ECLI:NL:PHR:2014:1719
Nr. 13/02972 Zitting: 1 juli 2014 Mr. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verdachte is door de Rechtbank Den Haag ter zake van “het door verdachte niet voldoen aan een bevel van een ambtenaar van politie strekkend tot het vervolgen van zijn weg of tot het zich, in een door de ambtenaar van politie aangewezen richting, verwijderen, terwijl hij, verdachte, aanwezig was bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, waardoor er wanordelijkheden dreigden te ontstaan” strafbaar verklaard onder de bepaling dat hem geen straf of maatregel wordt opgelegd.
3.3. De tenlastelegging en bewezenverklaring houden in dat de vordering van de daar genoemde hoofdagenten aan de verdachte om te vertrekken is gedaan krachtens art. 10 van de Algemene Plaatselijke Verordening 's-Hertogenbosch 1996. In aanmerking genomen dat deze bepaling, die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 13 is weergegeven, niet uitdrukkelijk inhoudt dat de ambtenaar van politie is gerechtigd tot het doen van een vordering als waarvan te dezen sprake is, is de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat de vordering "krachtens wettelijk voorschrift" is gedaan, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.”
Bevelsbevoegdheid politie Op grond van artikel 2 van de Politiewet heeft de politie de bevoegdheid om bevelen te geven. Deze bevelen dienen ter feitelijke handhaving van de openbare orde, bijvoorbeeld bij opstootjes, bemoeienis bij aanhouding en het samenkomen van groepen. Op 29 januari 2008 heeft de Hoge Raad bepaald dat het negeren van een politiebevel dat op grond van artikel 2 Politiewet is gegeven niet strafbaar is op grond van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel stelt het negeren van een krachtens wettelijk voorschrift gegeven ambtelijk bevel strafbaar. Artikel 2 Politiewet bevat de algemene taakomschrijving van de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift in de zin van artikel 184, eerste lid Sr, aldus de Hoge Raad. Het arrest betekent dat de politie een op grond van artikel 2 gegeven bevel niet langer strafrechtelijk kan handhaven op grond van artikel 184, eerste lid, Sr. Het arrest van de Hoge Raad houdt echter niet in dat uit artikel 2 Politiewet niet langer een bevoegdheid kan worden afgeleid om een burger bevelend toe te spreken.
Dit kan nog steeds. Ook kan de politie de persoon in kwestie fysiek verwijderen indien hij geen gehoor geeft aan het bevel. Verzet daartegen is strafbaar. Om bij niet naleving van bepaalde politiebevelen nog steeds tot strafrechtelijke vervolging te kunnen overgaan, is in samenspraak met politie, OM en VNG naar een werkbaar alternatief gezocht. Deze constructie is gevonden in artikel 2:1, tweede lid van de model- APV. In dit artikel is een gebodsbepaling opgenomen inhoudende het bevel zich te verwijderen in geval van een voorval of bij toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden dreigen te ontstaan. Het is in deze situaties dat het gemis van de mogelijkheid om te vervolgen zich in de praktijk voordoet.
Het niet opvolgen van de gebodsbepaling- en dus het politiebevel- is strafbaar gesteld in hoofdstuk 6 van de model- APV. Via de APV kan het negeren van een bevel van de politie dus worden vervolgd. Ik heb op 13 april 2011 de gemeenten, de hoofdofficieren en de korpschefs van politie van het een en ander op de hoogte gebracht. Het College van P-G’s heeft de strafbaarstelling en gronden tot verbalisering c.q. vervolging in een brief van 3 maart 2011 aan het OM uiteengezet. Gemeenten werd geadviseerd de APV aan te passen conform de model-APV. De politie en het OM werden gevraagd in het vervolg het negeren van een politiebevel te vervolgen via de APV in plaats van artikel 184, eerste lid Sr. Deze constructie is nog steeds goed werkbaar.
