Nr. 13/01327 Zitting: 3 juni 2014 Mr. Knigge Conclusie inzake: [verdachte]
(73)wordt in de eveneens door de steller van het middel aangehaalde zaak Vejdeland e.a. tegen Zweden (EHRM 9 februari 2012, nr. 1813/07) – die betrekking heeft op folders met discriminerende uitlatingen over homoseksuelen die door vier jongemannen op een school waren verspreid – herhaald en aangevuld: “
- Moreover, the Court reiterates that inciting to hatred does not necessarily entail a call for an act of violence, or other criminal acts. Attacks on persons committed by insulting, holding up to ridicule or slandering specific groups of the population can be sufficient for the authorities to favour combating racist speech in the face of freedom of expression exercised in an irresponsible manner (see Féret v. Belgium, no. 15615/07, § 73, 16 July 2009). In this regard, the Court stresses that discrimination based on sexual orientation is as serious as discrimination based on “race, origin or colour” (see, inter alia, Smith and Grady v. the United Kingdom, nos. 33985/96 and 33986/96, § 97, ECHR 1999 VI).” Wat in het oog springt dat het EHRM de grenzen van wat in de zaak Mondragon met de term “hate speech” wordt aangeduid ruim trekt, in elk geval als het om minderheden gaat. Aanvallen die bestaan uit beledigen, ridiculiseren of lasteren kunnen voldoende reden opleveren voor bestrijding door de autoriteiten. Van belang is voorts dat het EHRM aan seksuele discriminatie even zwaar tilt als aan rassendiscriminatie. Dat laatste is van belang omdat in geval van rassendiscriminatie gesproken zou kunnen worden van een conflict van verdragsverplichtingen. Het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie verplicht immers rassendiscriminatie uit te bannen onder meer door de strafbaarstelling van het verspreiden van denkbeelden die zijn gegrond op rassuperioriteit of rassenhaat en van het aanzetten tot rassendiscriminatie. In de zaak Jersild tegen Denemarken (EHRM 23 september 1994, nr. 15890/89) overwoog het EHRM dat zijn interpretatie van art. 10 EVRM “is compatible with Denmark’s obligations under the UN Convention” (§ 30). Die uitleg van art. 10 EVRM, die alle ruimte laat voor de uitbanning van rassendiscriminatie, is dus ook van toepassing op de bestrijding van seksuele discriminatie. 4.
- Dat het EHRM op dit punt een uitzonderingspositie zou toekennen aan politici in die zin dat zij onder het mom van het leveren van een bijdrage aan het publieke debat ongestraft minderheden mogen beledigen wegens hun ras of seksuele geaardheid dan wel tot discriminatie van deze minderheden mogen aanzetten, is gelet op het voorgaande niet goed voorstelbaar. Politici zouden veeleer voorop moeten gaan in de bestrijding van deze vormen van discriminatie. Inderdaad kent het EHRM hier aan een politicus juist een bijzondere verantwoordelijkheid toe, niet alleen als hij aan de macht is, maar ook als hij aan de macht wil komen. Dat blijkt uit de volgende overwegingen uit de zaak Féret tegen België, waarop in het middel terecht een beroep wordt gedaan: “
- La qualité de parlementaire du requérant ne saurait être considérée comme une circonstance atténuant sa responsabilité. A cet égard, la Cour rappelle qu'il est d'une importance cruciale que les hommes politiques, dans leurs discours publics, évitent de diffuser des propos susceptibles de nourrir l'intolérance (Erbakan c. Turquie, no 59405/00, 6 juillet 2006, § 64). Elle estime que les politiciens devraient être particulièrement attentifs à la défense de la démocratie et de ses principes, car leur objectif ultime est la prise même du pouvoir. En l'espèce, sur proposition circonstanciée du procureur général près la cour d'appel de Bruxelles, la Chambre des représentants a estimé que les propos incriminés justifiaient la levée de l'immunité parlementaire du requérant. La Cour estime que l'incitation à l'exclusion des étrangers constitue une atteinte fondamentale aux droits des personnes et devrait par conséquent justifier des précautions particulières de tous, y compris des hommes politiques.
