Nr. 13/00262 Zitting: 8 april 2014 Mr. Vegter Conclusie inzake: [verdachte]
(2e)het Hof het niet redengevende Uittreksel Justitiële Documentatie niet als bewijsmiddel mocht bezigen. 11. De eerste klacht faalt omdat deze op een onjuist uitgangspunt is gestoeld. Er is namelijk meer bewijs voor het tweede feit voorhanden dan de bevinding dat de telecommunicatie van een telefoontoestel met een aan verdachte te koppelen nummer in de bewezenverklaarde datum/tijdsperiode verliep via masten op de locatie Meent te Norg. Een uit de woning ontvreemde handtas is in de slaapkamer van de woning van verdachte aangetroffen, terwijl hij daarvoor geen redelijke ontzenuwende verklaring heeft gegeven (bewijsmiddelen 5, 6 en 7). Het stond anders dan in de tweede klacht wordt gesteld het Hof vrij om het Uittreksel Justitiële Documentatie als bewijsmiddel te bezigen. Immers zo’n Uittreksel is een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344, lid 1 sub 3, Sv en heeft dus zelfstandige bewijskracht. Bovendien is het redengevend voor de bewezenverklaarde zinsnede “terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan”. 12Het tweede middelfaalt. 13. Het derde middel richt zich tegen het gebruik van informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) voor het bewijs van feit 2. 14. In casu gaat het om het als bewijsmiddel 8 door twee met name genoemde verbalisanten opgemaakte proces-verbaal voor zover onder meer inhoudende: “Door de regionale Criminele inlichtingen eenheid werden enkele processen-verbaal verkregen. Aan de hand daarvan werd onder meer bekend dat Naser Zerouqui gebruik maakt van het telefoonnummer [001] .” 15. De steller van het middel stelt zich op het standpunt dat hier sprake is van schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt als bedoeld in art. 344a, eerste lid, Sv. Zonder enige toelichting van de steller van het middel zie ik niet in dat het hier gaat om verklaringen van personen van wie vaststaat dat zij niet zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige kan verzoeken. Beide verbalisanten kunnen immers nader verklaren, eventueel ook over personen van wie zij hun informatie hebben. Maar zelfs indien de steller van het middel wordt gevolgd en het eerste lid van art. 344a Sv toepasselijk wordt geacht, is dat niet fataal. Immers aan de in het derde lid van art. 344a Sv gestelde voorwaarden is hier voldaan, omdat (
- a)de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt op de gestolen tas die bij een doorzoeking in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen en (
- b)niet van een verzoek tot het horen van enige getuige blijkt. 16Ook het derde klachtmiddel geen doel. 17. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. 18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 7e druk, p. 595-596. Zie voor dergelijke problematiek onder meer. de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 25 september 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX5000 (welke zaak door Uw Raad is afgedaan met 81RO). Zie HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2145, NJ 2010/176 m.nt. Schalken onder verwijzing naar HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294. Voorts ook Corstens/Borgers, a.w. p. 581-582. Vgl. HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3797, NJ 2013/13; deze zaak betrof een OM-cassatie tegen een door het Hof uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van het OM: verdachte was een week voor de zitting uitgezet naar Congo. Op 5 oktober 2011 heeft mr. A.J. de Boer, advocaat te Sneek, een stelbrief gestuurd, waarin hij heeft aangegeven zijn cliënt op de terechtzitting van het Hof van 8 november 2011 te 15.50 uur te zullen bijstaan. Waarbij ik opmerk dat ik niet heb kunnen achterhalen of deze mededeling telefonisch dan wel schriftelijk is geweest maar uitgaande van de juistheid van het proces-verbaal ga ik uit van de juistheid van deze mededeling van de voorzitter. Bovendien vermeldt ook de steller van het middel in de schriftuur dat de raadsman enkele dagen eerder had laten weten dat verdachte niet zou verschijnen. Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee voor HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3797 en HR 23 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3793, NJ 2000/90. Vgl de conclusie van mijn ambtgenoot Aben: ECLI:NL:PHR:2010:BK5616 alsmede de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge: ECLI:NL:PHR:2009:BJ3706 en HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7957, NJ 2006/511. Vgl. bijv. HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6608, NJ2009/239.