Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. P.J. Wattel Advocaat-Generaal Conclusie van 8 juli 2014 inzake: Nr. Hoge Raad: 13/05868 [X] B.V. Nr. Rechtbank: AWB 13/1710 en 13/1711 Derde Kamer A tegen Vennootschapsbelasting 2005 en 2006 Staatssecretaris van Financiën Sprongcassatie 1Overzicht 1.1 [X] BV (de belanghebbende) houdt diverse soorten effecten aan, waarvan in de jaren 2005 en 2006 ook een participatie in het beleggingsfonds [D] deel uitmaakte. 1.2 Die participaties werden genoteerd op een reguliere effectenbeurs en waren dus steeds direct verhandelbaar tegen beurskoers. De belanghebbende waardeerde haar effecten op kostprijs of lagere beurskoers. Ultimo 2005 en 2006 heeft zij haar participaties [D] op kostprijs gewaardeerd. De beurswaarde noteerde toen boven kostprijs. 1.3 Op 10 december 2008 werd bekend dat [D] onderdeel was van het Ponzi scheme (piramideconstructie) van beleggingsfraudeur [E] en diens onderneming. 1.4 Halverwege 2009 zijn aan de belanghebbende aanslagen vennootschapsbelasting 2005 en 2006 opgelegd waartegen zij bezwaar heeft gemaakt, onder meer op de grond dat voor de waardering van de aandelen [D] per ultimo 2005 en 2006 rekening moet worden gehouden met de in 2008 gebleken beleggingsfraude. De Inspecteur heeft de aanslag 2005 op andere gronden verminderd en de aanslag 2006 gehandhaafd. 1.5 Belanghebbendes daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank Noord-Holland ongegrond verklaard. Daartegen heeft zij sprongcassatieberoep ingesteld. Goed koopmansgebruik staat haars inziens wel degelijk toe dat de effecten [D] in 2005 en 2006 worden af gewaardeerd ten opzichte van kostprijs of beurskoers. Zij wijst op HR BNB 2011/57, waarin voor de waardering van een vordering op een “rondpompende belegger” rekening werd gehouden met na balansdatum vergaarde kennis over de werkelijke toestand op balansdatum, HR BNB 1997/268, waarin voor de waardering van een woning voor het huurwaardeforfait bepalend bleek de koopprijs die op peildatum zou gelden als gegadigden bekend zouden zijn geweest met de later gebleken bodemvervuiling, en HR B. 5374, waarin u toestond dat effecten tegen werkelijke waarde werden gewaardeerd in een jaar waarin hun waarde was gedaald. 1.6 Vaste jurisprudentie is dat met goed koopmansgebruik strookt dat bezittingen, waaronder beursgenoteerde effecten, worden gewaardeerd op kostprijs of (lagere) waarde in het economische verkeer (HR BNB 2014/116; zie 4.22 hieronder). 1.7 Voor ter beurze verhandelde effecten is de waarde in het economische verkeer mijns inziens in beginsel de beurskoers. Op die beurs vindt immers het economische verkeer in die effecten plaats, hun koers wordt bepaald door vraag en aanbod zoals die op die vrije markt samenkomen, en de effecten zijn op elk moment verhandelbaar tegen de op dat moment vigerende beurskoers. Onder omstandigheden kan bij een zeer groot belang in één fonds de waarde in het economische verkeer lager of hoger liggen dan de beurskoers (HR BNB 1996/279). 1.8 De belanghebbende betoogt dat op deze jurisprudentie een uitzondering of verfijning moet worden aangebracht voor beursgenoteerde aandelen waarvan (ver) na balansdatum blijkt dat de intrinsieke waarde op balansdatum (ver) beneden de beurswaarde lag. De door haar aangevoerde jurisprudentie steunt die stelling echter niet omdat zij niet over beursgenoteerde effecten ging. De waarde in het economische verkeer van vermogensbestanddelen waarvoor geen objectieve waarde op de peildatum bestaat (zoals een beurskoers, een identieke transactie of een onherroepelijk bod), moet achteraf, althans schattenderwijs bepaald worden. Bij dergelijke vermogensbestanddelen kan na balansdatum verkregen kennis omtrent de feiten op balansdatum van belang zijn voor de waardering omdat zij licht kan werpen op de – niet uit enige op peildatum geldende objectieve maatstaf blijkende – waarde in het economische verkeer op de balansdatum (onder meer HR BNB 1984/37). 1.9 Zou wél achteraf rekening gehouden moeten worden met de werkelijke feiten ter zake van beursfondsen waarvan de markt op een bepaalde beursdag niet op de hoogte was, dan zouden wij beurskoersen als waarderingsmaatstaf wel kunnen vergeten, terwijl een effectenbeurs, met market makers, er juist toe dient om op elk moment van de handelsdag daadwerkelijk te kunnen kopen en verkopen tegen de op dat moment vigerende koers, zonder dat tot stand gekomen transacties achteraf ongedaan gemaakt zouden kunnen worden op grond van later blijkende discrepanties tussen het prospectus of het jaarverslag van het desbetreffende fonds en de werkelijkheid. 1.10 De zeer ruim na balansdatum gebleken [E]-fraude is mijns inziens niet van betekenis voor de waarde in het economische verkeer van de litigieuze effecten op de balansdata 2005 en
