← Nederland

ECLI:NL:PHR:2013:BZ5660

Rolnr. 13/00175 Mr M.H. Wissink Zitting van 15 maart 2013 Conclusie inzake: [Eiseres], te [vestigingsplaats], eiser tot cassatie tegen [Verweerster], te [vestigingsplaats], verweerster, niet verschenen

  1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen de arresten van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 september 2011 en 7 augustus 2012 gewezen tussen eiser tot cassatie als appellant en verweerster als geïntimeerde. De middelen rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
  2. Middelen 6A, 6B en 6C zien op rov. 8.6.
  3. De klacht van middel 6A over rov. 8.6.2, 10e regel (vijfde volzin), met betrekking tot de mate van overeenstemming tot aan 24 juni 2004 stuit af op het oordeel in rov. 8.6.2, zevende t/m negende volzin. Dit oordeel is voldoende gemotiveerd, zodat ook middel 6B faalt. De feitelijke conclusies aan het slot van rov. 8.6.2 zijn eveneens voldoende gemotiveerd, zodat middel 6C faalt. Middelen 1 t/m 5, 6D en 7 zien op (de eerste) rov. 8.6.
  4. Middel 1 mist feitelijke grondslag, omdat met het onderzoek of de bedoelde mails zijn ontvangen c.q. verzonden de in het middel bedoelde stelling over de echtheid daarvan (genoemd in rov. 4.4.1 van het tussenarrest) ook aan de orde was. Anders dan middel 7 aanvoert, bevat MvG nr. 91 geen essentiële stelling, waarop het hof afzonderlijk had dienen in te gaan. Middel 3 mist belang, omdat het zich slechts richt tegen een kennelijke verschrijving van het hof, dat doelt op productie 2 (en niet 3) bij MvA. Middelen 2, 4, 5 en 6D richten zich tegen de bewijswaardering. Deze is feitelijk en niet onbegrijpelijk, mede gezien de in cassatie vergeefs bestreden conclusies aan het slot van rov. 8.6.
  5. Middel 2 miskent voorts dat het hof zich in zijn (eerste) rov. 8.6.4 rekenschap heeft gegeven van de kwaliteit van de getuigenverklaringen. Anders dan middel 4 betoogt, kon het hof tot zijn bewijswaardering komen zonder een onderzoek "bij de telefoondienst" of aan de computer van [betrokkene 1] (het middel maakt overigens niet duidelijk waarom eiser zelf geen informatie over zijn telefoongesprekken kon overleggen en gaat voorbij aan hetgeen blijkens rov. 8.3 door [betrokkene 1] is verklaard over de onmogelijkheid van onderzoek aan zijn computer, van welke onmogelijkheid eiser tot cassatie in zijn Memorie na Enquête d.d. 24 januari 2012, p. 7, verder zelf uitgaat). Middel 5 (alsmede middel 6D, p. 18 laatste alinea) miskent dat het hof de stellingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de getuige (genoemd in rov. 4.4.1 tussenarrest en rov. 8.4 eindarrest) kennelijk heeft verdisconteerd in zijn bewijswaardering, waarbij zij opgemerkt dat de tuchtrechtelijke veroordeling (overgelegd bij MvG) zag op het doen van bepaalde uitlatingen in de hoedanigheid van registeraccountant. Middel 6D (uitmondend in de klacht op p. 18, midden) stelt te hoge motiveringseisen. Middelen 8, 9A en 9B zien op rov. 8.6.
  6. Anders dan middel 8 aanvoert (op p. 20, midden), bevat MvG nr. 29 (of Conclusie van antwoord na enquête nr. 37) geen essentiële stelling, waarop het hof afzonderlijk had dienen in te gaan. Het middel miskent dat het definitieve voorstel was gericht op overeenstemming over een (romp)koopovereenkomst, waarvan [betrokkene 2] een schriftelijk concept zou doen opstellen door de notaris. Om die reden faalt ook de klacht van middel 9A over de ingebrekestelling. Middel 9B faalt bij gebrek aan feitelijk grondslag omdat het hof geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:267 lid 2 BW. Mocht dit middel ook klagen over toepassing van artikel 6:267 lid 1 BW, omdat het hof in casu een ontbinding per e-mail voldoende heeft geacht, dan faalt het eveneens. Het middel verzuimt aan te geven dat in feitelijke instanties is aangevoerd waarom deze vorm, die aansluit bij de wijze van communiceren tussen partijen, in casu onvoldoende zou zijn. Bovendien ontbreekt belang bij de klacht omdat de ontbinding per e-mail kennelijk schriftelijk is bevestigd (brief van 6 september 2004, prod. 24 bij inleidende dagvaarding).
  7. Het cassatieberoep kan met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk verklaard worden. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.