Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. R.E.C.M. Niessen Advocaat-Generaal Conclusie van 25 februari 2014 inzake: Nr. Hoge Raad: 13/02237 [X] Nr. Gerechtshof: 11/00302 Nr. Rechtbank: AWB 10/1088 Derde Kamer B tegen Inkomstenbelasting 2006 De staatssecretaris van Financiën 1Inleiding 1.1 Aan [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. 1.2 De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. 1.3 Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. 1.5 Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris heeft schriftelijk laten weten af te zien van het indienen van een conclusie van dupliek. 1.6 Het geschil betreft de vraag of de Nederlandse staat onder de toepasselijke belastingverdragen gerechtigd is belasting te heffen over een forfaitair berekend voordeel uit de participaties van belanghebbende in buitenlandse beleggingsfondsen, ongeacht of op die participaties dividend is uitgekeerd. Voorts is in geschil of belanghebbende ingeval de Nederlandse staat daartoe gerechtigd is, op grond van een redelijke wetsuitleg recht heeft op verrekening van een fictieve buitenlandse bronbelasting. 2De feiten en het geding in feitelijke instanties 2.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. 2.2 Belanghebbende is inwoner van Nederland. Tot zijn vermogen behoren onder meer (aandelen)participaties in verschillende beleggingsfondsen die zijn gevestigd in België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de buitenlandse beleggingsfondsen). 2.3 Een aantal van deze buitenlandse beleggingsfondsen heeft in het onderhavige jaar
(1970), waarin de Hoge Raad expliciet heeft opgemerkt dat art. 3, lid 2, OESO-Modelverdrag verdragsluitende staten de mogelijkheid biedt om zich te bedienen van forfaits en ficties als inkomsten naar hun aard aan die staat zijn toegewezen. Mijns inziens is het resultaat waartoe het hof komt – ondanks de theoretische kanttekeningen die erbij kunnen worden geplaatst – wel redelijk en komt het ook niet in strijd met de goede verdragstrouw die tussen de onderhavige verdragspartijen geldt. Het zou echter fraaier zijn geweest als de verdragen aan de invoering van box 3 zouden zijn aangepast. 4.24 Van Raad e.a. schrijven in Cursus Belastingrecht over de definitie van de verdragsterm ‘dividend’ in artikel 10 van het OESO-modelverdrag: Het verdrag geeft in lid 6 een eigen definitie van het begrip ‘dividend’. Dit wil echter niet zeggen dat wat in het Nederlandse belastingrecht onder ‘dividend’ wordt begrepen, bij de toepassing van het verdrag niet van belang zou zijn. De definitie omvat immers in de eerste plaats ‘inkomsten uit aandelen’. Deze uitdrukking is zelf niet gedefinieerd, zodat ingevolge het algemene uitleggingsvoorschrift van art. 3, lid 2, de inhoud ervan moet worden bepaald aan de hand van het nationale recht (behalve voor zover de verdragscontext zich daartegen verzet). 4.25 Van Raad e.a. schrijven in Cursus Belastingrecht over het algemene uitleggingsvoorschrift van artikel 3, lid 2 van het OESO-modelverdrag: Bij de beoordeling of de uit het nationale recht voortvloeiende betekenis van een verdragsterm zich met de verdragscontextuele betekenis van die term verdraagt, is een belangrijke vraag of deze nationaalrechtelijke betekenis bepaald moet worden naar het nationale recht zoals dat luidde op het tijdstip van sluiten van het verdrag (zogenoemde statische interpretatie) of het nationale recht naar de inhoud dat het heeft op het tijdstip waarin het verdrag in een concreet geval (zogenoemde dynamische interpretatie) wordt toegepast. Over deze vraag werd, wat Nederland betreft, uiteenlopend gedacht. De tekst van art. 3, lid 2, OESO-Modelverdrag werd in 1995 aldus aangepast dat er nu uitdrukkelijk verwezen wordt naar de betekenis van een term in het nationale recht zoals dat luidt ten tijde van de toepassing van het verdrag (“As regards the application of the Convention at any time by a Contracting state, any term not defined therin shall… have the meaning that it has at that time under the law of that state…”) In HR 5 september 2003, nr. 37 657, BNB 2003/380 (concl. Wattel, noot P. Kavelaars), V-N 2003/44.6 (gedeeltelijke afkoop pensioen door inwoner van Singapore) oordeelde de Hoge Raad wel dat de goede trouw die bij de uitlegging van verdragsbepalingen moet worden betracht, aan een dynamische verwijzing naar het nationale recht grenzen stelt: niet is toegestaan dat de ene staat door een wijziging van zijn nationale wetgeving zich een heffingsrecht binnen het verdrag verwerft dat vóór die wijziging slechts aan de andere staat toekomt. 