Nr. 11/03120 Mr. Hofstee Zitting: 5 maart 2013 Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte]
(1), heeft het volgende te gelden. Het middel ziet eraan voorbij dat het Hof - zoals ook al volgt uit zijn in het bestreden arrest opgenomen bijzondere bewijsoverweging - aan zijn bestreden oordeel niet alleen ten grondslag heeft gelegd het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten (bewijsmiddel 1), inhoudende de ambtshalve herkenning van verzoeker. Het oordeel van het Hof dat het redelijkerwijs uitgesloten is dat een ander dan verzoeker de bestuurder van de betreffende personenauto was, is mede gegrond op de eveneens voor het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [getuige 1] (bewijsmiddel 3), inhoudende dat hij de auto, waarvan hij de eigenaar is, aan verzoeker had uitgeleend. Bovendien wijs ik erop dat voornoemd proces-verbaal van bevindingen als eigen waarneming van de verbalisanten inhoudt dat zij de door hen als bestuurder van de auto herkende persoon - welke persoon na te zijn aangehouden verzoeker bleek te zijn (bewijsmiddel 2) - van die auto zagen wegrennen.
- Dat het Hof op grond van voornoemde omstandigheden heeft geoordeeld dat redelijkerwijs is uitgesloten dat een ander dan verzoeker de bestuurder van de betreffende personenauto was, acht ik niet onbegrijpelijk. Door aldus te overwegen heeft het Hof de verwerping van het standpunt dat verzoeker niet de bestuurder van de betreffende personenauto is geweest, toereikend gemotiveerd weerlegd. De bewezenverklaring is dan ook voldoende met redenen omkleed.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Ik meen van niet, nu de raadsman slechts twijfels heeft geuit.