Nr. 11/03723 Mr. Machielse Zitting 19 februari 2013 Conclusie inzake: [Verdachte]
(2)staat mijns inziens echter daarmee nog onvoldoende vast. Met name is niet duidelijk welke gevaarzetting voor andere bewoners van het gebouw verbonden is geweest aan het openstaan van de gaskranen, noch welk risico deswege bestond voor de brandweerman die de woning heeft betreden. Naar mijn mening is het tweede middel gegrond. 5.
- Het derde middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. Op 26 juli 2011 is cassatie ingesteld maar het dossier is niet binnen zes maanden daarna ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. 5.
- De stukken zijn inderdaad eerst op 22 juni 2012 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen. Aldus is de door de Hoge Raad op zes maanden gestelde inzendtermijn met bijna vijf maanden overschreden.
- Het eerste middel faalt en kan naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel is terecht voorgesteld, evenals het derde middel.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de beslissingen betreft ten aanzien van feit 4 en de strafoplegging en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan. Het hof zal de straf opnieuw hebben te bepalen, rekening houdend met de schending van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 HR 20 maart 2007, LJN AZ3867; HR 6 november 2012, LJN BX
- 2 HR 5 oktober 2010, LJN BN1700; HR 5 juni 2012, NJ 2012, 670 m.nt. F.W. Bleichrodt