5Behandeling van de middelen 5.1 Belanghebbende is inwoner van Nederland en heeft participaties in verschillende buitenlandse beleggingsfondsen. Het geschil betreft de vraag of Nederland onder de toepasselijke belastingverdragen gerechtigd is belasting te heffen over een forfaitair berekend voordeel uit de participaties van belanghebbende in buitenlandse beleggingsfondsen, ongeacht of op die participaties dividend is uitgekeerd. 5.2 De eerste klacht houdt in dat het Hof de rechtsvraag onjuist heeft weergegeven in zijn uitspraak. Het Hof heeft het geschil aldus omschreven dat het betreft de vraag “of de Inspecteur met betrekking tot de participaties in de buitenlandse beleggingsfondsen die in 2006 geen dividend hebben uitgekeerd gerechtigd is toch een forfaitair rendement van 4% als inkomen uit sparen en beleggen in de heffingsgrondslag op te nemen.” 5.3 Belanghebbende heeft in het hoger beroepschrift aangevoerd dat het Nederland niet is toegestaan om inkomstenbelasting te heffen over de waarde van de in het buitenland gevestigde fondsen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat Nederland in de toepasselijke verdragen het heffingsrecht over dividend toebedeeld heeft gekregen. Nederland belast echter, aldus belanghebbende, de waarde van de aandelen, en ten aanzien daarvan is Nederland in de verdragen geen heffingsrecht toegekend. Daarmee is voor de door belanghebbende opgeworpen rechtsvraag niet relevant of op de aandelen in het betreffende jaar al dan niet dividend is uitgekeerd. Dat betekent dat het Hof het geschil te beperkt heeft uitgelegd door dit te omschrijven zoals weergegeven onder 5.
- De in het middel vervatte klacht is gegrond; of het middel tot cassatie leidt, hangt echter af van de beoordeling van het tweede middel. 5.4 Het tweede middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat Nederland bevoegd is om met betrekking tot de participaties van belanghebbende in de buitenlandse beleggingsfondsen een forfaitair rendement van 4% in aanmerking te nemen. Volgens belanghebbende claimt Nederland met de forfaitaire rendementsheffing een heffingsrecht dat het in bilaterale verhoudingen niet toekomt. 5.5 De Hoge Raad heeft voor de toepassing van het tussen Nederland en Frankrijk gesloten belastingverdrag uitgemaakt dat voor de toepassing van dat verdrag de vermogensrendementsheffing als een inkomstenbelasting kwalificeert en niet als een vermogensbelasting. Niet valt in te zien dat dit voor de toepassing van de tussen Nederland en respectievelijk België, Duitsland, Luxemburg en de Verenigde Staten van Amerika gesloten verdragen anders zou zijn. Dat betekent dat de verdragsbepalingen over belastingheffing naar vermogen, die heffing over de waarde van aandelen als hoofdregel overlaten aan de woonstaat, buiten toepassing blijven. 5.6 Het dividendartikel in de toepasselijke belastingverdragen (zie onder 5.5) wijst conform het OESO-modelverdrag het heffingsrecht ter zake van ‘betaalde dividenden’ c.q. ‘verkregen dividenden’ (Duitsland) aan Nederland als woonstaat toe. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vermogensrendementsheffing niet een heffing over betaalde dividenden vormt. Dat betekent volgens belanghebbende dat het dividendartikel Nederland geen heffingsrecht geeft. 