13/00607 Mr. F.F. Langemeijer 3 mei 2013 (art. 80a RO) Conclusie inzake: [De vader] tegen [De moeder]
(1), die begeleide omgang had geadviseerd. De beslissing omtrent een gezagswijziging moet, vanwege het ingrijpende karakter daarvan, aan hoge motiveringseisen voldoen. Anders dan in middel I wordt verondersteld, is de bestreden beslissing niet slechts gebaseerd op de "weerstand" die de moeder ter zitting van het hof heeft geuit of op haar stelling dat de verstandhouding ernstig is verstoord; zie ook blz. 3 en 4 van de eindbeschikking van de kinderrechter.
- De klacht aan het slot, dat het hof in het dictum geen beslissing heeft genomen op een verzoek van de vader om hem met het eenhoofdig gezag te belasten of, subsidiair, de moeder te veroordelen aan de vader informatie te verschaffen over het welzijn van de zoon, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen. Wat betreft het primaire verzoek is de motivering te vinden in rov.
- Het cassatierekest vermeldt geen vindplaats van het subsidiaire verzoek. Ter zitting heeft het hof de raadsman van de vader gevraagd of hij een verzoek deed om een informatieregeling op te leggen (p.-v. blz. 3; art. 1:377b BW). Het antwoord op die vraag is door het hof, kennelijk en niet onbegrijpelijk, niet verstaan als een zodanig verzoek.
- Middel II betreft de weigering van de verzochte omgangsregeling (rov. 14 - 15). Het middel bestrijdt niet de door het hof gebezigde maatstaf, ontleend aan art. 1:377a lid 1 BW; wel de conclusie dat aan de maatstaf van het derde lid is voldaan. De klacht houdt in dat het oordeel in strijd is met het in art. 8 EVRM beschermde recht op omgang, althans ontoereikend is gemotiveerd.
- De rechtsklacht faalt omdat het hof deze beslissing noodzakelijk heeft geacht ter bescherming van de zoon (art. 8 lid 2 EVRM). De motiveringsklacht, toegelicht met argumenten van feitelijke aard, faalt omdat rov. 15 de beslissing kan dragen. Het hof heeft in zijn motivering zowel aandacht besteed aan de afweging van de betrokken belangen als aan mogelijke alternatieven (begeleide omgang; vertrouwenspersoon). De klacht gaat eraan voorbij dat het hof de motivering toespitst op de gevolgen van het opleggen van een omgangsregeling "nu", hetgeen grote spanningen zou opleveren. Het hof acht met name van belang dat de moeder eerst haar PTSS laat behandelen en dat de vader aan de moeder en de zoon "gedurende die tijd rust geeft". Zo verstaan, is de beslissing niet in strijd met art. 8 (lid 1 of lid 2) EVRM, noch met het uitgangspunt dat van beide ouders de nodige inspanning mag worden verwacht om, in het belang van de minderjarige, een contact- en omgangsregeling tussen de vader en de zoon tot stand te brengen.
- De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de in art. 80a lid 1 RO vermelde grond. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, a. - g. 1 Zie de eindbeschikking van de kinderrechter d.d. 3 juli 2012, blz. 3.