Nr. 11/03077 Mr. Harteveld Zitting 16 april 2013 Conclusie inzake: [verdachte] alias [A]
(1)3.5 Het hof heeft kennelijk gelet op de bovengenoemde jurisprudentie en aannemende dat de verdachte in het onderhavige geval bij het aanwenden van het hoger beroep zijn ware persoonsgegevens niet heeft genoemd, de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in dat hoger beroep. Van een onjuiste rechtsopvatting lijkt dat op het eerste gezicht niet te getuigen. 3.
- De uitkomst wringt echter toch in de onderhavige zaak. Een eerste punt van twijfel betreft de toepasselijkheid van het uit de jurisprudentie van de Hoge Raad te destilleren uitgangspunt. Gaat het in het onderhavige geval wel om een verdachte, te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid? Het vonnis van de rechtbank is gewezen ten name van "een persoon, zich noemende [A]". Een naam is dus wel genoemd, zij het dat deze is gekoppeld aan 'een persoon' . Dat wijst er op dat bij de rechtbank kennelijk geen zekerheid bestond over de identiteit van de verdachte. En dat er op zijn minst twijfel bestond over de door verdachte zelf genoemde naam is wel te begrijpen, aangezien de rechtbank bewezenverklaard achtte dat de verdachte in het bezit was van een vals reisdocument. Echter, uit de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen blijkt wel deze valsheid (het schutblad en het in het paspoort opgenomen visum zijn als vals aangemerkt, net als een inreisstempel in Italië), maar niet van een andere naam of identiteit dan vermeld in het vervalste paspoort. Is die te signaleren twijfel aan de identiteit van de verdachte voldoende om te spreken van het op andere wijze dan bij name aangeduid zijn? Aan te knopen valt bij HR 12 december 2006, LJN: AZ3287 waarin sprake was van een persoon aangeduid met NN, zich noemende (X) waarna door het hof (onomstotelijk) werd vastgesteld dat deze NN niet degene was wiens naam (X) hij had genoemd. Bij die stand van zaken nam de HR aan dat "de verdachte als anonymus moet worden aangemerkt". Het cassatieberoep was vervolgens ingesteld onder dezelfde valse naam. En dat cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte had nagelaten zijn persoonsgegevens te noemen, aangezien '(h)et van zelf (spreekt) dat die gegevens de ware persoonsgegevens behoren te betreffen'. Die laatste frase uit het arrest van 2006 is, zo lijkt het, een zelfstandig leven gaan leiden. Het bedoelde arrest is echter ook zo te leggen dat het bij een verdachte, die weigert zijn naam te noemen en overigens ook geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit, niet anders komt te liggen als hij stelt Pietje Puk of Willie Wortel te heten, of, zoals in het besproken arrest uit 2006, de naam van zijn neef noemt. Wie onder zo'n evident bedrieglijke naam een rechtsmiddel aanwendt wordt met een anonymus gelijkgesteld en kan op het punt van de ontvankelijkheid van het onder die naam ingestelde rechtsmiddel worden gelijkgesteld met de 'echte' NN-verdachte. Die situatie is hier niet in die zin aan de orde. De aanvankelijke opgave door verdachte van mogelijk onjuiste persoonsgegevens lijkt mij ook niet los gezien te kunnen worden van het aan de verdachte tenlastegelegde bezit van een vals reisdocument waarin diezelfde persoonsgegevens waren vermeld. Door en namens hem is in eerste aanleg voorts betoogd dat hij dat reisdocument heeft gebruikt om te kunnen vluchten naar Nederland, hetgeen ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van art. 31 Vluchtelingenverdrag zou kunnen betekenen dat hem dat bezit niet mag of kan worden tegengeworpen. Dat zou kunnen uitdraaien op niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie - een uitkomst waartoe overigens door de advocaat-generaal bij het hof is gerequireerd. Het noemen van mogelijk valse persoonsgegevens is aldus sterk verweven met de beoordeling van het strafbare feit zelf en de proceshouding die de verdachte op dat punt (althans in eerste aanleg) ingenomen heeft. Daarin verschilt de situatie wezenlijk van die in het genoemde arrest van de Hoge Raad uit 2006, waarin - net als bij de 'gewone' anonieme verdachten - de kennelijke wens tot frustreren van de autoriteiten bij de opsporing en vervolging van een geheel ander strafbaar feit voorop leek te staan. Het voetspoor van A-G Knigge in zijn conclusie bij HR 4 september 2012, LJN: BX4153 (par. 4.10) volgend, lijkt in de wens dergelijk 'onwenselijke' procesgedrag tegen te gaan de overwegende rechtvaardiging te liggen voor de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn rechtsmiddel. Daartegenover staat