← Nederland

ECLI:NL:PHR:2013:CA1230

13/02096 Mr. L. Timmerman Zitting 17 mei 2013 Conclusie inzake: [verzoeker] verzoeker tot cassatie, (hierna: verzoeker) 1. Feiten en procesverloop

(1)1.1 Verzoeker heeft op 5 december 2012 een verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend bij de rechtbank Oost-Nederland. Het verzoek is ter zitting van 17 januari 2013 behandeld, waar verzoeker in persoon is verschenen. 1.2 Bij vonnis van 31 januari 2013 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen op grond van art. 288 lid 1 aanhef en onder b Fw, nu verzoeker onvoldoende informatie had verstrekt, waardoor onvoldoende aannemelijk was geworden dat hij te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek. Allereerst heeft verzoeker onvoldoende inlichtingen verstrekt over de diverse tijdstippen waarop de schulden zijn ontstaan en heeft hij geen verklaring kunnen geven voor het feit dat een aantal zakelijke schulden is ontstaan nadat hij zijn bedrijf al had beëindigd. Voorts bleek uit het schuldenoverzicht dat verzoeker een aantal financieringen is aangegaan op een moment dat zijn bedrijf, met een aanzienlijke schuldenlast, was beëindigd, waarvoor verzoeker evenmin een verklaring heeft kunnen geven. Voorts was gebleken dat het door verzoeker bij zijn verzoek overgelegde schuldenoverzicht niet klopte. Verzoeker had naar het oordeel van de rechtbank vóór de indiening van het verzoekschrift de stukken op juistheid kunnen en moeten beoordelen en had wijzigingen moeten aanbrengen. 1.3 Verzoeker is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden; het hoger beroep is op 8 april 2013 mondeling behandeld. Bij arrest van 15 april 2013 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. 2. Ontvankelijkheid 2.1 Het cassatieberoep bestaat uit twee middelen, waarbij het tweede middel voortbouwt op het eerste. Beide middelen kunnen kennelijk niet tot cassatie leiden, nu zij de Hoge Raad naar de kern genomen vragen opnieuw over de feiten te oordelen ("Onderdeel I") en daarnaast de klacht inhouden dat de financiële crisis het ontstaan van de schulden van verzoeker niet-verwijtbaar maakt ("Onderdeel II"). 2.2 De vaststelling van de gronden waarop het hof het oordeel baseert dat de goede trouw van verzoeker met betrekking tot het doen ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden niet voldoende aannemelijk is gemaakt, alsmede dit oordeel zelf zijn volgens vaste rechtspraak oordelen van feitelijke aard. Dergelijke oordelen komen slechts voor cassatie in aanmerking wanneer zij niet begrijpelijk zijn, of in ieder geval niet voldoende gemotiveerd. Het hof heeft onweersproken vastgesteld dat aan verzoeker in de loop van 2008 bleek dat twee grote debiteuren de facturen van ongeveer € 32.000 respectievelijk € 8.000 niet betaalden en niet zouden betalen. Voorts zag verzoeker vanaf het laatste kwartaal van 2008 geen kans meer om de motorrijtuigenbelasting voor zijn geleasede bedrijfsbus te voldoen, hetgeen indicatief was voor het gebrek aan cashflow in zijn onderneming. Gegeven die omstandigheden is onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd het oordeel van het hof in r.o. 3.4 dat het onverantwoord was om in een toch al verder dalende bouwmarkt een doorstart te organiseren met leningen van ROZ van 26 maart 2009 à € 20.000 en van 18 juni 2009 à nog eens € 15.000, alsmede om sedert begin 2009 schulden aan de Belastingdienst en leveranciers en in privé (waaronder ziektekostenpremie) te laten ontstaan dan wel verder te laten oplopen. Nu de overwegingen het bestreden oordeel kunnen dragen, falen de middelen. Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 80a RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Voor zover in cassatie van belang.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.