(1964)een andere maatstaf wordt gehanteerd op de waardepeildatum. De Wet op de Vermogensbelasting 1892 ging uit van de term ‘geldswaarde’ terwijl de ‘nieuwe’ wet uitgaat van de term waarde in het economische verkeer: “Ter zake van de wijziging van geldswaarde in waarde in het economische verkeer wordt in de MvA opgemerkt, dat het niet waarschijnlijk voorkomt dat het nieuwe criterium veel verschil voor de praktijk zal uitmaken. Bovenstaande uitspraak toont aan, dat er toch wel enig (belangrijk) verschil is. Onder de wet van 1892 besliste de HR meermalen (o.a. 17 mei 1950, B. 8821, 20 maart 1957, BNB 1957/152) dat bij de waardering niet alleen rekening moet worden gehouden met de subjectieve kennis van de belastingplichtigen, maar dat de werkelijke toestand van beslissende betekenis is, zodat ook rekening moet worden gehouden met alles wat, ook nadien, gebleken is omtrent de toestand op de peildatum. Het Hof overweegt thans, dat slechts rekening moet worden gehouden met de gegevens, welke aan degene die aan het economisch verkeer deelnemen bekend zijn of bekend kunnen zijn en niet met feiten en omstandigheden, welke wel reeds aanwezig zijn en de waarde van de aandelen beïnvloeden, maar nog niet aan de dag zijn getreden. M.a.w. wat zou de koper, wetende wat hij weet of kan weten, voor de aandelen willen betalen. (…)” 4.14 Ook in art. 21 Successiewet 1956 (oud) werden vorderingen in aanmerking genomen naar hun ‘geldswaarde’. Art. 56 Successiewet 1956 (oud) verklaarde de Inspecteur bevoegd in zijn vertoogschrift te putten uit gegevens waaromtrent hem geheimhouding was opgelegd. In HR BNB 1975/26 oordeelde u op die basis dat rekening moet worden gehouden met alle gebleken feiten en omstandigheden die voor de vaststelling van de waarde op het tijdstip van de verkrijging van belang zijn: “dat de Inspecteur tot staving van zijn standpunt inzake de vaststelling overeenkomstig artikel 2l, aanhef en onder I, letter c, van de Successiewet 1956 van de waarde van de door belanghebbenden krachtens erfrecht verkregen schuldvordering op een naamloze vennootschap zich voor het Hof heeft beroepen op aan de Inspecteur bekende gegevens omtrent het vermogen en omtrent een verlies van die vennootschap; (…) dat, voor zover voor de toepassing van de Successiewet 1956 blijkens artikel 21 de waarde van het verkregene wordt vastgesteld naar het tijdstip van de verkrijging, niet slechts de waardebepalende omstandigheden in aanmerking komen welke aan de belastingplichtige op dat tijdstip bekend waren of konden zijn, doch evenzeer rekening moet worden gehouden met alle gebleken feiten en omstandigheden welke voor de vaststelling van de waarde op dat tijdstip van belang zijn; dat het Hof, door een door de Inspecteur verstrekt gegeven als bovenbedoeld ten grondslag te leggen aan zijn oordeel, een objectieve maatstaf heeft gebezigd; dat dan ook ongegrond is de klacht dat het Hof een subjectieve maatstaf zou hebben aangelegd;” Voor onroerend goed wees art. 21 Successiewet 1956 (oud) als maatstaf de verkoopwaarde aan. Die verkoopwaarde was volgens BNB 1962/273 de volgende: “dat immers de verkoopwaarde van het tot de nalatenschap behorende onroerende goed niet – (…) - moet worden vastgesteld op de hoogst toelaatbare tegenprestatie, hetzij volgens de normen, vervat in het Koninklijk Besluit van 2 December 1957, Staatsblad no. 481, hetzij volgens die van het op 1 April 1960 in werking getreden Koninklijk Besluit van 29 Maart 1960, Staatsblad no. 115, doch - naar het Hof met juistheid heeft overwogen - op den prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor het onroerende goed meest geschikte wijze na de beste voorbereiding op den dag van het overlijden der erflaatster door den meestbiedenden gegadigde besteed zou zijn;” 4.15 Voor de ‘waarde in het economische verkeer’ in de Wet op de Vermogensbelasting 1964 (en ook in de overdrachtsbelasting) leek u van dezelfde maatstaf uit te gaan als voor de ‘verkoopwaarde’ onder de Successiewet 1956; in HR BNB 1969/63 overwoog u: “dat voor de toepassing van artikel 9, lid 1, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 de vraag, welke waarde in het economische verkeer aan een bezitting of een schuld kan worden toegekend, voor elk geval afzonderlijk aan de hand van de daarvoor geldende omstandigheden zal moeten worden beantwoord; dat, ingeval het gaat om de waardering van zaken waarin geregeld handel wordt gedreven, als de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend in het algemeen dient te worden aangenomen de verkoopprijs, waaronder moet worden verstaan de prijs, die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed;” 4.16 Vorderingen en obligaties boven pari die bestemd zijn aangehouden te worden tot aflossingsdatum, mogen alleen op nominale waarde gewaardeerd worden als een transitoire post voor het agio geactiveerd wordt, aldus HR BNB 1992/109: “3.3. Indien een lening of een obligatie wordt verworven tegen een prijs die hoger is dan het nominale bedrag, berust het verschil in de regel op de omstandigheid dat de lening of de obligatie een hogere rente draagt dan de ten tijde van de verwerving geldende marktrente. Dit betekent dat het verschil niet een - toekomstig - verlies inhoudt, doch een vergoeding vormt voor hetgeen in latere jaren in de vorm van rente zal worden terugontvangen. Dit brengt mee dat het door belanghebbende voorgestane stelsel, waarin bedoeld verschil in het jaar waarin de lening of de obligatie is verworven, als verlies in aanmerking wordt genomen, niet in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Dat stelsel is immers in strijd met het beginsel dat verliezen en winsten tot uitdrukking dienen te worden gebracht in het jaar waarop zij betrekking hebben, nu daarin in dat jaar waarin de lening of de obligatie is verworven, een verlies tot uitdrukking wordt gebracht dat, gezien het recht op in de toekomst te genieten opbrengsten, in dat jaar in feite niet is geleden.” 4.17 Ter beurze verhandelde obligaties mogen volgens HR BNB 1996/279 onder omstandigheden beneden beurskeurs gewaardeerd worden. Die omstandigheden waren in dat geval (
- i)het (kleine) verschil tussen de theoretische koers en de beurskeurs waardoor het rendement op de obligaties relatief laag was en (
- ii)het feit dat de belanghebbende een zo omvangrijk pakket obligaties had dat verkoop van het gehele pakket in één keer een aanmerkelijk koersdrukkend effect zou hebben: “-3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat onder de gegeven omstandigheden goed koopmansgebruik uit een oogpunt van voorzichtigheid toelaat de obligaties enigszins beneden de beurskoers te waarderen, nu uit het verschil tussen de theoretische koers en de beurskoers volgt dat het rendement op de onderwerpelijke obligaties relatief laag is en de onmiddellijke verkoop van het gehele pakket, naar aannemelijk is, een aanmerkelijk koersdrukkend effect zou hebben. -3.3. Tegen dit oordeel richt zich het middel met het betoog dat, nu per 31 december 1988 een reële marktprijs tot stand was gekomen, de feiten geen ruimte bieden voor een waardering lager dan de beurskoers. -3.4. 's Hofs oordeel geeft evenwel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het middel kan mitsdien niet tot cassatie leiden.” 4.18 De belanghebbende verwijst naar uw arrest in de zaak HR BNB 1997/268, over de waardering van een woning voor het huurwaardeforfait in de inkomstenbelasting. Bij die waardering, gebaseerd op de waarde in het economische verkeer, is niet van belang of grondvervuiling reeds bekend was op de peildatum, maar de prijs die gegadigden op de peildatum bereid zouden zijn geweest te betalen als zij bekend zouden zijn geweest met de toestand van de grond zoals die naderhand is gebleken: “-3.2. Het Hof heeft de eventuele invloed van de mogelijke oorzaken van de, naar in zijn uitspraak ligt besloten, inmiddels gebleken verontreiniging van belanghebbendes perceel afzonderlijk bezien. Het heeft daarbij geoordeeld dat met vervuiling die het gevolg zou zijn van de nabijheid van opslagtanks voor kerosine geen rekening kan worden gehouden omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat die vervuiling - in welke mate die dan ook heeft plaatsgevonden - reeds in 1991 bekend was. Tevens heeft het Hof geoordeeld dat met de door belanghebbende overgelegde