met die vordering onbekend kan zijn aangezien de procedure betreffende de vaststelling van de vordering tegen haar als erfgenaam/executeur/vereffenaar is gevoerd. Het onderdeel concludeert dat de erfgename/executeur/vereffenaar/[verweerster] voor het ten onrechte niet verminderde persoonlijk aansprakelijk is met haar eigen vermogen gelet op art. 4:184 lid 1 sub b BW. Middelonderdeel 2.7 betoogt dat [verweerster] immers executeur en ook vereffenaar is en derde-begunstigde en dat [verweerster] geen beroep kan doen op de vervaltermijn tegen zichzelf en dat pas op de uitdelingslijst zal blijken in hoeverre het onderhavige quasi-legaat is verminderd. Middelonderdeel 2.8 klaagt dat het hof de aard en de strekking van de brief van 14 december 2007 miskent nu [eiser] c.s. konden volstaan met het aanmelden van hun vordering bij de executeur die tevens met de vereffening is belast. Middelonderdeel 2.9 klaagt dat de verdere doorwerking ook nog rov. 4.17 regardeert nu toch [eiser] c.s. aldus terecht hun vordering hebben ingesteld tegen [verweerster] als executeur die tevens met de vereffening is belast nu de in art. 4:202 lid 1 sub a genoemde uitzondering zich hier niet voordoet en op [verweerster] de verplichtingen van een erfgenaam/vereffenaar rusten. Middelonderdeel 2.10 klaagt dat voor zover het hof zou menen dat op [verweerster] niet zodanige verplichtingen rusten, het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Middelonderdeel 2.11 komt tot de slotsom dat [verweerster] derhalve jegens [eiser] c.s. als executeur die met de vereffening is belast aansprakelijk is op grond van art. 4:184 lid 2 onder d BW op welke bepaling [eiser] c.s. zich onder meer hebben beroepen zoals het hof zelf overweegt in rov. 4.6. Het behoort, aldus dit onderdeel, uitdrukkelijk tot de taak van de curator het quasi-legaat te verminderen terwijl daarbij heeft te gelden dat de schuldeisers van de nalatenschap geen vordering tot vermindering kunnen instellen als bedoeld in art. 4:127 BW zodat aan hen ook niet de vervaltermijn van drie jaar kan worden tegengeworpen. 27. Het hof - dat tot de slotsom was gekomen dat ten aanzien van de uitkering door Zwitserleven sprake is van een begunstiging in de zin van art. 4:126 lid 2 onder b BW - heeft in de door het middel bestreden rov. 4.15 geoordeeld over de toewijsbaarheid van de vordering te verklaren voor recht dat [verweerster] op grond van art. 4:127 BW gehouden is tot vergoeding van de waarde van de uitkering van Zwitserleven aan de nalatenschap. Het hof heeft geoordeeld dat de vervaltermijn van art. 4:127 BW reeds aan toewijzing van deze vordering in de weg staat nu vermindering niet binnen drie jaar na ontvangst van de uitkering door [verweerster] heeft plaatsgevonden. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft daarbij in het midden gelaten of de vordering buiten die vervaltermijn kans van slagen zou hebben gehad. Het hof heeft aldus tevens daargelaten dat alleen de erfgenaam de vermindering kan inroepen en namens deze erfgenaam tevens de executeur die de in art. 4:144 lid 1 BW omschreven taak heeft de schulden der nalatenschap te voldoen alsmede de vereffenaar, en dat de schuldeiser zich slechts kan richten tot de erfgenaam of de executeur dan wel vereffenaar met het verzoek vermindering in te roepen. Hij kan, in een geval als het onderhavige, bij het uitblijven van een verminderingsverklaring aan de begunstigde en een dientengevolge ontoereikende boedel, overigens wel de erfgenaam aanspreken uit onrechtmatige daad en ook de executeur dan wel vereffenaar wegens onbehoorlijke taakuitoefening. Het hof heeft