Voorwaarde is uiteraard wel dat alle gemeenten hun APV’s conform de model-APV aanpassen en dat politie en OM vervolgens strafrechtelijk handhaven op grond van de strafbepalingen van de APV. De burgemeesters van alle gemeenten zal ik daarom schriftelijk verzoeken om – voor zover dit nog niet is gebeurd – thans met voortvarendheid dienovereenkomstig te regelen en die oplossingsrichting ook in de driehoek te bespreken. Voorts zal ik de burgemeesters – en via hen de andere partners in de lokale driehoek – verzoeken om mij te informeren over de ervaringen met deze constructie in de praktijk. Het is mijn intentie om, in samenwerking met het college van procureurs-generaal, aldus te monitoren of het handhaven van een politiebevel via de APV in de praktijk voldoende adequaat.”
Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde 'bevoegdheid' (tot het geven van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV-bepaling verboden toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het strafbare feit.
De rechter blijft volkomen vrij in beoordeling van het bewezene. Indien de rechter van oordeel is dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging heeft misgetast, laat hij de desbetreffende strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier niet om niet reeds bestaande politiebevoegdheden. In oudere jurisprudentie oordeelde de Hoge Raad dat deze bevoegdheden 'eigenaardig tot de werkkring der politie behoren' (als bedoeld in artikel 223, lid 2, van de gemeentewet (oud))!
Thans kan deze bevoegdheid gestoeld worden op de artikelen 2 en 12 Politiewet. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving der openbare orde begrepen is. Deze taak is wel omschreven als: het zoveel mogelijk met onmiddellijke maatregelen in redelijk ordelijke banen leiden van het leven 'op straat' ('voor publiek toegankelijke plaatsen') alsmede de onmiddellijke zorg voor de veiligheid van persoon en goed.
Volgens de jurisprudentie impliceert de in de artikelen 2 en 12 omschreven taak van de politie de bevoegdheid tot het geven van bevelen ter handhaving van de openbare orde c.a. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element vormt. (…)”
De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van de feiten. Als de rechter meent dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging heeft misgetast, laat hij de strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier om bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid berust op de artikelen 2 en 12 Politiewet. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving van de openbare orde. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element vormt.
De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en 186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven politiebevel gebeurt op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond van artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen van artikel 186 WvSr. (…)”
De toelichting op art. 2:1 lid 2 APV Den Haag is gelijk aan deze laatste toelichting.
3(..)”
Deze bepaling verschilt niet wezenlijk van de hiervoor genoemde bepaling uit de oude modelverordening. De toelichting verschilt wel. Deze luidt: “Eerste lid Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.”
Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie. Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd.
Tweede lid In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende) ongeregeldheden.
De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de model-APV bevat het geven van een bevel in een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld via opname van artikel 2:1, tweede lid in artikel 6:1 van de (model)APV.
Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. het desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de model-APV).
Naast de politiebevelen ex artikel 2:1- model-APV blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.
Jurisprudentie Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12 02 1940, NJ 140, 622, AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags tippelverbod). Zie ook: HR 02 06 1903, W. 7938, Gst., 2715 (APV Amsterdam); HR 20 01 1936, NJ 1936, 343, Gst. 1936, p. 90, AB 1936, p. 558 (APV Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969, 411, AB 1970, p. 17, OB 1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G. Veldkamp (APV Amsterdam) en HR 17 03 1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr. 31108, NG 1971, p. 292 (APV Arnhem).
Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR 26-02-1991, NJ 1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380.
Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr. Aanvulling van de gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam) en HR 25 06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling (samenscholingsarrest).
HR 29-01-2008, NJ 2008, 206, LJN BB4108: Voor een bevel of vordering ‘krachtens wettelijk voorschrift’ gedaan als bedoeld in art. 184, eerste lid, Sr is vereist dat het betreffende voorschrift uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering. Art. 2 Politiewet 1993 bevat een algemene taakomschrijving voor de politie en kan niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Art. 2 Politiewet 1993 kan wel worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift ter uitvoering waarvan de in art. 184 Sr bedoelde ambtenaren handelingen kunnen ondernemen waarvan het beletten, belemmeren of verijdelen overtreding van art. 184, eerste lid, Sr kan opleveren.