taxatie - waarin aan de grond in het geheel geen waarde is toegekend - geen rekening kan worden gehouden omdat die taxatie uitgaat van de feiten en omstandigheden op 15 december 1994, terwijl daarmee geen rekening mag worden gehouden voor zover zij in 1991 nog niet bekend waren. -3.3. Deze oordelen worden in cassatie terecht bestreden. Voor de waarde in het economische verkeer van de woning van belanghebbende in 1991 is niet van belang of toen reeds bekend was dat de grond bij de woning was vervuild. Bepalend voor die waarde is de prijs die gegadigden voor de woning die bekend zouden zijn met de toestand van de grond zoals die naderhand is gebleken, in 1991 bereid zouden zijn geweest te betalen. -3.4. Doordat het Hof ten onrechte niet is uitgegaan van de later gebleken toestand van de grond in 1991 ontvalt ook de grondslag aan 's Hofs oordelen dat een waardedrukkend effect van het gebouwd zijn op een voormalige vuilstortplaats en van de aanwezigheid van een belendend tankstation niet aannemelijk is gemaakt.” 4.19 In aanvulling op HR BNB 1996/279 (zie 4.17) oordeelde u in HR BNB 2003/136 ter zake van beursgenoteerde obligaties dat als niet kan worden aangenomen dat zij tot aflossing zullen worden aangehouden, waardering beneden beurskoers ten onrechte een verlies tot uitdrukking zou brengen dat in feite niet is geleden: “-3.3.2. (…) Een afwaardering van obligaties op een bedrag beneden de beurswaarde is alleen dan niet in strijd met goed koopmansgebruik indien, doordat aangenomen mag worden dat de belastingplichtige de desbetreffende obligaties tot de aflossing zal aanhouden, voor de berekening van de jaarwinst aan die beurskoers geen betekenis toekomt. Indien echter, zoals in het onderhavige geval, niet aangenomen mag worden dat de obligaties tot de aflossing worden aangehouden, zou bij een afschrijving van het agio tot een zodanig bedrag dat de obligaties worden gewaardeerd beneden de beurskoers, een verlies tot uitdrukking worden gebracht dat in dat jaar in feite niet is geleden. Aldus zou gehandeld worden in strijd met het beginsel dat verliezen en winsten tot uitdrukking dienen te worden gebracht in het jaar waarop zij betrekking hebben.” 4.20 De belanghebbende wijst voorts op HR BNB 2011/57 waarin een beleggingsmakelaar een hoog rendement beloofde op ingelegde bedragen. Het jaar erop werd bekend dat de makelaar met de ingelegde bedragen zijn toezeggingen jegens eerdere inleggers financierde; een Ponzi scheme dus. In geschil was de waarde van de vordering van de belanghebbende (een inlegger) op de makelaar voor de toepassing van box 3 in de inkomstenbelasting eind 2004/begin 2005. Het hof stelde die waarde in goede justitie op 50 percent van de nominale waarde, mede uitgaande van de later bekend geworden omstandigheid dat op de peildatum nog nieuwe inleggers toetraden waaruit eerdere inleggers (waaronder de belanghebbende) nog zouden kunnen worden uitbetaald: “-3.3. (…) Het Hof heeft zijn beslissing gemotiveerd onder verwijzing naar hetgeen achteraf is komen vast te staan omtrent de werkelijke toestand op de peildatum, waaronder met name het feit dat reeds vanaf begin 2003 sprake was van een 'beleggingspiramide'. Mede gelet op het feit dat rond de peildatum nog nieuwe inleggers toetraden - waaruit het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft afgeleid dat de door hen ingelegde gelden konden worden besteed aan het uitbetalen van andere inleggers - heeft het Hof bij gebreke van nauwkeuriger gegevens kunnen en mogen oordelen dat de waarde van belanghebbendes vordering op peildatum in goede justitie was te waarderen op 50 percent van de nominale waarde. Onder de in dit geding vastgestelde omstandigheden en gelet op het debat van partijen was het Hof niet gehouden zijn schatting nader te motiveren. Het oordeel van het Hof kan overigens wegens zijn feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De klachten stuiten hierop af. ” 4.21 In HR BNB 2013/218 (over de successiewaarde van een – naar later bleek zeer zeldzame – Chinese vaas) oordeelde u opnieuw dat de waarde in het economische verkeer is de prijs die door de meestbiedende gegadigde zou zijn betaald bij aanbieding ten verkoop op de voor die zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding. In de aangifte successierecht van 31 juli 2004 was voor kunstvoorwerpen een bedrag ad € 12.500 opgenomen, maar bij een veiling in 2005 werd de vaas verkocht voor € 23 miljoen; op basis van die waarde vorderde de inspecteur successierecht na. Het Hof schatte de waarde op de overlijdensdatum op € 10 miljoen, uitgaande van de verkoopprijs en rekening houdende met de algemene marktwaardestijging sindsdien, groeiende schaarste van zeldzaam Chinees aardewerk en de snel toenemende welvaart in China in de desbetreffende periode. U liet dat oordeel in stand: “3.3.1.Het Hof is er terecht van uitgegaan dat onder de waarde in het economische verkeer moet worden verstaan de prijs die bij aanbieding van een zaak ten verkoop op de voor die zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn betaald. 3.3.2. Het oordeel dat belanghebbenden de door hen verdedigde waarde niet aannemelijk hebben gemaakt met de door hen ingebrachte taxaties van deskundigen in het licht van de op 12 juli 2005 gerealiseerde beduidend hogere verkoopprijs, berust op de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering, ook niet in het licht van de opinies van de door belanghebbenden geraadpleegde deskundigen. 3.3.3. Het stond het Hof vrij om, zoals het heeft gedaan, bij het ontbreken van een verkoopprijs op de overlijdensdatum in een geval als het onderhavige, waarin partijen de door hen verdedigde waarden niet aannemelijk hebben gemaakt, de later gerealiseerde verkoopprijs tot uitgangspunt te nemen en op basis daarvan de waarde op de overlijdensdatum schattenderwijs vast te stellen, met inachtneming van de marktontwikkelingen in de tussenliggende periode. De omstandigheid dat in het onderhavige geval die tussenliggende periode twintig maanden omvat staat daaraan evenmin in de weg. 3.3.4. De schatting van de invloed van de marktontwikkelingen tussen de overlijdensdatum en de verkoopdatum is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. ’s Hofs beslissing op dat punt is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven. Ook van dit oordeel behoefde het Hof zich niet te laten weerhouden door de schattingen en opinies van door belanghebbenden geraadpleegde deskundigen.” 4.22 Op 21 maart 2014 wees u arrest over samenhangende waardering van effecten bij een marketmaker die koersrisico’s beperkt door delta hedging. Ook daarin benadrukte en herhaalde u dat het in overeenstemming met goed koopmansgebruik is bezittingen, waaronder beursgenoteerde effecten, te waarderen op kostprijs of lagere waarde in het economische verkeer: “3.5.1. In beginsel is het in overeenstemming met goed koopmansgebruik bezittingen te waarderen op kostprijs en een eventuele meerwaarde pas in aanmerking te nemen op het moment waarop deze wordt gerealiseerd door levering aan een derde (vgl. onder meer HR 17 juni 1959, nr. 13902, BNB 1959/304). Is de waarde in het economische verkeer van de bezittingen lager dan de kostprijs, dan staat goed koopmansgebruik toe te waarderen op die lagere waarde. (…) 3.5.2. De hiervoor in 3.5.1 vermelde uitgangspunten gelden ook voor ter beurze genoteerde effecten. (…)” C. Literatuur 4.23 Over de waardering van verkrijgingen krachtens erfrecht of schenking schrijven Schuttevâer en Zwemmer: “Dat het schatten van de waarde in het economische verkeer op de peildatum een moeilijke zaak is hebben wij in de voorafgaande paragrafen gezien. Hoe echter indien ten sterfdage niet alle factoren die voor de waardebepaling van belang zijn bekend waren? (…) Men kan hierbij nog onderscheiden gevallen waarin ten sterfdage de juiste gegevens aan de erfgenamen niet, doch elders wél bekend waren, en gevallen waarin ten sterfdage de gegevens, nodig om de situatie scherp te tekenen, voor een ieder nog verborgen lagen. (…) Hoe dan echter, indien een naderhand intredende ontwikkeling van zaken een nieuw licht op de waarde ten sterfdage werpt? Bestonden die nader gebleken feiten en omstandigheden reeds ten sterfdage (waren zij alleen maar niet bekend), dan dient daarmede, naar wij zagen, rekening te worden gehouden. Betreft het ná de sterfdag ingetreden gebeurtenissen (bijv. een deblokkering van een ten sterfdage nog geblokkeerd dollartegoed; zie HR 1954 hierna), dan kan daaraan mogelijk toch nog een vermoeden ontleend worden voor hetgeen op de sterfdag kon worden verwacht; ook de betekenis van zodanig vermoeden draagt dan alsnog bij tot het resultaat der schatting (vlg. HR 26 mei 1954, BNB 1954/239, inzake de vermogensaanwasbelasting, over