5.7 De vraag is of het op de voet van de vermogensrendementsheffing bepaalde voordeel kan worden gerekend tot de ‘betaalde dividenden’ in de zin van de toepasselijke verdragen. Daarbij komt tevens de vraag op of een onderscheid moet worden gemaakt naar gelang door de buitenlandse beleggingsfondsen daadwerkelijk dividend is uitbetaald of niet. 5.8 In de tekst van artikel 10 van het OESO-modelverdrag (het dividendartikel) staat: ‘dividends paid by’. Weliswaar staat in het commentaar bij dit artikel dat de term ‘paid’ ruim moet worden uitgelegd, maar dat doet er niet aan af dat het commentaar slechts spreekt over ‘distributions’. Het is dan ook twijfelachtig of forfaitair bepaald, niet-betaald inkomen daar ook onder valt. 5.9 De Hoge Raad heeft in BNB 2003/379 r.o. 3.4.1 overwogen: ‘Indien bepaalde inkomsten naar hun aard, zoals die bepaald wordt door de bron waaruit zij ontstaan, aan Nederland ter heffing zijn toegewezen, laat (…) het Verdrag Nederland de ruimte om (…) in verhoudingen welke door het Verdrag worden bestreken die inkomsten te belasten volgens Nederlandse wettelijke bepalingen met betrekking tot de wijze van heffing, de bepaling van het tijdstip waarop die inkomsten in aanmerking worden genomen, de bepaling van hun omvang en de wijze van hun berekening. Binnen dat kader kan er ook ruimte zijn voor het toepassen van nationale bepalingen waarbij de wetgever zich bedient van forfaits of ficties.’ 5.10 In het onderhavige geval wordt de bron gevormd door de aandelen in de buitenlandse beleggingsinstellingen. Dat brengt mee dat als aard van de inkomsten dient te gelden ‘dividend’. Daarmee is voor de vraag of Nederland een heffingsrecht toekomt, in principe bepalend het zogenaamde dividendartikel. Slechts wanneer dat artikel geen heffingsrecht aan Nederland geeft, is van belang of het restartikel daarvoor een grondslag geeft. 5.11 Voor gevallen waarin daadwerkelijk dividend is uitgekeerd, valt naar mijn mening niet in te zien dat er, in elk geval tot het beloop van dat bedrag, belemmering zou kunnen bestaan voor het belasten van dat dividend op de voet van de vermogensrendementsheffing. Het gegeven dat niet het daadwerkelijk genoten dividend maar een forfaitair bepaald bedrag bij de heffing in aanmerking wordt genomen, brengt niet mee dat Nederland geen heffingsrecht meer toekomt. Daarbij verdient opmerking dat de in het buitenland geïnde bronheffing in Nederland kan worden verrekend en dat voor niet-verrekenbare bronbelasting een doorschuifregeling geldt. 5.12 Indien en voor zover geen sprake is van daadwerkelijk betaald dividend tegenover het forfaitair in aanmerking genomen bedrag, is een eenduidig antwoord op die vraag moeilijker te geven. In dergelijke gevallen kan als bezwaar tegen de vermogensrendementsheffing in verdragssituaties worden aangevoerd dat zowel naar aard als omvang inkomen wordt gefingeerd dat feitelijk niet is betaald c.q. genoten (zie tevens de conclusie van A-G Wattel bij HR BNB 2003/379 in 4.19 en Van Horzen in 4.22). 5.13 Bepalingen uit belastingverdragen zoals de onderhavige hebben tot doel de heffingsbevoegdheid ten aanzien van bronnen van inkomsten toe te wijzen aan een van beide verdragsluitende partijen, en niet om aan die partij beperkingen op te leggen ten aanzien van de wijze waarop naar nationaal recht de revenuen uit die bron worden bepaald. Ten aanzien van de onderhavige bepaling blijkt dit eens te meer uit de ruime omschrijving van het begrip ‘dividend’ in de verdragen met België, Frankrijk, Luxemburg en de Verenigde Staten van Amerika en het commentaar bij het OESO-modelverdrag. 5.14 Wat onder ‘betaald’ moet worden verstaan, is in verdrag en commentaar niet vastgelegd. Derhalve dient dit begrip naar nationaal recht te worden uitgelegd (zie artikel 3 van de genoemde belastingverdragen) en staat niets eraan in de weg hieronder overeenkomstig de wettelijke regel forfaitair bepaalde uitkeringen te verstaan. 5.15 Wat betreft het verdrag met Duitsland geldt dat anders dan de onder 5.13 genoemde verdragen het dividendartikel ‘verkregen dividend’ noemt in plaats van ‘betaald dividend’. Voorts is de omschrijving van het begrip ‘dividend’ in het verdrag minder ruim. Uitgangspunt bij de beoordeling of de uit het nationale recht voortvloeiende betekenis van een verdragsterm zich met de verdragscontextuele betekenis van die term verdraagt moet zijn de dynamische methode. Daarom kan ook voor het verdrag met Duitsland worden aangesloten bij het onder 5.13 en 5.14 betoogde. 5.16 Deze benadering sluit aan bij het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2003, BNB 2003/379, welke lijn (onder meer) is doorgetrokken in het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 2004, BNB 2004/
- 5.17 Met het oog hierop is van wezenlijk belang of wordt voldaan aan het door de Hoge Raad in genoemde arresten gestelde vereiste dat de Nederlandse wetgever niet door middel van ficties zich heffingsrechten toe-eigent die Nederland op grond van de verdeling van heffingsbevoegdheden op het moment van sluiten van het bilaterale verdrag niet had. 5.18 Het Hof oordeelt terecht dat aan dit vereiste wordt voldaan. Inkomsten uit en vermogenswinsten op aandelen zijn aan de woonstaat toegewezen, zodat het forfait van de heffing in box 3 van de Wet IB 2001 voor wat betreft aandelenparticipaties als de onderhavige niet een potentiële verschuiving teweeg brengt in de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen Nederland en de verschillende andere landen. 5.19 Het tweede middel faalt derhalve. 5.20 Het derde middel houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen ruimte bestaat voor het op grond van een redelijke uitleg van de wet en de verdragen in aanmerking nemen van een verrekening van een fictieve buitenlandse bronbelasting. Dit middel faalt. Noch uit de verdragstekst noch uit de ratio van het voorkomen van dubbele belasting volgt dat een dergelijke ‘verrekening’ zou moeten plaatsvinden. Bij het ontbreken van feitelijke bronheffing is van dubbele belasting immers geen sprake. 6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Inspecteur van de Belastingdienst/[P]. Rechtbank Leeuwarden 6 september 2011, nr. AWB 10/1088, NTFR 2011/2426 met commentaar F. van Horzen. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 maart 2013, nr. 11/00303, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5773, NTFR 2013/1173 met commentaar J.A.G. van Es. Commentary on article 10 concerning the taxation of dividends, II. Commentary on the provisions of the Article, Paragraph 1.7 en Commentary on article 11 concerning the taxation of interest, Commentary on the provisions of the Article, Paragraph 1.5, tekst 2010 ongewijzigd vanaf
- Tischbirek in Vogel/Lehner, DBA Doppelbesteuerungsabkommen, Kommentar
- Auflage, Verlag C.H. Beck München
- HR 5 september 2003, nr. 37651, ECLI:NL:HR:2003:AE8398, na conclusie A-G Wattel, BNB 2003/379 m. nt. P. Kavelaars, NTFR 2003/1511 m. nt. P.G.H. Albert. BNB 2003/381 is (vrijwel) gelijkluidend en om die reden niet geciteerd. HR 5 september 2003, nr. 37657, ECLI:NL:HR:2003:AE8403, na conclusie A-G Wattel, BNB 2003/380, m. nt. P. Kavelaars. HR 18 juni 2004, nr. 39385, ECLI:NL:HR:2004:AP1896, BNB 2004/314 m. nt. R.J. de Vries, NTFR 2004/940 met commentaar S.C.W. Douma. HR 1 december 2006 nr. 42211, ECLI:NL:HR:2006:AV5017, na conclusie A-G Overgaauw, BNB 2007/68 m. nt. P.G.H. Albert, NTFR 2007/41 met commentaar M.B. Lucas Luijckx. HR 26 november 2010 nr. 09/03219, ECLI:NL:HR:2010:BM0371, na conclusie A-G IJzerman, BNB 2011/189 m. nt. I.J.J. Burgers, NTFR 2010/2839 met commentaar A. Rozendal. E. Nijkeuter, Forfaitair minimumrendement in box 2 over de grens, NTFRA 2013/10b. Van Raad, Janssen en Pötgens, Cursus Belastingrecht (Internationaal belastingrecht), 3.4.3.B.e Belastingverdragen, citaat zonder voetnoten. Van Raad, Janssen en Pötgens, Cursus Belastingrecht (Internationaal belastingrecht), 3.2.4.A.c Belastingverdragen, citaat zonder voetnoten. Zie onder 4.
- Zie onder 4.10 en 4.
- Zie onder 4.
- Zie het voorkomingsartikel van de verdragen en het Besluit voorkoming dubbele belasting
- Zie ook onder 4.12 en 4.
- Zie onder 4.
- Zie onder 4.13 en 4.15.