de vordering van [eiser] c.s. te verklaren voor recht dat [verweerster] haar taak als executeur op dit punt onbehoorlijk heeft vervuld, afgewezen in de door middel I tevergeefs bestreden rov. 4.17. Hoe dit verder ook zij, indien geen vermindering heeft plaatsgevonden door de daartoe bevoegde erfgenaam of executeur of vereffenaar, kan geen sprake zijn van de in art. 4:127 BW bedoelde vergoedingsplicht aan de erfgenaam. De in middelonderdeel 2.2 vervatte klacht dat het hof ten onrechte de vervaltermijn van art. 4:127 BW aan [eiser] c.s. heeft tegengeworpen, stuit op het voorgaande af. Middelonderdeel 2.3 bouwt voort op middelonderdeel 2.2. Het betoog dat eerst vereffeningshandelingen nodig zijn voordat de termijn van art. 4:127 BW is gaan lopen, vindt bovendien geen steun in het recht. Middelonderdeel 2.4 bouwt voort op de daaraan voorafgaande onderdelen en faalt evenzeer. Middelonderdeel 2.5 faalt reeds omdat het berust op de veronderstelling dat [eiser] c.s. als schuldeisers van de nalatenschap vermindering op de voet van art. 4:126 lid 2 in verbinding met art. 4:120 lid 4 BW konden bewerkstelligen. Middelonderdeel 2.6 ziet reeds eraan voorbij dat persoonlijke aansprakelijkheid van [verweerster] met haar eigen vermogen op grond van art. 4:184 lid 2 onder b BW, wat daar ook van zij, niet kan leiden tot toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat [verweerster] op grond van art. 4:127 BW gehouden is tot vergoeding van de waarde van de uitkering van Zwitserleven aan de nalatenschap. Middelonderdeel 2.7 bouwt voort op middelonderdeel 2.3. Voor zover het nog wil betogen dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een beroep op de vervaltermijn onder de door het onderdeel bedoelde omstandigheid onaanvaardbaar is, miskent het dat 's hofs oordeel dat [eiser] c.s. geen beroep hebben gedaan op die onaanvaardbaarheid, in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst en het schiet tekort voor zover het onderdeel de begrijpelijkheid van dat oordeel heeft willen aantasten, nu verwijzing naar zodanige in feitelijke instanties ingenomen stellingen in het onderdeel ontbreken. Middelonderdeel 2.8 bouwt voort op middelonderdeel 2.5 en berust eveneens op de veronderstelling dat [eiser] c.s. als schuldeisers van de nalatenschap vermindering op de voet van art. 4:126 lid 2 in verbinding met art. 4:120 lid 4 BW konden bewerkstelligen. Middelonderdeel 2.9 bouwt kennelijk voort op de aan dit onderdeel voorafgaande onderdelen. Het ziet voorts eraan voorbij dat [verweerster] in feitelijke instanties niet in haar hoedanigheid van vereffenaar is aangesproken. Middelonderdeel 2.10 mist feitelijke grondslag nu het tot uitgangspunt neemt dat het hof een oordeel heeft gegeven over de verplichtingen van [verweerster] als vereffenaar en de vraag of zij in die verplichtingen al dan niet is tekortgeschoten. Het hof heeft zich over deze kwesties, bij gebreke aan een daartoe strekkende vordering van [eiser] c.s. - terecht - niet uitgesproken. Middelonderdeel 2.11 faalt evenzeer. Het verwijt dat het hof is voorbijgegaan aan het beroep van [eiser] c.s. op art. 4:184 lid 2 onder d BW, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft immers in rov. 4.18 dat beroep op genoemd artikel beoordeeld en geconcludeerd dat zelfs indien zich één of meer van de situaties uit art. 4:184 lid 2 onder a tot en met d BW zou(den) voordoen, dit niet kan leiden tot toewijzing van enig deel van het gevorderde. Slotsom 28. Het voorgaande brengt mij tot de slotsom dat het cassatieberoep moet worden verworpen. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden