Zaaknummer: 13/03220 Roldatum: 28 februari 2014 mr. Wuisman CONCLUSIE inzake: [verzoeker], verzoeker tot cassatie, advocaat: mr. H.H.M. Meijroos, tegen: de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ABN AMRO BANK N.V., verweerster in cassatie, advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel. 1. Feiten en procesverloop() 1.1 Verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) leidt een concern waarvan onder andere Rondenborch Residental B.V., Berzona B.V., Kraayenstein Monumentenzorg B.V. en LHO Beheer B.V. deel uitmaken en dat zich met name bezig houdt met het ontwikkelen van vastgoed. 1.2 Verweerster in cassatie (hierna: de Bank) heeft bij verzoekschrift van 6 maart 2013 het faillissement aangevraagd van [verzoeker] bij de rechtbank Oost-Brabant.() De Bank stelt op het moment van indienen van het inleidend faillissementsverzoek op [verzoeker] opeisbare vorderingen te hebben van € 5.673.125,- (door het hof genoemd “Krediet [verzoeker] I”), € 1.608.564,35 (door het hof genoemd: “Krediet [verzoeker] 2”), € 9.500.000,- en € 3.000.000,- (door het hof genoemd: “Borgtochten Berzona”) en van € 5.000.000,- (door het hof genoemd “Borgtocht Kraayenstein”), een en ander te vermeerderen met achterstallige rente en kosten. Deze vorderingen komen voort uit leningen dan wel borgstellingen. 1.3 Na [verzoeker] en de Bank op een zitting van 2 april 2013 te hebben gehoord, verklaart de rechtbank [verzoeker] bij vonnis van 16 april 2013 in staat van faillissement. Daaraan voorafgaand verwerpt zij de door [verzoeker] naar voren gebrachte stelling dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te doen. Die stelling had hij aldus onderbouwd dat de griffier had nagelaten hem in een hem toegezonden, als productie 38 overgelegde brief van 8 maart 2013 mee te delen dat binnen veertien dagen na verzending van de brief een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan worden ingediend, en dat de behandeling van het faillissementsverzoek diende te worden geschorst om de griffier in staat te stellen alsnog een brief met die mededeling aan hem te zenden.() Ter verwerping van de stelling overweegt de rechtbank, dat [verzoeker] bij een brief van 8 maart 2013, welke terug is ontvangen met een stikker met de aantekening ‘Zurück/Retour/Ritorno’, in de gelegenheid is gesteld om binnen acht dagen na verzending van de brief een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen te doen. Bovendien had ook de Bank in haar oproepingsexploit op die mogelijkheid gewezen en genoot [verzoeker] vanaf 27 februari 2013 bijstand van gekwalificeerde advocaten genoot. Ook verwerpt de rechtbank het verweer van [verzoeker] dat niet aan de voorwaarden voor het uitspreken van het faillissement is voldaan, aangezien de vorderingen van de Bank mede vanwege een ‘service-afspraak’ met de Bank niet opeisbaar zijn en hij niet in de toestand verkeert van opgehouden te zijn met betalen. Verder stelt de rechtbank vast dat aan het pluraliteitsvereiste is voldaan. 1.4 [verzoeker] heeft bij beroepschrift van 24 april 2013 hoger beroep ingesteld bij het hof Den Bosch. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan beroep te vernietigen en daarmee diens staat van faillissement te beëindigen. De mondelinge behandeling bij het hof heeft op 5 juni 2013 plaatsgevonden. In het beroepschrift bestrijdt [verzoeker] opnieuw dat voldaan is aan de vereisten voor het uitspreken van een faillissement, te weten de opeisbaarheid van de vorderingen van de bank, het bestaan van pluraliteit van schuldeisers en het verkeren in de toestand van opgehouden hebben te betalen. Wat dit laatste punt betreft, erkent hij echter tijdens de mondelinge behandeling dat hij nu wel in die toestand verkeert. Ten betoge dat hij door de rechtbank ten onrechte in staat van faillissement is verklaard, spreekt [verzoeker] opnieuw tegen dat hij door de griffier van de rechtbank bij brief van 8 maart 2013 is gewezen op de mogelijkheid om binnen veertien dagen na het versturen van de brief een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te doen. Bovendien voert hij aan dat de rechtbank verzuimd heeft te beslissen omtrent de toelating van [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling, om welke toelating hij had verzocht voor het geval dat de rechtbank de tegen de faillissementsaanvraag aangevoerde verweren ongegrond zou verklaren.() In zijn arrest van 20 juni 2013 verwerpt het hof de met de toelating tot de schuldsaneringsregeling samenhangende verweren van [verzoeker] (rov. 3.9.1 t/m 3.9.10) en ook de overige verweren van hem tegen het uitspreken van zijn faillissement voor zover gehandhaafd (rov. 3.9.11 t/m 3.9.25) om vervolgens in rov. 3.10 te concluderen dat de vordering van de Bank summierlijk aannemelijk is, dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers en dat [verzoeker] in de toestand verkeert van te hebben opgehouden te betalen. Het hof beslist tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank. 1.5 [verzoeker] heeft tegen het arrest van het hof – tijdig() - beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift bevat aan het slot een voorbehoud tot aanvulling of verbetering van het cassatiemiddel nadat het proces-verbaal van de zitting van 5 juni 2013 zal zijn ontvangen. Na ontvangst van het proces-verbaal is van dat voorbehoud gebruik gemaakt; in het op 11 september 2013 bij de Hoge Raad binnengekomen aanvullend verzoekschrift zijn nog nadere klachten aangevoerd. Partijen hebben vervolgens hun zaak schriftelijk doen toelichten. [verzoeker] heeft daarna nog van repliek gediend. 2Bespreking van de cassatieklachten 2.1 De aangevoerde klachten hebben alleen betrekking op de verwerping door het hof van het door [verzoeker] ook in appel verdedigde standpunt dat de rechtbank niet diens faillissement had mogen uitspreken maar, voor het geval zij tot het oordeel zou komen dat aan de voorwaarden voor het uitspreken van het faillissement als zodanig werd voldaan(), de behandeling van de aanvraag van zijn faillissement had moeten schorsen ten einde eerst een beslissing te nemen omtrent de toelating van [verzoeker] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die oordelen van het hof die inhouden dat aan de voorwaarden voor het uitspreken van het faillissement van [verzoeker] wordt voldaan, blijven als zodanig onbestreden. A. beschouwingen hoofdzakelijk naar aanleiding van het verzoekschrift tot cassatie 2.2 Ter inleiding wordt eerst kort bij de artikelen 3, 3a en 15b Fw stilgestaan, waarin bepalingen zijn opgenomen die de verhouding tussen een verzoek tot faillietverklaring en een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling respectievelijk een omzetting van een faillissement in een schuldsaneringsregeling nader regelen.() 2.2.1 In lid 1 van artikel 3 Fw is bepaald dat, indien een verzoek tot faillietverklaring een natuurlijk persoon betreft, en deze laatste nog geen verzoekschrift heeft ingediend tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling als bedoeld in titel III van de Faillissementswet, de griffier de schuldenaar terstond bij brief kennis geeft dat hij binnen veertien dagen na de verzending van de brief een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 Fw kan indienen. Totdat die termijn van veertien dagen is verstreken, wordt, zo is in lid 2 van artikel 3 Fw bepaald, de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring geschorst.() Is een verzoek tot faillietverklaring en een verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling gelijktijdig aanhangig dan, zo schrijven de leden 1 en 2 van artikel 3a Fw voor, wordt het laatstgenoemde verzoek eerst behandeld en wordt de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring geschorst totdat bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak op het verzoek tot uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beslist. Verder voorziet artikel 15b Fw onder zekere voorwaarden in de mogelijkheid om een al uitgesproken faillissement van een natuurlijk persoon om te zetten in een schuldsanering-regeling. Is (geval 1) het faillissement op verzoek van een ander uitgesproken en is het niet aan de failliet/natuurlijk persoon toe te rekenen dat hij niet binnen de in artikel 3 lid 1 Fw bedoelde termijn een verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsanering-regeling heeft ingediend of is (geval 2) het faillissement op verzoek van de failliet/natuurlijk persoon zelf uitgesproken, dan kan de rechtbank op verzoek van de failliet/natuurlijk persoon het faillissement omzetten in een schuldsaneringsregeling totdat de verificatievergadering is gehouden of, indien een dergelijke vergadering achterwege blijft, totdat de rechter-commissaris de beschikking als bedoeld in artikel 137a lid 1 Fw heeft gegeven. 2.2.2 Uit de regelingen in de artikelen 3 en 3a Fw, in onderling verband beschouwd, volgt dat het schorsen door de rechter van de behandeling van een verzoek tot faillietverklaring pas dan verplicht is wanneer een schuldenaar/natuurlijk persoon een ‘verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bedoeld in titel III’ heeft ingediend. Hier wordt gedoeld op het indienen bij een rechtbank van een verzoekschrift in de zin van artikel 284 Fw. Blijkens lid 2 van dat artikel dient dat verzoek te worden ingediend door middel van een verzoekschrift dat is ondertekend door de schuldenaar/natuurlijk persoon of door een gevolmachtigd persoon. Ontbreken in of bij het – op de voet van artikel 284 Fw ingediende – verzoekschrift gegevens als bedoeld in artikel 285 lid 1 Fw, dan kan krachtens artikel 287 lid 2 Fw de rechtbank de schuldenaar een termijn van ten hoogste een maand gunnen om de ontbrekende gegevens te verstrekken. 2.3 Omdat het gesteld noch gebleken is, kan in de onderhavige zaak ervan worden uitgegaan dat bij de rechtbank zich niet de situatie heeft voorgedaan dat daar gelijktijdig aanhangig zijn geweest een verzoek van [verzoeker] tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, dat met een verzoekschrift als in artikel 284 Fw bedoeld is ingediend, en een verzoek om [verzoeker] in staat van faillissement te verklaren. Van een gehoudenheid van de rechtbank om de behandeling van het laatstbedoelde verzoek te schorsen wegens gelijktijdig aanhangig zijn van een door [verzoeker] met een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 Fw ingeleid verzoek en een verzoek om [verzoeker] in staat van faillissement te verklaren is dan ook geen sprake geweest. 2.4 Bij de door [verzoeker] aan de orde gestelde vraag of de rechtbank de behandeling van de aanvraag door de Bank van diens faillissement desondanks had moeten schorsen ten einde eerst een beslissing over toelating van [verzoeker] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te nemen, staat het hof stil in de rov. 3.9.1 t/m 3.9.10 van het bestreden arrest. De beschouwingen die het hof aan de zojuist genoemde vraag in de rov. 3.9.1 t/m 3.9.6 wijdt, komen – hier kort weergegeven – op het volgende neer. Mede gelet op de betwisting van de zijde van de Bank, heeft [verzoeker], met name door het proces-verbaal van de hoorzitting bij de rechtbank niet over te leggen ondanks de door het hof geuite wens om dat proces-verbaal te willen ontvangen, aan het hof onvoldoende informatie verschaft om de juistheid te kunnen toetsen van zijn stelling dat de rechtbank hem geen brief als bedoeld in artikel 3 lid 2 Fw heeft gezonden en van zijn stelling dat hij tijdens genoemde hoorzitting – dus mondeling – alsnog de rechtbank een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft gedaan(). Van deze opstelling draagt [verzoeker] het risico. Met dit laatste bedoelt het hof te zeggen dat de zojuist genoemde stellingen van [verzoeker] niet voor juist kunnen worden gehouden.() 2.5 In § 8 van zijn verzoekschrift tot cassatie vermeldt [verzoeker] als rechtsoverwegingen, waarin het hof het recht heeft geschonden of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen heeft verzuimd, alleen de rov. 3.9.7 t/m 3.9.9 en niet ook de rov. 3.9.1 t/m 3.9.6. Tegen deze laatste rechtsoverwegingen keert [verzoeker] zich ook niet op een andere plaats in diens verzoekschrift tot cassatie, in ieder geval niet nadrukkelijk. Wel wordt in § 16 van het verzoekschrift tot cassatie opgemerkt: “Bovendien belette niets het gerechtshof om de rechtbank te vragen het proces-verbaal aan het gerechtshof toe te zenden, zoals dat in de praktijk wel vaker gebeurt”. Hierop wordt in § 32 van het aanvullend verzoekschrift voortgeborduurd met de bewering: “[verzoeker] meent voorts dat, vgl. onder 16 van zijn verzoekschrift tot cassatie, gelet op de thans gebleken heropening van het onderzoek, het gerechtshof zelf het proces-verbaal bij de rechtbank had behoren op te vragen, om ook op die basis [verzoeker] gelegenheid voor het geven van een reactie te bieden”. Ook indien in deze twee uitlatingen een – genoegzaam uitgewerkte en/of tijdig aangevoerde – klacht zou kunnen worden gelezen tegen de beslissing van het hof dat het niet overleggen van het proces-verbaal van de hoorzitting bij de rechtbank voor risico van [verzoeker] komt in die zin dat mede daardoor de juistheid van de twee hiervoor in 2.4 genoemde stellingen van [verzoeker] niet voor juist kunnen worden gehouden, slaagt die klacht niet. Het is aan de betrokken partij en niet aan de rechter om de juistheid of aannemelijkheid van stellingen, die zij naar voren heeft gebracht en door de wederpartij zijn betwist, aan te tonen (artikel 150 Rv). Bovendien, afgezien van de in artikel 34 lid 1, sub b, Rv bedoelde verplichting tot het overleggen van stukken aan de rechter, kan de rechter krachtens artikel 21 Rv een partij bevelen om op een zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Laat de partij dat na zonder daarvoor een gewichtige reden te hebben, dan kan de rechter daaraan de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de raadsman van [verzoeker] meegedeeld dat [verzoeker] wel over het proces-verbaal beschikt maar dat [verzoeker] ervoor gekozen heeft om het niet over te leggen omdat het zo summier is en vol fouten van wie wat gezegd heeft zit.() Hierin heeft het hof geen gewichtige reden voor het niet overleggen van het proces-verbaal hoeven te zien.() 2.6 Uit hetgeen hiervoor in 2.3 en 2.4 is opgemerkt, volgt dat het in de rov. 3.1.9 t/m 3.9.6 opgenomen/besloten liggende oordeel van het hof dat het niet overleggen van het proces-verbaal van de hoorzitting bij de rechtbank voor risico van [verzoeker] komt in die zin dat mede daardoor de juistheid van de twee hiervoor in 2.3 genoemde stellingen van [verzoeker] niet voor juist kunnen worden gehouden, in cassatie niet, althans niet met vrucht, wordt bestreden. Daardoor dient het ervoor te worden gehouden dat door [verzoeker] niet met vrucht het oordeel van de rechtbank is bestreden dat [verzoeker] bij brief van 8 maart 2013 van de rechtbank in de gelegenheid is gesteld om binnen veertien dagen na verzending van die brief een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen te doen. Ook dient ervan uit te worden gegaan dat [verzoeker] niet tijdens de hoorzitting bij de rechtbank mondeling om toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft verzocht. Dit laatste brengt mee dat reeds – (zie ook voetnoot 13) – om die reden het hof niet in een dergelijk verzoek aanleiding heeft hoeven te vinden om te oordelen dat de rechtbank ten onrechte de behandeling van de aanvraag van de Bank van het faillissement van [verzoeker] niet heeft geschorst en niet eerst een beslissing heeft genomen omtrent de toelating van [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling. 2.7 Gezien het voorgaande dient te worden aangenomen dat: a. [verzoeker] na het indienen door de Bank van de aanvraag van het faillissement van hem van de rechtbank een brief heeft ontvangen met de mededeling dat hij binnen veertien dagen na verzending van de brief een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling kan indienen; b. [verzoeker] vóór de afsluiting van de behandeling door de rechtbank van de aanvraag van de Bank van diens faillissement noch bij verzoekschrift noch mondeling op de hoorzitting om toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft verzocht. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de rechtbank nalatig is geweest in het informeren van [verzoeker] omtrent de mogelijkheid van het doen van een verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling en dat er voor de rechtbank krachtens artikel 3a lid 2 Fw een verplichting tot opschorting van de behandeling van de aanvraag van de Bank van het faillissement van [verzoeker] heeft bestaan vanwege het feit dat vóór de afsluiting van de behandeling van die aanvraag bij haar gelijktijdig aanhangig waren een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling en een verzoek tot faillietverklaring. Er kan dan ook niet een grond voor vernietiging van het door de rechtbank uitgesproken faillissement worden gevonden in schending door de rechtbank van de verplichting tot informeren van [verzoeker] als bedoeld in artikel 3 lid 1 Fw en van de verplichting tot schorsing van de behandeling van de aanvraag van de Bank van het faillissement van [verzoeker] wegens gelijktijdige aanhangigheid van een verzoek van [verzoeker] om toelating tot de schuldsaneringsregeling als bedoeld in artikel 3a leden 1 en 2 Fw. 2.8 [verzoeker] heeft in zijn verweerschrift in eerste aanleg de rechtbank verzocht om hem in de gelegenheid te stellen alsnog een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te doen, indien zij tot het oordeel zou komen dat de voorwaarden voor het in staat van faillissement verklaren van [verzoeker] voor vervuld konden worden gehouden. Was de rechtbank in verband hiermee gehouden om aan artikel 3a lid 2 Fw toepassing te geven? Die vraag dient, naar het voorkomt, ontkennend te worden beantwoord. Blijkens lid 1 van artikel 3a Fw is onder een verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling te verstaan ‘een verzoek als bedoeld in titel III’. Zoals hierboven in 2.2.2 al opgemerkt, is van een dergelijk verzoek pas sprake indien het verzoek is ingediend bij de rechtbank door middel van een verzoekschrift dat is ondertekend door de schuldenaar/natuurlijk persoon of door een gevolmachtigd persoon. Pas na indiening van een dergelijk verzoekschrift kan worden gesproken van het aanhangig zijn van het verzoek tot het uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling en kan het tot toepassing van de regels in de leden 1 en 2 van artikel 3a FW komen. Het is wenselijk om aan deze wettelijke regeling vast te houden. De eis van indienen van een verzoekschrift dat is ondertekend door de schuldenaar/natuurlijk persoon of door een gevolmachtigd persoon, is niet als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.