een dollartegoed per 31 december 1945; vgl. ook RVB Middelburg 26 juli 1952, BNB 1953/112). Men moet echter goed onderscheiden. Niet geoorloofd is het namelijk naderhand voorgevallen feiten die ten sterfdage niet voorzienbaar waren alsnog in aanmerking te nemen (vgl. HR 1 juni 1955, BNB 1955/263, en 19 januari 1955, BNB 1955/81, beide inzake de vermogensaanwasbelasting en betrekking hebbende op schatting van schulden; vgl. over schulden ook Hof Leeuwarden 27 januari 1958, PW 16 837). Dat een financieel en maatschappelijk nietswaardige debiteur spoedig na het overlijden van zijn crediteur door een onverwachte erfenis in goeden doen geraakt, doet dan ook niet af aan de juistheid van de schatting van de vordering ten sterfdage op nihil. Zou daarentegen de debiteur geen erfenis ontvangen, doch zou na het overlijden van zijn crediteur blijken, dat hij reeds op diens sterfdag een geheime spaarpot had, dan zou op hogere aangifte door de fiscus alsnog terecht worden aangedrongen.” 4.24 Van Dijck en Meussen schrijven ter zake van het waarderingsmoment (zonder toe te spitsen op een bepaalde belasting): “De waardering zal moeten plaatsvinden naar de toestand op het moment van het belastbare feit. Omtrent het te waarderen object zullen vrijwel nimmer problemen ontstaan. In het algemeen is het object goed kenbaar. Het is echter mogelijk dat toestanden en gebeurtenissen, die op dat moment bestaan, eerst later bekend worden. Men kan denken aan een verborgen schat of aan verborgen gebreken, zoals bodemvervuiling. Naar onze mening kunnen bij een waardering ‘in het economische verkeer’ bij een draagkrachtbelasting alleen maar in aanmerking komen de elementen die in het economische verkeer op het waarderingsmoment bekend zijn. Alleen die elementen beïnvloeden de draagkracht van dat moment. De directe opbrengstwaarde [de haalbare prijs] wordt niet beïnvloed door onbekende elementen.” 4.25 Over de term ‘waarde in het economische verkeer’ in art. 21 Successiewet schrijft de De Vakstudie: “Het begrip waarde in het economische verkeer dient zoveel mogelijk objectief te worden ingevuld. Alle factoren die van invloed zijn op de prijs dienen te worden meegewogen. Deze beïnvloeding heeft plaats op de markt van vraag en aanbod. Voor de meeste op geld waardeerbare vermogensobjecten geldt dat deze vervreemdbaar zijn, zodat de waarde kan worden bepaald aan de hand van vergelijkbare transacties die bij de koper en verkoper tot overeenstemming hebben geleid omtrent de koopprijs. Het bestaan van een markt is daarbij niet zozeer zelf te zien als een waardebepalende factor, als wel als een omstandigheid die het mogelijk maakt dat de waardebepalende omstandigheden in wederzijdse beïnvloeding leiden tot een objectieve waarde. Echter, voor goederen die niet verhandelbaar zijn zal aan het incidentele, subjectieve waardeoordeel van aanbieder en potentiële kopers meer betekenis toekomen. De affectieve waarde van een goed is evenwel niet relevant.” 5Behandeling van het middel 5.1 De belanghebbende betoogt dat voor de waardering van haar effecten [D] ultimo 2005 en 2006 rekening mag worden gehouden met de in 2008 gebleken beleggingsfraude. Zij baseert zich met name op uw boven geciteerde arresten HR BNB 2011/57 (zie 4.20), HR BNB 1997/268 (zie 4.18) en HR B. 5374 (zie voetnoot 18). 5.2 Het is in overeenstemming met goed koopmansgebruik om beursgenoteerde effecten te waarderen op kostprijs of (lagere) waarde in het economische verkeer (HR BNB 2014/116; zie 4.22). Voor ter beurze verhandelde effecten is de waarde in het economische verkeer in beginsel hun beurskoers. Op de beurs vindt immers dat economische verkeer plaats en de koers wordt bepaald door de vrije markt van vraag en aanbod op die beurs. Uw jurisprudentie laat slechts twee uitzonderingen op dat uitgangspunt zien: (
- i)van een verhoudingsgewijs groot belang in één fonds kan de waarde in het economische verkeer lager of hoger liggen dan de beurskoers. Indien een prijsdumpingseffect aannemelijk is bij integrale verkoop kan lager dan op beurskoers gewaardeerd worden (HR BNB 1996/279; zie 4.17); (
