Nr. 12/04667 Zitting: 21 januari 2014 Mr. Hofstee Conclusie inzake: [verzoeker = verdachte] 1. Verzoeker is bij arrest van 20 september 2012 door het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van het hem onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en wegens “2. medeplegen van het in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van een aantal in beslag genomen nog niet teruggegeven voorwerpen. 2. Namens verzoeker heeft mr. P.R. de Korte, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld. 3. Alvorens de middelen te bespreken, geef ik enkele passages uit de pleitnota, de bewijsoverweging en de bewijsmiddelen weer. 4. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2012 gehechte pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in: “(…) 16. In de vorm van een 411a Sv-verzoek heeft onlangs het verhoor van gemachtigd aangever [betrokkene 2], die namens [betrokkene 1] aangifte heeft gedaan, plaatsgevonden. (…) 20. Omdat alleen [betrokkene 1] uitsluitsel kan geven over het feitelijk gebruik van de woning is op d.d. 29 mei 2012 aan de rechter-commissaris een 411a Sv verzoek gedaan om ook de eigenaar van het pand, [betrokkene 1] te horen over het in gebruik zijn van de woning. Het verhoor heeft nog niet plaatsgevonden. 21. Ik persisteer bij mijn verzoek om voornoemde getuige alsnog te horen, maar doe dit in de vorm van een voorwaardelijk verzoek. Enkel wanneer de verklaring van [betrokkene 2] als bewijsmiddel zal worden gebezigd wens ik [betrokkene 1] alsnog te horen. (…) Subsidiair Het horen van [betrokkene 1] indien de aangifte van [betrokkene 2] als bewijsmiddel wordt gebezigd.” 5. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, onder het hoofdje “Overweging met betrekking tot het bewijs” het volgende in: “De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde. De woning was immers geheel gemeubileerd, de nutsvoorzieningen waren aangesloten, er lag vloerbedekking, er stonden meubels, er waren kasten met kleding en de bedden waren voorzien van beddengoed. Dat de bewoner in het buitenland werkt, maakt nog niet dat de woning leeg en niet in gebruik is. De woning was voor direct gebruik beschikbaar. Het pand had niet gekraakt mogen worden. Ter terechtzitting is door en namens verdachte bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat het bestanddeel ‘in gebruik bij’ niet bewezen kan worden verklaard nu uit de verklaring van de gemachtigde aangever blijkt dat het pand niet in gebruik was. Er is dus geen sprake van feitelijke bewoning. Op basis van de stukken, in het bijzonder het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Wind (dossierpagina 61) stelt het hof vast dat alle vertrekken van de woning gemeubileerd waren, de nutsvoorzieningen waren aangesloten, de kamers waren voorzien van vloerbedekking en gordijnen, er diverse elektronica in de woon- en eetkamer stond, er keukenapparatuur en keukengerei in de keuken voorhanden was, de slaapkamers waren voorzien van bedden met matrassen, lakens en dekbedden en dat enkele kasten waren voorzien van kleding. Dat de rechtmatige eigenaar van het huis in het buitenland verblijft, ook als dit al reeds langere tijd het geval is, maakt nog niet dat het huis niet in gebruik was. Of basis van de aanwezige goederen in de woning was duidelijk dat de eigenaar van de woning zich van de woning wilde (kunnen) bedienen. Naar de uiterlijke verschijningsvorm was het niet aannemelijk dat de woning niet meer in gebruik was bij een ander. Ten overvloede merkt het hof op dat de verklaringen van de gemachtigde aangever, te weten [betrokkene 2], bij de politie en bij de rechter-commissaris niet voor het bewijs zullen worden gebezigd. Reeds daarom is het niet noodzakelijk om [betrokkene 2] (opnieuw) te (laten) horen, zoals in voorwaardelijke vorm door de raadsman is verzocht.” 6. De aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv bevat de volgende bewijsmiddelen: “Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant], brigadier van regiopolitie Kennemerland, opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 2], genummerd PL 1236 2010107020-1, gedateerd 30 september 2010, dossierpagina 6-8, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 2], zakelijk weergegeven: Ik doe aangifte namens [betrokkene 1]. Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 29 september 2010 werd ik in kennis gesteld dat er vermoedelijk getracht was in te breken in de woning van mijn broer. Mijn broer verblijft op dit moment in Italië. Hij verblijft ook wel in Nederland. Hij woont dan in zijn woning aan de [a-straat 1] in Hoofddorp. De woning is volledig als woning ingericht en te gebruiken als woning. Zijn spullen bevinden zich dan ook in de woning voor de momenten dat hij hier is. Buiten mijn broer verblijven ook regelmatig andere familieleden in de woning. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant], brigadier van regiopolitie Kennemerland, opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL 1236 2010107020-24, gedateerd 2 oktober 2010, dossierpagina 61, voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisant [verbalisant] voornoemd, zakelijk weergegeven: Op 30 september 2010 heb ik een onderzoek ingesteld op locatie [a-straat 1] in Hoofddorp. Ik zag dat de woning niet leeg stond. Ik zag namelijk dat alle vertrekken gemeubileerd waren. De woning maakte een bewoonde indruk en was kennelijk in gebruik. Nutsvoorzieningen als gas, water en elektra bleken aangesloten te zijn. De vertrekken waren voorzien van vloerbedekking en gordijnen. De woon- en eetkamer waren voorzien van zitmeubelen, tafels, kunstvoorwerpen en diverse elektronica. De keuken was voorzien van keukenapparatuur en keukengerei. De slaapkamers waren voorzien van bedden met matrassen, lakens en dekbedden. Enkele kasten waren voorzien van kleding. De woning was geschikt voor onmiddellijke bewoning. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 6 september 2012 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte: Ik ben op 29 september 2010 de woning aan de [a-straat 1] in Hoofddorp binnen gegaan.” 7. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van [betrokkene 1] als getuige, terwijl de aan het verzoek verbonden voorwaarde – te weten het bezigen voor het bewijs van de verklaring van [betrokkene 2] (aangifte) – is vervuld 8. Het middel slaagt. Uit de aan het proces-verbaal van ’s Hofs terechtzitting gehechte pleitnota volgt dat voorwaardelijk/subsidiair een verzoek is gedaan als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331 Sv en art. 415 Sv. Dit verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat het Hof de verklaring van [betrokkene 2] voor het bewijs zou bezigen. Nu het Hof de verklaring van [betrokkene 2] voor het bewijs heeft gebruikt is de aan dat verzoek verbonden voorwaarde vervuld, zodat een uitdrukkelijke beslissing op dit verzoek was vereist. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het bestreden arrest houdt echter een beslissing van het Hof in op het door de raadsman gedane verzoek. Daarbij teken ik aan dat het Hof in zijn overweging ten overvloede het voorwaardelijke verzoek van de verdediging kennelijk abusievelijk heeft verstaan als betrekking hebbend op [betrokkene 2]. Ik heb mij nog afgevraagd of hier sprake zou kunnen zijn van een kennelijke verschrijving in die zin dat met [betrokkene 2] zijn broer [betrokkene 1] is bedoeld. Ik meen echter dat dit niet het geval is, nu: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.