dat het verlies aan verdedigingsrechten - waaronder ook ten onzent kan worden gerekend het in beginsel toegekende recht op hoger beroep bij veroordeling ter zake van misdrijven - beperkt zou moeten blijven. En eerlijk gezegd zie ik in een geval als het onderhavige geen enkel nuttig effect ontstaan, afgezien van beperking van de werklast van de appelrechter hetgeen in dit verband geen argument zou mogen zijn. Naar mijn mening zou ook gelet op de veronderstelde ratio van de jurisprudentie van de Hoge Raad een geval als het onderhavige niet onder de categorie van NN-verdachten dienen te worden geschaard. Primair stel ik me dus op het standpunt dat de vaststelling door het hof dat in het onderhavige geval sprake is van een vonnis dat is gewezen ten laste van een persoon die niet bij name is aangeduid, en waarop dus de NN-jurisprudentie is toegepast, niet zonder meer begrijpelijk is. 3.7 Het tweede punt van twijfel betreft de vaststelling dat de verdachte bij het aanwenden van het rechtsmiddel zich van onjuiste persoonsgegevens heeft bediend. Het bestreden arrest houdt hieromtrent het volgende in: "Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni heeft de verschenen verdachte opgegeven te zijn [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
- De verdachte heeft verklaard dat hij als verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg bij de behandeling van de strafzaak aanwezig is geweest. Het hof beschikt niet over aanwijzingen dat de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven personalia onjuist zijn." De vaststelling van de identiteit van de verdachte heeft het hof, zoals blijkt, enkel gegrond op verdachtes eigen opgave van andere persoonsgegevens ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft aangenomen dat die laatstgenoemde persoonsgegevens de juiste of 'ware' zijn en daaruit geconcludeerd dat de verdachte bij het aanwenden van het hoger beroep zijn ware persoonsgegevens niet heeft genoemd. De sprong die het hof hierbij maakt lijkt mij niet verantwoord. Tegen de achtergond vande op de voorzitter van het hof rustende taak, zoals omschreven in art. 273, in verbinding met art. 27a Sv, om de identiteit van de verschenen verdachte 'vast te stellen' lijkt het hof wat erg kort door de bocht te zijn gegaan. Tegelijkertijd heeft het hof niet getwijfeld aan het feit dat de verschenen verdachte dezelfde persoon was die in eerste aanleg was veroordeeld. Aan de geconstateerde verschillen in de opgave van persoonsgegevens in eerste aanleg en in hoger beroep heeft het hof vervolgens de genoemde consequenties verbonden ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het is de vraag of mede gelet op die processuele gevolgen niet een verdergaande onderzoeksverplichting geldt. De van toepassingverklaring van art. 27a, tweede volzin Sv maakt (onder meer) een onderzoek naar vingerafdrukken mogelijk. Nader onderzoek had in de rede gelegen nu aangenomen moet worden dat de verdachte geen identiteitsdocumenten kon overleggen. Aldus is de vaststelling door het hof dat de verdachte met opgave van onjuiste persoonsgegevens hoger beroep heeft ingesteld onvoldoende gemotiveerd. Dat zo zeggende besef ik dat nadere pogingen de identiteit van betrokkene te achterhalen vruchteloos kunnen blijken, gelet op de context van de vluchtelingenproblematiek. Daarom heb ik de voorkeur voor het aanhouden van de lijn die ik hierboven, onder 3.4 heb uiteengezet en die neer komt op een verdere explicatie dan wel verfijning van de opvatting van de Hoge Raad omtrent het aanwenden van rechtsmiddelen door anonieme verdachten. 3.8 Als gezegd besteed ik nog aandacht aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De akte aanwenden rechtsmiddel vermeldt als persoonsgegevens: "een persoon zich noemende [A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, zich ter zitting noemende [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986" In de door mij aangehouden opvatting kan ook bij twijfel omtrent de juistheid van de bij het aanwenden van het rechtsmiddel opgegeven naam het cassatieberoep ontvankelijk worden geacht. 3.
- Mijns inziens dient het middel dus te slagen.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof Amsterdam dan wel verwijzing naar een ander hof, teneinde opnieuw recht te doen op basis van het bestaande beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Vgl. bijv. HR 12 december 2006, LJN: AZ3287, NJ 2007,13 en HR 13 maart 2007, LJN: AZ6694 NJ 2007, 170, maar ook HR 27+ februari 2001, LJN: AB0259, NJ 2001, 499 en HR 24 juni 2003, LJN: AF8570, NJ 2003, 543.