- ii)als aangenomen mag worden dat obligaties tot hun aflossing in toekomstige jaren aangehouden zullen worden en de beurskoers daarom voor de berekening van de jaarwinst geen rol speelt, kan naar beneden van de beurskoers afgeweken kan worden (HR BNB 2003/136; zie 4.19). 5.3 Voor zover de belanghebbende betoogt dat goed koopmansgebruik ook een uitzondering op kostprijs of lagere beurskoers toelaat voor ter beurze genoteerde aandelen waarvan achteraf blijkt dat de intrinsieke waarde (ver) beneden de beurskoers lag, zie ik daarvoor geen steun in de geciteerde jurisprudentie. De zaken waarop zij haar betoog baseert, gingen niet over ter beurze verhandelde effecten. Bij vermogensbestanddelen die niet op een beurs worden verhandeld, moet de waarde in het economische verkeer op andere wijze worden bepaald. Bij activa en passiva kan na balansdatum verkregen kennis omtrent de feiten en omstandigheden op balansdatum van belang zijn (zie onder meer HR BNB 1984/37; 4.7 hierboven) omdat die kennis licht kan werpen op de waarde in het economische verkeer op de balansdatum. Bij beursgenoteerde aandelen daarentegen is de beurskoers op balansdatum in beginsel de waarde in het economische (beurs)verkeer op die datum: tegen die koers kunnen/konden de aandelen op die datum verkocht worden. Anders dan de belanghebbende kennelijk betoogt, heeft de veel later verworven kennis dat reeds op de balansdata een Ponzi scheme gaande was, geen enkele invloed op die beurskoers op die balansdata. De belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat zij op de balansdata haar participaties [D] niet tegen beurskoers had kunnen verkopen. Ik merk op dat zij in 2008, toen de fraude bleek, haar verlies op het toen nog in haar bezit zijnde pakket fiscaal aftrekbaar alsnog kon nemen. 5.4 Slechts als er geen objectieve waarde in het economische verkeer op de balansdatum voorhanden is (geen beurskoers, identieke transactie of onherroepelijk bod), dus als de waarde van effecten achteraf, althans schattenderwijs moet worden bepaald, wordt rekening gehouden met later aan het licht gekomen omstandigheden die licht werpen op feiten die er op balansdatum al waren (vgl. HR BNB 1997/268, HR BNB 2011/57). Alsdan wordt als het ware een transactie op balansdatum gefingeerd, en onzeker is welke feiten en omstandigheden op dat moment aan het licht zouden zijn gekomen als die transactie daadwerkelijk zou hebben plaats gegrepen. Heeft daadwerkelijk een (identieke) transactie plaatsgevonden op de peildatum, of bestond een beurskoers voor die transactie die op die datum daadwerkelijk betaald werd, dan is die transactiewaarde of die beurskoers de waarde in het economische verkeer op dat moment, ongeacht eventuele nadien blijkende feiten en omstandigheden die op de peildatum reeds bestonden maar de beurs- of transactiedeelnemers niet bekend waren. Zou wél achteraf rekening gehouden moeten worden met de werkelijke feiten ter zake van beursfondsen waarvan de markt op een bepaalde beursdag niet op de hoogte was, dan zouden wij beurskoersen als waarderingsmaatstaf wel kunnen vergeten, terwijl het hele idee achter een effectenbeurs, met market makers, nu juist is dat op elk moment van de handelsdag daadwerkelijk gekocht en verkocht kan worden tegen de op dat moment vigerende koers, zonder dat de tot stand gekomen transactie achteraf ongedaan gemaakt zouden kunnen worden op grond van later blijkende discrepanties tussen de werkelijkheid en het jaarverslag of het prospectus van het desbetreffende fonds. De beursgang van World Online bijvoorbeeld, is niet ongedaan gemaakt. Het enige dat een zich bekocht voelende belegger eventueel kan doen, is de zijns inziens verantwoordelijken aanspreken, hetgeen in dat geval ook is gebeurd. Maar de beurskoers en –transacties staan en blijven staan. 5.5 Dit verklaart mijns inziens het verschil in uitkomst tussen enerzijds de zaken over de vordering en de vervuilde grond (HR BNB 2011/57 en HR BNB 1997/268; onderdelen 4.20 en 4.18 hierboven), waarin immers geen objectieve waarde (beurskoers, identieke transactie of onherroepelijk bod) op de peildatum voorhanden was, zodat achteraf geschat moest worden of een potentiële koper tijdig op de hoogte zou zijn geraakt van de onvolwaardigheid c.q. de vervuiling of daarmee rekening zou hebben gehouden, c.q. de koop ongedaan zou hebben kunnen maken, en anderzijds de thans te beslissen zaak, waarin met zekerheid vast staat dat de belanghebbende haar participaties op balansdatum had kunnen verkopen tegen de beurskoers, en wel onherroepelijk, óók als reeds de volgende dag de rapen gaar zouden zijn geweest. 