LJN BM9992, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 juni 2010: Nu art. 7 APV Tilburg niet uitdrukkelijk bepaalt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering als bedoeld in art. 184 Sr, wordt de verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde overtreding van art. 184 Sr.
LJN BO4382, Gerechtshof Leeuwarden, 16 november 2010: Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat hij opzettelijk een bevel of vordering krachtens artikel 2.3.1.7. en/of 2.1.1.1. van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente [gemeente] (hierna: APV), in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift, niet heeft opgevolgd. Het in artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) beschreven misdrijf vereist een krachtens wettelijk voorschrift gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering. Het hof overweegt dat de artikelen 2.3.1.7. en 2.1.1.1. van de APV niet uitdrukkelijk een dergelijke bevoegdheid bevatten. Derhalve zijn deze artikelen geen "wettelijk voorschrift" in de zin van artikel 184, eerste lid, Sr. Voorts kan ook artikel 2 van de Politiewet 1993 niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven, waaraan op straffe van overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht moet worden voldaan.”
Ook deze toelichting gaat voorbij aan de vraag of de gemeentelijke wetgever straf kan stellen op het niet opvolgen van bevelen als de formele wetgever strafbaarheid daarvan achterwege heeft gelaten. Volstaan wordt de opmerking dat de art. 184 en 186 Sr niet in de weg staan aan aanvulling met de onderhavige APV-bepaling. Daarbij wordt verwezen naar HR 2 juni 1903, W. 7938 (APV Amsterdam), waarin inderdaad is geoordeeld dat art. 186 Sr zich niet verzet tegen een APV-bepaling die straf stelt op het niet gehoorzamen aan een bevel van een politieambtenaar. Tevens wordt genoemd HR 25 juni 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling (samenscholingsarrest). Dit arrest heeft echter niet betrekking op de vraag of art. 184 en/of 186 Sr een dergelijke aanvulling toelaat.
3.7.2. Opmerking verdient vooreerst dat het Hof met juistheid heeft aangenomen dat het die vraag had te beoordelen ongeacht het feit dat de verdachte niet de daartoe openstaande, met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft benut. Die enkele omstandigheid heeft immers niet tot gevolg dat de strafrechter, die geroepen is te oordelen over een tegen de verdachte gerezen verdenking van overtreding van een jegens hem uitgevaardigd verbod als het onderhavige, zich geen eigen oordeel behoort te vormen omtrent de verbindendheid van de aan dat verbod ten grondslag liggende regeling.
3.7.3. Voor de bespreking van dit onderdeel van het middel zijn de volgende bepalingen van de Gemeentewet van belang: (i) art. 147, eerste lid, Gemeentewet, dat luidt: "Gemeentelijke verordeningen worden door de raad vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester is toegekend." (ii) art. 149 Gemeentewet, dat luidt: "De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt." (iii) art. 160, eerste lid, Gemeentewet, dat luidt: "Het college is in ieder geval bevoegd: a. (...) b. beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren, tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester hiermee is belast; (...)" (iv) art. 172, eerste lid, Gemeentewet, dat luidt: "De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde."
3.7.4. De APV Nijmegen is een verordening als bedoeld in de art. 147 en 149 Gemeentewet. In die APV is art. 2.4.1 (oud), welke bepaling is getiteld "Verblijfsontzeggingen", ondergebracht in afdeling 4, luidende "Maatregelen tegen overlast en baldadigheid" van Hoofdstuk 2 met het opschrift "Openbare orde". Aldus heeft de raad van de gemeente Nijmegen, met gebruikmaking van zijn daartoe bij de Gemeentewet gegeven bevoegdheden - de uitzondering bedoeld in het eerste lid van art. 147 doet zich hier niet voor - bij verordening een regeling gegeven voor het in het belang van de openbare orde opleggen van een verblijfsontzegging aan een bepaald persoon. De uitvoering daarvan heeft hij opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders.