- La Cour attache une importance particulière au support utilisé et au contexte dans lequel les propos incriminés ont été diffusés en l'espèce, et par conséquent à leur impact potentiel sur l'ordre public et la cohésion du groupe social. Or il s'agissait de tracts d'un parti politique distribués dans le contexte d'une campagne électorale, forme d'expression visant à atteindre l'électorat au sens large, donc l'ensemble de la population. Si, dans un contexte électoral, les partis politiques doivent bénéficier d'une large liberté d'expression afin de tenter de convaincre leurs électeurs, en cas de discours raciste ou xénophobe, un tel contexte contribue à attiser la haine et l'intolérance car, par la force des choses, les positions des candidats à l'élection tendent à devenir plus figées et les slogans ou formules stéréotypées en viennent à prendre le dessus sur les arguments raisonnables. L'impact d'un discours raciste et xénophobe devient alors plus grand et plus dommageable.
- La Cour reconnaît que le discours politique exige un degré élevé de protection, ce qui est reconnu dans le droit interne de plusieurs Etats, dont la Belgique, par le jeu de l'immunité parlementaire et de l'interdiction des poursuites pour des opinions exprimées dans l'enceinte du Parlement. La Cour ne conteste pas que les partis politiques ont le droit de défendre leurs opinions en public, même si certaines d'entre elles heurtent, choquent ou inquiètent une partie de la population. Ils peuvent donc prôner des solutions aux problèmes liés à l'immigration. Toutefois, ils doivent éviter de le faire en préconisant la discrimination raciale et en recourant à des propos ou des attitudes vexatoires ou humiliantes, car un tel comportement risque de susciter parmi le public des réactions incompatibles avec un climat social serein et de saper la confiance dans les institutions démocratiques.” Dat Féret lid was van het parlement onthief hem niet van zijn aansprakelijkheid. En dat de pamfletten in het kader van de verkiezingsstrijd werden uitgedeeld, maakte het alleen maar erger. 4.
- Het middel is terecht voorgesteld.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG Terzijde merk ik op dat ik mij afvraag of het beslissingsschema, zoals veelal wordt aangenomen, uit een drietrapsraket bestaat. De derde trap, die zou meebrengen dat onderzocht moet worden of de uitlating een onnodig grievend karakter heeft, past slecht in de jurisprudentie van het EHRM, volgens welke overdrijving en provocatie niet hoeft te worden geschuwd. De vraag of zulke stijlfiguren “nodig” zijn, wordt niet gesteld. Ik acht het dan ook aannemelijk dat de vraag of de uitlating onnodig grievend is, in de jurisprudentie van de Hoge Raad hooguit een factor is bij de vraag of de uitlating onder de bescherming van art. 10 EVRM valt. Ik wijs op HR 15 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4778, waarin de Hoge Raad overwoog dat in het oordeel van het Hof dat sprake was van beledigende uitlatingen besloten lag dat de gewraakte passages onnodig grievend waren en dat de verdachte aldus de grenzen van de door art. 10 EVRM bewaakte vrijheid van meningsuiting heeft overschreden. De tweede en derde trap worden hier eenvoudig in elkaar geschoven. Zie ook HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6731, waarin beide ‘trappen’ eveneens in elkaar worden geschoven, waardoor de klacht dat onbegrijpelijk was het oordeel van het Hof dat de uitlatingen niet nodeloos grievend waren, in de lucht kwam te hangen. Anders lag het ook in EHRM 26 juni 2012, nr. 12484/05 (Ciesielzyk tegen Polen). Een lokale politicus had een journalist afgeschilderd als een “information manipulator”, hem beticht van collaboratie met andere politieke partijen en hem een gebrek aan objectiviteit verweten. De veroordeling wegens belediging was volgens het EHRM niet in strijd met art. 10 EVRM. Mogelijk speelde een rol dat deze uitspraken niet lijken te zijn aangemerkt als gedaan in het kader van een publiek debat over een zaak van algemeen belang. Het EHRM lijkt geen onderscheid te maken tussen landelijke en lokale politici. In de zaak Lewandowstra-Malec tegen Polen (EHRM 18 september 2012, nr. 39660/07) werd een lokale politicus vervolgd wegens de kritiek die zij had geleverd op de burgemeester. Het EHRM oordeelde dat “the closest scrutiny” geboden was. Er is geen reden om te veronderstellen dat lokale politici meer vrijheid zouden hebben om te beledigen en te discrimineren dan een landelijke politicus.