5.6 Ik meen daarom dat het oordeel van de Rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting toont en in het licht van de vastgestelde feiten geenszins onvoldoende is gemotiveerd. 6Conclusie Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/[E] Rb. Noord-Holland 17 oktober 2013, nr. AWB 13/1710 en 13/1711, ECLI:NL:RBNHO:2013:9459. Vgl. A.O. Lubbers, ‘Goed koopmansgebruik’, Sdu Uitgevers: 2012 – Den Haag, blz. 28; HR 25 mei 1939, B. 6918. HR 9 mei 1923, B. 3241. HR 18 juni 1943, B. 7687. HR 9 november 1932, B. 5315. In dezelfde zin: HR 23 december 1936, B. 6274. HR 23 oktober 1953, nr. 11 405, LJN AY3354, BNB 1953/295. O.A. Lubbers, ‘Goed koopmansgebruik’, Sdu Uitgevers: 2012 – Den Haag, blz. 32; Voetnoot origineel: “Omdat de Hoge Raad aangeeft dat het gaat om het oordeel dat de belastingplichtige heeft gevormd en redelijkerwijs heeft kunnen vormen, is sprake van een geobjectiveerd subjectief oordeel.” HR 12 januari 1972, nr. 16 702, LJN AY4649, BNB 1972/54. HR 4 november 1983, nr. 20 768, LJN AW9752, BNB 1981/336. HR 7 december 1983, nr. 22 226, na conclusie Van Soest, LJN AW8753, BNB 1984/37. HR 15 februari 1989 nr. 25 423, BNB 1989/144 met noot Slot, FED 1989/362 met aantekening Fortuin. HR 22 september 1993, nr. 28 878, LJN BH8783, BNB 1994/33 met noot Slot. HR 11 april 2008, nr. 44 089, LJN BC9189, BNB 2008/268, V-N 2008/20.12, NTFR 2008/702 met commentaar Van Es. P.H.J. Essers, ‘De Hoge Raad als gids en orakel bij goed koopmansgebruik. BNB 2008/168 versus BNB 1994/33’, WFR 2011/1076. N.M. Ligthart en A.O. Lubbers, ‘Welke feiten en omstandigheden zijn van belang in het kader van de fiscale jaarwinstbepaling?’, WFR 2011/420. E.J.W. Heithuis en R.J.M.M. van den Hurk, ‘BNB 2008/168 : WHAT’S NEW?’, WFR 2011/862.1. Reeds eerder oordeelde uw raad dat het “niet in strijd is met de regelen van goed en eerlijk koopmansgebruik om de waarde van dergelijke [niet tot de handelsvoorraad van belanghebbende behorende; PJW] aandeelen bij het vaststellen van de balans telkenjare te stellen op hunne werkelijke waarde en de aldus becijferde verschillen in de rekening der bedrijfsresultaten op te nemen;” Aldus HR 8 februari 1933, B. 5374 waarnaar de belanghebbende in zijn beroepschrift in cassatie verwijst. HR 29 april 1953, nr. 11 271, BNB 1953/166. Hof ’s-Gravenhage 15 jun i1967, nr. 39/1967, LJN AX6108, BNB 1968/137 met noot Van Duyn. HR 19 januari 1974, nr. 17 234, LJN AX4567, BNB 1975/26 met noot Scheltens. HR 20 juni 1962, nr. 14 834, LJN AX8065, BNB 1962/273. HR 4 december 1974, V-N 2 augustus 1975, punt 13; PW nr. 18 350. HR 5 februari 1969, nr. 16 047, LJN AX5888, BNB 1969/63. HR 13 november 1991, nr. 27 563, na conclusie Verburg, BNB 1992/109 met noot Slot. HR 24 april 1996, nr. 31 143, na conclusie Van Soest, LJN AA1941, BNB 1996/279 met noot Slot. HR 7 mei 1997, nr. 32 237, LJN AA2069, BNB 1997/268 met noot Van Vijfeijken. HR 6 december 2002, nr. 37 051, na conclusie Van Kalmthout, LJN AE1535, BNB 2003/136 met noot Burgers. HR 26 november 2010, nr. 10/00265, LJN BO5026, BNB 2011/57. HR 21 maart 2014, nr. 12/02793, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2014:635, BNB 2014/116 met noot A.O. Lubbers, V-N 2014/15.10, NTFR 2014/1118 met commentaar Ligthart, FED 2014/36 met noot Cornelisse. H. Schuttevâer en J.W. Zwemmer, De Nederlandse successiewetgeving. Civiel- en fiscaalrechtelijke beschouwingen over de verkrijgingen krachtens erfrecht of schenking (serie Fiscale Hand- en Studieboeken, deel 7), Deventer: Kluwer 1998, blz. 194-195. J.E.A.M. van Dijk en G.T.K. Meussen, Waarde in het economische verkeer (Serie FED Fiscale brochures, IB), Deventer: Kluwer 2004, blz. 8-9. Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Deel Successiewet, Successiewet 1956, artikelsgewijs commentaar Successiewet 1956, art. 21, aantekening 12.1. Begrip waarde in het economische verkeer in de Successiewet 1956, online geraadpleegd. Behoudens bijzondere gevallen waarin de koers is bevroren doordat – bijvoorbeeld – er geen handel plaats vindt. Denk aan de koers ‘overnacht’, door de bevoegde autoriteiten stilgelegde handel of technische redenen. In die gevallen kan het voorkomen dat de op dat moment bekende beurskoers niet (meer) de waarde in het economische verkeer is. Vervreemding van een groot belang in een fonds kan daling van de beurskoers tot gevolg hebben. Bijvoorbeeld in geval van een plotse ‘hostile takeover’.