3.7.5. Gelet op de bewoordingen en de plaatsing van art. 2.4.1 (oud) in Afdeling 4 van Hoofdstuk 2 van de APV Nijmegen ziet die bepaling op de feitelijke handhaving van de openbare orde. Met die feitelijke handhaving van de openbare orde is ingevolge art. 172 Gemeentewet uitsluitend de burgemeester belast. Dat brengt mee dat de gemeenteraad buiten zijn verordenende bevoegdheden is getreden door in art. 2.4.1 (oud) APV Nijmegen het college van burgemeester en wethouders, in plaats van de burgemeester, aan te wijzen als het bevoegde orgaan voor het opleggen van verblijfsontzeggingen als hier bedoeld. De APV Nijmegen moet dus in zoverre buiten toepassing blijven. Deze klacht van het middel is terecht voorgesteld.”
De oorzaak namelijk van de groote menigte bijzondere bepalingen is gelegen in het gemis van aIgemeene voorschriften. Niet behoefte aan eene bijzondere regeling wegens den bijzonderen aard van het onderwerp, maar bij elk onderwerp dezeIfde behoefte aan eenige regeling, wegens het stilzwijgen der strafwet, riep de bijzondere bepalingen in het leven. Zoodra het wetboek van strafregt een algemeen voorschrift als hier wordt voorgesteld, inhoudt, mag men aannemen dat voortaan geene bijzondere bepalingen daarnevens zullen ontstaan en zoodoende het gevaar zal worden vermeden om, geIijk thans, een aantal strafbepalingen te hebben, die volstrekt niet passen in het algemeene strafstelsel, noch in behoorlijk verband staan tot elkander en tot andere gelijksoortige voorschriften.
Let men op de ruime opvatting van wederspannigheid als verzet tegen alle ambtenaren en hunne gerequireerde helpers, zoo komt hier inzonderheid in aanmerking de feitelijke verhindering of belemmering, die zich op andere wijze uit dan door geweld of bedreiging met geweld, alsmede de weigering van het geven van inlichtingen.
In art. 199 zijn begrepen:a.(…) (…)u. uit de wet van 31 Augustus 1853 (Staatsblad n°. 83), tot verzekering der uitvoering van sommige voorschriften van plaatselijke verordeningen:
32°. art. 1, weigering van toegang in de gevallen bij de gemeenteverordeningen bevolen, geene strafbepaling.
Wegens de plaatselijke verordeningen, ingevolge laatstgenoemde wetsbepaling vastgesteld, is in art. 199 de algemeene uitdrukking krachtens wettelijk voorschrift gekozen. Bovendien kon met het oog op deze bemoeijingen van gemeentewege het woord »staatstoezigt" niet gebezigd worden. Toezigt alléén is voldoende, daar de zinbouw aanwijst, dat hier slechts van zoodanig toezigt sprake is waarvan de uitoefening aan ambtenaren is opgedragen.”
Voorts houdt het Advies van den Raad van State in:
Artt. 196 en 199. De Raad herinnert aan hetgeen hij op art. 154 [141] over zamenrotting in het midden bracht, met verwijzing overigens naar § 115 van het Duitsche strafwetboek [zie hiervoor bl. 91].
Wijders mag betwijfeld worden of art. 199, hetwelk moet voorzien in tal van speciale bepalingen, thans in verschillende wetten verspreid, in de praktijk blijken zal genoegzaam te voldoen. Daarbij komt, dat de straffen, in het artikel bedreigd, niet zelden veel ligter zullen blijken te zijn dan die der speciale wetten, waarop het artikel het oog heeft en welke in de memorie van toelichting te dezer plaatse worden vermeld.
Weglating of althans beperking van art. 199 tot bijzonder te bepalen gevallen acht de Raad van State aanbevelenswaardig.”
Daarop reageerde de regering in een Rapport aan den Koning als volgt: “Art. 199 is één dier artikelen, waaruit mede de noodzakelijkheid en het voordeel eener nieuwe codificatie van het strafregt duidelijke schijnen te volgen. Het laat zich toch niet verdedigen, feiten van geheel gelijken aard, in een groot aantal bijzondere wetten, op verschillende wijze te omschrijven en daartegen verschillende straffen te bedreigen. Verwarring slechts en ongelijkheid worden daardoor veroorzaakt. Door niemand wordt de eenheid van beginsel, waarop al de bedoelde bepalingen steunen, ontkend; het is de bescherming van het openbaar gezag in de uitvoering der wetten, binnen de door die wetten gestelde grenzen, tegen verhindering of belemmering, die zich op andere wijze uit dan door geweld of bedreiging met geweld.
Het Staatsgezag heeft inlichtingen noodig om de behoorlijke uitvoering der wetten de verzekeren. De wet verpligt den stoom fabrikant , den schoolonderwijzer , de vroedvrouw ten aanzien van bepaald aangewezen onderwerpen die inlichtingen te geven. Op welken grond kan, bij herhaalde weigering tot het verstrekken van die inlichtingen, de fabrikant slechts eene geldboete van ten hoogste twee honderd gulden, de onderwijzer eene van vijftig gulden of gevangenis van zes dagen beloopen, terwijl de vroedvrouw tot gevangenzetting van een jaar kan worden veroordeeld? Het algemeen gevaar, dat uit die weigering te duchten is, moge in de verschillende gevallen verschillen, daartoe late de wet den regter voldoende ruimte in de keuze tusschen een maximum en minimum, altoos in verband met en in verhouding tot art. 206, waartegen door den Raad van State geene bezwaren zijn geopperd.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie over dit arrest J.W.P. van Heusden, Gemeentestem 2010, 11.
Zie over de ontwikkelingen voorafgaand aan deze rechtspraak Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 184, aant. 4 (suppl. 160. augustus 2013).
HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7085.
In dezelfde zin HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6665 (APV Tilburg), HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5164, HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3809 (besluit burgemeester Den Haag), HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4827 (APV Deventer), HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8311 (tippelverbod Venlo), HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:353 (APV Amsterdam).
Noot bij HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7085, AB 2012, 112.
Noot bij HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT7085, NJ 2013, 49.
Het hiervoor genoemde HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4108, NJ 2008, 206.
HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4108, NJ 2008, 206.
Noot J.G. Brouwer en A.E. Schilder bij Hof Arnhem 1 april 2010, AB 2010, 188 onder 4.
Zie ook noot J.G. Brouwer en A.E. Schilder bij Hof Arnhem 1 april 2010, AB 2010, 188 onder 4: het is vaste jurisprudentie dat de raad geen bevoegdheden kan toekennen aan andere organen dan het college van B&W, de burgemeester, gemeentelijke commissies en de raad zelf.
A.H.M. Dölle en D.J. Elzinga, m.m.v. J.W.M. Engels, Handboek van het Nederlandse gemeenterecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 188 e.v.
A.H.M. Dölle en D.J. Elzinga, a.w., p. 189.
Smidt II 1881, p. 174-177.
Smidt II 1881, p. 178-179.
Smidt II 1881, p. 178-179.
Zie voor kritiek op de uitvoering van dit streven Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 184, aant. 12 (suppl. 160. augustus 2013).
Zie over het belang van het motief dat aan een voorschrift ten grondslag ligt A.H.M. Dölle en D.J. Elzinga, a.w., p. 191.
Machielse (Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 184, aant. 12 (suppl. 160. augustus 2013)) ziet nog wel ruimte voor een overtredingsvariant van art. 184 Sr. Daartoe wijst hij op de verhouding tussen art. 184 Sr en art. 443 Sr.
A.H.M. Dölle en D.J. Elzinga, a.w., p. 190, 191.
A.H.M. Dölle en D.J. Elzinga, a.w., p. 187 e.v.